Er woedt een oorlog in het hart van Europa en het kan niemand iets schelen; Europese vredesactie is wat Joegoslavië nodig heeft

De slachtoffers zijn anoniem, de soldaten, de vrijwilligers, de burgers.

Ze worden aan het front getroffen door vijandelijk vuur, ze worden bedolven onder het puin van door artilleriegranaten verwoeste huizen, ze worden door gerichte of verdwaalde kogels gedood als weer ergens een dorp in man-tegen-man-gevechten wordt ingenomen, ze stappen op mijnen. En soms worden ze doodgefolterd, met elektrische schokken of met brandende strijkijzers. Of ze worden opgehangen aan de eerste de beste boom, als ze zich niet snel genoeg uit de voeten hebben gemaakt bij het naderen van de vijand. Vooral ouderen overkomt dat nogal eens: de jongeren zijn misschien nog in staat weg te trekken, ouderen hebben de wil en de kracht niet meer, zij blijven of worden vaak het weerloos slachtoffer van de tegenpartij. En zo kan het gebeuren dat in zo'n dorp vrouwen van negentig jaar oud worden opgehangen aan de boom op hun eigen erf. Naamlozen. De case studies komen later, als de doden zijn begraven.

Vaak zien we de lijken, 's avonds op de televisie, of op foto's in de krant, tussen het puin en de ruïnes. De opgeknoopte bejaarden zien we niet, en ook met verminkingen is men zuinig bij de televisie, want het moet niet teveel schokken, in dat halfuurtje tussen het avondeten en quiz of show van half negen. De weggesneden neuzen laat men niet zien. Puin, dat kan nog: een stukgeschoten stad, uitgebrande huizen, uitgebrande auto's, wat bundels mens hier en daar, in sjofele kleren. Maar de uitgestoken ogen, de afgerukte benen, de wonden die door een dumdumkogel of een gloeiend heet strijkijzer worden aangericht, of een dood kind en face - die niet: dat schendt de waardigheid van de mens en het gemoed van de kijker.

In het hart van Europa woedt sinds vijf maanden de eerste oorlog op dit continent sinds het einde van de Griekse burgeroorlog in 1949. Dat hart van Europa, dat strijdgebied, ligt maar op een steenworp afstand, op anderhalve dag rijden, in een gebied dat duizenden, tienduizenden van ons kennen van vredige zomervakanties in een nog niet zo ver verleden: Dubrovnik, Split, Zagreb, Opatija, de Dalmatische kust - het zijn geen vreemde namen, ze zijn ons vertrouwd.

In datzelfde strijdgebied, dat vakantieland van gisteren, brengen elke dag honderdduizenden mensen de dag of de nacht in schuilkelders door, zijn een half miljoen mensen op de vlucht gedreven, zijn tussen tienduizend en twintigduizend mensen gedood, leven honderdduizenden mensen in angst voor het volgende bombardement of oprukkende tegenstanders. Beide partijen, de Serviërs en Kroaten, brengen vrijwilligers in het veld, en onder die vrijwilligers bevinden zich nogal wat avonturiers, vechtjassen, leeglopers, mensen van de zelfkant, die in de oorlog een gelegenheid vinden zich uit te leven. Soms gebeurt dat met roof en plundering. En soms gebeurt dat met strijkijzers op weerloze gevangenen, of met de spontane ophanging van een bejaarde die niet tijdig is gevlucht: Europa, 1991.

Europa is er niet in geslaagd, deze vijf maanden, de strijd te beëindigen. Diplomaten hebben het geprobeerd, met een vredesconferentie die begon op het verkeerde spoor en die op dat verkeerde spoor is blijven voortmodderen zonder veel verder te komen dan veertien bestanden die prompt zijn geschonden. De strijd is voortgezet, door beide partijen, met dezelfde wreedheid, met dezelfde haat, een haat die stoelt op eeuwenoude argumenten en eeuwenoude frustraties. En verder? Verder niets: er zijn wat oproepen geweest, reacties op noodkreten van organisaties en instanties in het oude Joegoslavië, van burgemeesters die vrezen voor het lot van hun eeuwenoude binnensteden, comité's voor mensenrechten, academies van wetenschappen of schrijversbonden. Maar verder niets. In allerlei laden in kanselarijen liggen de mooie diplomatieke missives, de afspraken die in het kader van de Verenigde Naties of de CVSE zijn gemaakt over de vreedzame regeling van conflicten. Ze liggen er en ze zijn zinloos. En dus wordt er verder gevochten, met een verbetenheid die verbijstert, en krijgen we elke dag, tussen de twee reclameblokjes en voor de volgende quiz en de volgende show, een dagelijkse portie dood en vernieling.

Het went. Voor het televisiescherm maakt het niet meer zoveel uit dat die oorlog bij wijze van spreken om de hoek wordt gevoerd.

En bovendien: het gesprek van de dag is de oorlog in Joegoslavië hier nooit geweest: het was vanaf het begin een oorlog waar maar weinigen de ratio in konden ontdekken, de diepere historische motieven, en waar geen begrip en kennis bestaat, treedt onverschilligheid snel in. De oorlog in Joegoslavië spreekt niet aan. In Joegoslavië woedt een oorlog om land en invloed, een nationalistische oorlog. Dat vinden we ouderwets, achterlijk, een anachronisme voor de generatie die in de jaren zestig haar stem verhief tegen de oorlog in Vietnam en later tegen de kernbewapening. Zo is er in dit land nooit voor vrede in Joegoslavië gedemonstreerd. In geen enkel land trouwens. Als er al is betoogd, dan door Kroaten, Serviërs en Albanezen die ter gelegenheid van de Haagse vredesconferentie over Joegoslavië naar het Nederlandse ministerie van buitenlandse zaken of naar de EG-top in Maastricht zijn getrokken, waar de leiders van de Westelijke helft van Europa aan een nieuw Europa sleutelden, terwijl anderhalve dag reizen verderop datzelfde Europa aan flarden werd geschoten. Nederlanders? Die betoogden niet. Er woedt een oorlog in het hart van Europa, en het kan ons niets schelen.

En toch - in dit land is jarenlang voor vrede betoogd, voor vrede in Vietnam, voor vrede in El Salvador en Nicaragua, tegen de apartheid, tegen kernwapens. Toen waren smerige oorlogen in verre landen nog demonstraties waard.

Het IKV sprak onlangs met de Frankfurter Allgemeine Zeitung en zei, bij monde van een niet nader geïdentificeerde woordvoerder, dat “de Nederlander” de oorlog “ver weg” vindt en er dus niet warm voor loopt. Er zouden, zo zei die anonieme woordvoerder, voor een betoging tegen de oorlog in Joegoslavië maar “een paar honderd mensen” komen, daarom was er maar van afgezien.

Het is een argument dat men even moet laten bezinken. Een organisatie die jaar in jaar uit in staat is gebleken alle publicitaire middelen te benutten om honderdduizenden mensen te mobiliseren, is tot de conclusie gekomen dat er voor een demonstratie tegen de oorlog in Joegoslavië “maar een paar honderd mensen” zouden komen en heeft het dus maar helemaal niet geprobeerd. Publicitaire middelen? Mobilisatie van honderdduizenden? Spandoeken met leuzen en oproepen? Niet voor deze zaak, deze oorlog, deze doden. Niet ver genoeg weg wellicht?

Het verschil tussen "Vietnam' en Joegoslavië is niet de afstand, maar het gevoel van betrokkenheid. Er is geen identificatie mogelijk met een bepaalde kant in het conflict. In het geval van Vietnam voelden mensen zich medeverantwoordelijkheid voor een door 'het rijke en imperialistische Westen' gevoerde oorlog tegen een derde-wereldland. Ten tijde van de opbloei van de "vredesbeweging' was er bovendien een gevoel van directe bedreiging door de plaatsing van raketten voor het slagveld in Europa.

Nu is er noch identificatie, noch een gevoel van direct gevaar. De oorlog in Joegoslavië wordt gezien als een treurige folklore op de Balkan. Het is een apathie die verontrust. Nationale conflicten in Europa zijn deze eeuw al twee keer aanleiding geweest voor het uitbreken van een wereldoorlog. Er is geen enkele reden om het bloedvergieten op de Balkan slechts te beschouwen als folklore waar niemand iets mee te maken heeft; diverse buurlanden van Joegoslavië lopen een reëel risico bij de oorlog betrokken te raken.

De revoluties in Oost-Europa, het vallen van de Berlijnse muur twee jaar geleden en de stappen die zijn gezet in de richting van een "verenigd Europa' hebben tot vreugde en optimisme geleid. De bedreiging uit het Oosten was geweken, het raketten-gevaar voorbij. De wereld en het continent leken veel veiliger geworden. Dat is een misverstand.

Men kan zich afvragen: waar zijn nu de Vietnam-demonstranten van weleer, en waar is het IKV nu? Maar ook: waar zijn de voortrekkers van het verenigde Europa? En waar zijn de overwinnaars van de Koude Oorlog, nu er zo snel een hete is uitgebroken?

Gemeenschappelijke verantwoordelijkheid ligt besloten in de term "vrede'. Misschien zou "de vredesbeweging' weer in beweging moeten komen. Het IKV bijvoorbeeld, toch de eerstgeroepene om nu opnieuw de roep om vrede te laten klinken. Een nieuw Europa kan geen vorm krijgen zolang het oude Europa zo gruwelijk tekeer kan gaan als nu in Joegoslavië gebeurt.

Wat Joegoslavië nodig heeft, is een Europese vredesactie van verontruste burgers, die de strijdende partijen duidelijk maken dat er in Europa geen plaats meer is voor oorlogen.

Er is een precedent dat kan inspireren. Tijdens de Spaanse burgeroorlog, door velen met recht en reden beschouwd als een voorspel tot de Tweede Wereldoorlog, trokken tienduizenden in de Internationale Brigades naar het slagveld. Hoewel de situatie in Spanje toen en Joegoslavië nu niet vergelijkbaar is en er absoluut geen behoefte is aan bewapende vrijwilligers, zou het wellicht effect kunnen hebben als grote aantallen vredesactivisten zich daadwerkelijk naar het strijdtoneel zouden begeven. Een goed gecoördineerde Europese vredesactie, bijvoorbeeld in de vorm van internationale vredesbrigades of vredeskampen tussen de strijdende partijen, zou Serviërs en Kroaten kunnen overtuigen van het serieuze Europese verlangen dat de strijd wordt gestaakt.

Vredesdemonstranten in Belgrado ontstaken dit weekeinde kaarsen voor de vrede. (Foto Reuter)