Interessante strijd om opvolging Waldheim

WENEN, 31 DEC. Opnieuw ziet Oostenrijk kans de bijna in elke republiek oersaaie verkiezingen voor een grotendeels ceremoniële president interessant te maken. Ongewild bracht het dat voor elkaar in 1986, toen de over zijn oorlogsverleden minder dan openhartige Kurt Waldheim kandideerde en won. Voor de verkiezingen van volgend jaar april sturen nu de vier parlementaire partijen kandidaten in de ring die er weer een ongebruikelijke wedren van beloven te maken: de sociaal-democraten komen met een vroegere topman uit het bedrijfsleven, de Oostenrijkse Volkspartij met een diplomaat, de liberalen met een vrouw en de Groenen met een filosoof en futuroloog. Kortom: zeer verschillend gevederde en gebekte vogels.

Hiermee is het gênante gezoek naar kandidaten toch nog mooi afgesloten. Even zag het er naar uit dat het Oostenrijkse bondspresidentschap de minst gewenste functie van het land was. Iedereen die benaderd werd, weerde af. Vooraan de bekende uitlegger van het wereldgebeuren op de televisie, Hugo Portisch (de Hiltermann van Oostenrijk, maar dan een alom bewonderde), die zonder slag of stoot de behuizing van keizer Franz Josef, de Hofburg, had kunnen binnentrekken, want de twee coalitieparijen SPÖ en ÖVP wilden hem als gezamenlijke kandidaat naar voren schuiven. Maar Portisch had geen zin in al dat gerepresenteer en de coalitiegenoten waren gedwongen ieder een eigen man te produceren, hetgeen de toch al af en toe in haar voegen krakende coalitieregering geen goed zal doen.

De beste kansen heeft zeker de SPÖ-kandidaat Rudolf Streicher. Als metaalarbeider begonnen bereikte hij in 1980 op 41-jarige leeftijd de post van directeur-generaal van wat nu Austria Metall is. In 1986 werd hij president van het Steyr-concern (eigendom van de Credit Anstalt, waarvan de aandelen weer in meerderheid bij de staat berusten), een van de best betaalde functies in het Oostenrijkse bedrijfsleven. Die vreugde duurde maar kort. Bondskanselier Vranitzky haalde later in dat jaar Streicher in zijn kabinet als minister van verkeer, waardoor hij de afgelopen jaren druk met de EG heeft kunnen onderhandelen over het EG-transitoverkeer door Oostenrijk.

Streicher, een enthousiast visser en jager en amateur-dirigent, verwierf zich in deze functie al gauw de oude bijnaam van Helmut Schmidt: "Der Macher'. Hij kreeg ook het een en ander voor elkaar, hetgeen volgens velen gunstig afstak bij kanselier Vranitzky zelf, die een keurige beheerder van de nationale pot lijkt te zijn, maar niet bepaald een vernieuwer en doortastende problemenoplosser is. Ontevreden zal Vranitzky er dan ook wel niet over zijn dat hij de ambitieuze Streicher door diens kandidatuur voor de Hofburg als concurrent voor het bondskanselierschap waarschijnlijk voorgoed kwijt is.

De Oostenrijkse Volkspartij gaat het slecht. Waldheim was nog hun man, maar de kans dat zij Thomas Klestil, oud-ambassadeur in New-York en Washington en secretaris-generaal van het ministerie van buitenlandse zaken, op de formeel hoogste stoel van het land zullen weten te krijgen lijkt niet groot. Klestil is in veel huishoudens nog geen bekende naam. Bovendien heeft hij in 1986 in Amerika Waldheim wel met meer dan gemiddelde kracht verdedigd tegen wat hij noemde “foute conclusies en absurditeiten” naar aanleiding van diens oorlogsverleden, maar de afgelopen jaren heeft hij weer verkondigd dat Waldheims presidentschap een grote belasting voor Oostenrijks positie in de wereld was. De kiezers, die in 1986 op Waldheim stemden omdat ze zich identificeerden met diens "meeloperschap' en woedend waren over de houding van het buitenland, hebben dus weinig reden op Klestil te stemmen. En de groep vaste ÖVP-stemmers kalft almaar af.

Een politieke meesterzet heeft het meest gewiekste politieke talent van Oostenrijk op dit ogenblik, Jörg Haider, de leider van de liberale FPÖ, gedaan door als liberale kandidaat Heide Schmidt, de 42-jarige tweede vice-voorzitter van de Tweede Kamer, te lanceren. Niet alleen zou zij best eens heel wat vrouwelijke stemmen kunnen vangen, maar zij is als politieke figuur ook zeer aanvaardbaar voor vele kiezers die hun buik vol hebben van de twee grote partijen met hun praktijk van baantjes verdelen en bedisselen achter de schermen, maar die niet veel ophebben met de vaak ultra-rechtse taal die Jörg Haider ten beste geeft.

Heide Schmidt, bijgenaamd "de blauwe sfinx', ziet er goed uit en is een authentieke liberaal. Geregeld distantieert zij zich dan ook van haar partijleider en ze heeft al aangekondigd voor het presidentschap vooral als persoon en niet als partijvrouw te willen kandideren. Terwijl haar partij in verschillende deelstaten en kort geleden ook bij de Weense verkiezingen een buitenlander-vijandig klimaat schiep (en daarmee aan de stembus veel succes had) stelt zij dat het probleem van de buitenlanders die naar Oostenrijk stromen voor haar geen etnisch, maar alleen een sociaal probleem is en zij stemde kort geleden tegen een wetsontwerp over asielverlening, omdat zij de rechten van de asielaanvragers in het ontwerp niet genoeg beschermd achtte.

Haar kandidatuur is voor de FPÖ alleen maar winst. Komt ze met een verrassend hoog percentage uit de bus, dan kan de partij zich voor het succes van haar kandidaat op de borst slaan. Valt het tegen, dan is niets eenvoudiger dan afstand te nemen van deze veel te liberale vogel in het eigen nest.

De Groenen dragen aan de verkiezingsrace het meeste kleur bij. Hun kandidaat is de 78-jarige joodse filosoof, psycholoog en futuroloog Robert Jungk, volgens hen “Jung gebleven door zijn levenslange verzet tegen fascisme, de atoomstaat en oorlog”. Jungk, winnaar van de alternatieve Nobelprijs en ereburger van Salzburg, is pas sinds 1967 Oostenrijks staatsburger. In 1913 werd hij in Berlijn als zoon van een Oostenrijks toneelspelersechtpaar geboren. De nazi-tijd woonde hij in Zwitserland. Als journalist werkte hij bij Die Weltwoche, later was hij correspondent van The Observer, in Parijs, Londen en Amerika.

In 1952 publiceerde hij zijn wereldwijde best-seller Die Zukunft hat schon begonnen. Terug in Europa was hij zeer actief in demonstraties tegen atoombewapening en atoomenergie. Zijn optreden in 1958 bij zo'n anti-atoomenergiebetoging leverde hem ontslag op bij Die Weltwoche, maar na de ramp in Tsjernobyl in 1986 verontschuldigde het blad zich daar publiekelijk voor.

Jungk wil met zijn kandidatuur vooral aandacht vragen voor zijn levenslange strijd voor het milieu en tegen kernenergie, dit laatste omdat "zij ook democratieën dwingt uit veiligheidsoverwegingen trekken van de politiestaat aan te nemen'. En verder wil hij de kiezers duidelijk maken dat achter Heide Schmidt de in zijn ogen gevaarlijke Haider, "de stem van een nationaal, reactionair gezinde groepering' staat. Pikant voor iemand die Bondspresident wil worden, wat ook zou inhouden formeel opperbevelhebber van het leger, is dat Jungk het leger “zinloos, duur en onnodig” vindt. Ook toetreding tot de EG verwerpt hij, al is hij aanhanger van "de Europese idee'.

Als er een echt debat tussen de vier kandidaten tot stand zou komen kan het nog interessant worden.