BELASTINGEN EN SOCIALE ZEKERHEID IN 1992; BIJSTANDSUITKERINGEN

per week/per maand/vakantiegeld per maand

Echtparen zonder of met kinderen: 395,60 1714,28 93,95 maximum-bijverdiensten 257,14 Een-ouder gezinnen 356,04 1542,85 84,56 maximum-bijverdiensten 257,14 Thuiswonend werkloos kind: 20 jaar 112,62 488,02 50,14 maximum-bijverdiensten 73,20 19 jaar 91,33 395,78 43,94 18 jaar 90,84 393,64 38,42 Alleenstaanden: 23 jaar en ouder 276,92 1200,00 65,77 maximum-bijverdiensten 180,00 22 jaar 232,45 1007,30 69,46 21 jaar 202,89 879,21 59,19 20 jaar 193,45 838,30 50,14 19 jaar 193,45 838,30 43,94 18 jaar 193,45 838,30 38,42 Alleenstaande woningdelers: 23 jaar en ouder 235,19 1019,17 65,77 maximum-bijverdiensten 180,00 22 jaar 196,96 853,48 69,46 21 jaar 193,45 838,30 59,19 20 jaar 193,45 838,30 50,14 19 jaar 193,45 838,30 43,94 18 jaar 193,45 838,30 38,42

Toelichting:

In de bijstand gelden twee ongehuwden die een gezamenlijke huishouding voeren als echtpaar. Ook als zij van het zelfde geslacht zijn. Samenwonende familieleden in de eerste of tweede graad zijn hiervan uitgesloten.

Onder woningdelers worden mensen begrepen die samen met anderen een woning delen doch geen gezamenlijke huishouding voeren. Bij gezinnen die met anderen een woning bewonen, vindt een vaste aftrek plaats van 180,83 gulden per maand.

Het maximum-bedrag dat mensen met een bijstandsuitkering mogen bijverdienen, staat niet voor elke leeftijd apart vermeld. Voor alleenstaanden onder de 23 jaar gelden normen die van het bedrag voor een 23-jarige zijn afgeleid. Iemand met een bijstandsuitkering mag 25 procent van de verdiensten uit arbeid behouden, tot het vermelde maximum. Voor één-oudergezinnen is een aparte regeling van toepassing: de eerste 85,71 gulden van wat de ouder per maand verdient, wordt niet afgetrokken.

Op de uitkering van ouders met inwonende kinderen met eigen inkomsten wordt - ongeacht het aantal kinderen - een bedrag van 41,73 gulden per week of 180,83 gulden per maand in mindering gebracht. Dit gebeurt niet als er uitsluitend kinderen zijn die studiefinanciering hebben of (beneden 21 jaar) een inkomen dat ongeveer zo hoog is als de RWW-uitkering voor een thuisinwonend kind. Dezelfde aftrek geldt voor bijstandsgerechtigden met één onderhuurder. Voor mensen met één kostganger geldt een aftrek van 63,31 gulden per week of 274,36 gulden per maand. Heeft men meer dan één onderhuurder of kostganger, dan stelt de gemeente per geval vast welk bedrag van de uitkering wordt afgetrokken.

Huurders met een huur tussen 289,17 en 820,00 gulden in de maand hebben meestal recht op huursubsidie. Bijstandsontvangers met een eigen huis waarvan de woonkosten tussen 289,17 en 820,00 gulden per maand liggen, kunnen een toeslag krijgen die gelijk is aan de huursubsidie. Bij woonkosten boven 820,00 gulden kan hooguit tijdelijk een toeslag worden gegeven.

Niet al het spaargeld behoeft te worden aangesproken, voordat iemand voor een bijstandsuitkering in aanmerking komt. Voor gezinnen geldt dat 17.200 gulden buiten beschouwing wordt gelaten, terwijl voor alleenstaanden een bedrag van 8.600 gulden geldt. Voor mensen jonger dan 65 jaar die een bijstandsuitkering ontvangen en een eigen huis bewonen, geldt een speciale regeling. Bij hen wordt van het vermogen in het huis nog eens 15.000 gulden buiten beschouwing gelaten en van het meerdere de helft. Maximaal wordt voor gezinnen 77.000 gulden buiten beschouwing gelaten en voor alleenstaanden 68.400 gulden.

Wie verplicht verzekerd is bij een ziekenfonds moet van zijn-haar uitkering de nominale premie aan het ziekenfonds betalen. Ook de per 1 januari 1992 ingevoerde nominale premie Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ) moet uit de bijstandsuitkering worden betaald. Wie niet verplicht verzekerd is, ontvangt bij het uitkering een vergoeding voor de betaling van een particuliere ziekenkostenverzekering, die dezelfde risico's dekt als de verplichte ziekenfondsverzekering. De vergoeding wordt verminderd met het bedrag dat een verplicht verzekerde in dezelfde omstandigheden als nominale premie aan het ziekenfonds moet betalen.

Het vakantiegeld wordt één maal per jaar, in juni, uitbetaald.