Baker waagt pas als de overwinning zeker is

James Baker die energiek een vliegtuigtrap afdaalt is een vertrouwd televisiebeeld geworden. Maar zijn stempel heeft hij nog niet op de wereld gezet. Portret van een pragmaticus.

WASHINGTON, 31 DEC. Een koele, soms starre blik, monotoon uitgesproken zinnen, waarbij het Texaans zoveel mogelijk wordt ingeslikt. De Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, James Baker (61), mist het charisma van zijn verre voorganger Henry Kissinger. Hij lijkt eerder op een strak regisserende, onberispelijke matre d' tijdens een druk banket in een groot hotel.

Baker heeft wel gevoel voor humor maar het ontbreekt in zijn verhandelingen over buitenlands beleid. Zijn belangrijke uitspraken zijn meestal zorgvuldig ingestudeerd op grond van papers van zijn stafleden. Een zondagochtend-interview voor de Amerikaanse televisie bereidt hij drie uur lang voor.

Toch verbergt dit front van ernst een grote vaardigheid in administratieve diplomatie. Al ontbreekt hem de strategische visie van Kissinger, hij heeft wel talent voor tactische manoeuvres en onderhandelingen. Baker weet als geen andere hoe hij zich moet bewegen, niet alleen in Washington, maar ook in andere hoofdsteden. Zijn vaardigheid in onderhandelen, opgedaan in de binnenlandse politiek, kan hij ook elders gebruiken. Hij kan mensen meteen op hun gemak stellen en die gave gebruikt hij ook. Om te overleggen over een wapenbeheersingsovereenkomst nam hij toenmalig Sovjet-minister van buitenlandse zaken mee naar zijn zomerhuis in Wyoming voor een ontspannen sfeer. En als een echte matre d' heeft hij zowel president Reagan als zijn opvolger Bush tegen zichzelf kunnen beschermen.

Bakers loopbaan als minister van buitenlandse zaken kenmerkt zich vooral door enorme energie en activiteit. Zijn stempel heeft hij nog niet op de wereld gezet. Hij moest diplomatiek reageren op grote gebeurtenissen elders, zoals de val van de Berlijnse Muur en de ontbinding van de Sovjet-Unie. Bij de Golfoorlog deed hij uitvoerend werk voor president Bush bij het bijeenhouden van de geallieerde coalitie. Omdat hij in het begin tegen oorlog was, hield hij zich politiek wat op een afstand.

De politieke afwikkeling van de oorlog was geen succes. De "pragmatische' Bush en Baker deden niets toen Saddam de Koerden en shi'itische moslims aanpakte, nadat ze hen tot opstand hadden aangezet. Maar het Koerdenvraagstuk was politiek niet interessant meer voor Bush. Amerika had zijn overwinning. Wel begon Baker hard te werken aan een vredesinitiatief in het Midden-Oosten.

Met zijn kleine, vertrouwde staf kiest Baker de interessante politieke onderwerpen uit. Het reguliere, diplomatieke apparaat van het departement laat hij daar grotendeels buiten. Andere delen van de wereld laat hij dan een tijd rusten en die betreffende afdelingen van zijn departement krijgen dan ook weinig leiding. Soms leidt dat tot verrassingen, zoals de Iraakse inval in Koeweit.

Afkomstig uit Texas behoort Baker tot de kring vertrouwelingen van president Bush. Toen hij uit Connecticut kwam, wilde Bush als nieuwe Texaan de Texaanse manieren leren van Baker, die een échte was, afkomstig uit een rijke familie die Houston heeft groot gemaakt. Baker kauwt soms tabak en heeft een fles Chivas Regal onder zijn bureau waar hij, net zoals in de film, 's middags wel eens een slok uit neemt. Ook draagt hij soms cowboylaarzen onder zijn broek. De nette Bush vindt dat prachtig. Gemeenschappelijke vrienden voorspelden dat de goed georganiseerde en gedisciplineerde Baker president zou worden in plaats van Bush. Maar ondanks zijn grote, politieke ambities verheugt Baker zich niet zoals president Bush in het schudden van handen, in het meedoen aan malle spelletjes en in het maken van praatjes bij feestjes. Baker heeft aan zichzelf genoeg, terwijl Bush het niet zonder het gezelschap kan stellen. Hij verkeert het liefst onder gelijkgestemde heren, zoals Baker, Brent Scowcroft of Robert Gates. Op het presidentiële vliegtuig Air Force One mag Baker bij onstentenis van Barbara Bush voor de gezelligheid de nacht in haar bed in de presidentiële slaapkamer doorbrengen.

Baker is beter dan Bush in staat om de pers gunstig te stemmen. Tegenover vertrouwde journalisten kan hij routineus de grondregels van een gesprek verscheidene malen veranderen. Sommige opmerkingen mogen de journalisten als eigen inzicht publiceren, andere mogen ze toeschrijven aan “een hoge functionaris” en heel soms mogen ze hem ook direct aanhalen. Het wapen van het overheidslek aan de pers hanteert hij bekwaam. Hij weet zich te distantiëren van mislukt beleid door als anonieme bron anderen de schuld te geven. Voormalig CIA-directeur, William Casey, noemde hem “het grootste lek in de stad”. Een plan van president Reagan om hoge functionarissen via een leugendetectortest op lekgedrag te onderzoeken, wist hij in die tijd tegen te houden. Bakers opvolger in het Witte Huis, Donald Regan, zei dat hij “geschokt” was toen hij zag hoeveel tijd chef-staf Baker doorbracht met journalisten en columnisten. De minister van buitenlandse zaken Baker gebruikt public relations als serieuze discipline.

Zijn politieke bedrevenheid is hem al die jaren in Washington goed van pas gekomen. Hij heeft jaren van sensatie en schandalen ongedeerd overleefd. Zelden is publiciteit over hem negatief. Hoewel hij als minister de tot tientallen miljarden dollar groeiende kosten van het spaarbankschandaal niet opmerkte, ondervond hij daar politiek weinig last van. Zodra de kranten schreven, was hij weer vertrokken. Niemand wist zich nog Baker te herinneren.

Ook zijn toegeeflijkheid tegenover Saddam Hussein, vlak voor diens inval in Koeweit, werd gauw vergeten. Zijn ambassadeur in Irak, April Glaspie, die volgens instructies uit Washington handelde, werd als enig slachtoffer weggeborgen in de catacomben van het State Department. Baker kan vaak zijn bespiegelingen met instemming terugvinden op voorpagina's van de New York Times of de Washington Post, toegeschreven aan een “hoge functionaris” of aan helemaal niemand.

Gezaghebbende correspondenten, zoals Thomas Friedman van de New York Times, zijn zo blij met de toegang die ze hebben tot de minister, dat ze de status van Bakers persoonlijke boodschapper op de koop toe nemen. Het is al moeilijk genoeg om aan waardevolle bronnen komen in een departement dat strak van bovenaf wordt geleid. Baker en zijn directe staf houden hun plannen vaak voor zichzelf. Diplomaten moeten het beleid van hun minister uit de krant vernemen.

Rondom het Amerikaanse vredesinitiatief voor het Midden-Oosten hangt een weldadige stilte. De onderhandelingen tussen Israeliërs en Arabieren zijn gestaakt, maar Baker heeft zijn succes al binnen. Dát ze met elkaar hebben gesproken is een primeur. Niemand verwijt het de minister dat de delegaties onverrichterzake uit Washington zijn vertrokken. Omdat het Congres met vakantie was, speelde de conferentie zich niet onder de politieke schijnwerpers af.

Het Midden-Oosten is een politiek gokje waard. Goede resultaten kunnen hem de lauweren van een Nobelprijs bezorgen, terwijl de huidige impasse Bakers aanzien als minister niet kan schaden. Toen de besprekingen in Washington langzaam in een moeras van eisen en voorwaarden wegzakten, was Baker al tienduizenden kilometers verder op een veelbesproken verkenningsreis langs zes republieken van de Sovjet-Unie, vlak voordat president Gorbatsjov aftrad. Daags na thuiskomst besloot president Bush om de republieken van de voormalige Sovjet-Unie te erkennen.

Voor januari staat er in Washington een grote conferentie over hulp aan de Sovjet-Unie op de agenda. Amerika betaalt minder aan de Sovjet-Unie dan veel Europese deelnemers. Maar ook op de binnenlandse discussie over buitenlandse hulp kan een dergelijke conferentie een gunstig effect hebben.

Er zijn weinig ministers van Buitenlandse Zaken geweest die zo nauwkeurig de binnenlandse kant van het buitenlandse beleid in de gaten houden. Als oudgediende in het Witte Huis gaat hij routineus de stemming na in het Congres. Baker, “de voorzichtige”, waagt pas als zijn overwinning vrijwel zeker is.

Hij koestert zijn contacten met het Congres. Toen hij in 1981 chef-staf werd onder president Reagan spendeerde hij veel tijd aan het terugbellen van alle Congresleden en anderen, hoe obscuur ook. Hij hoopte dat de Congresleden niet meer op kantoor zaten, dan hoorden ze in ieder geval dat hij had teruggebeld zonder dat het hem veel tijd zou kosten. Hij wist dat Ronald Reagan als outsider veel wantrouwen wekte bij Washingtonse notabelen, terwijl met hen toch moest worden gewerkt. Hij was ook bedreven in bureaucratische trucs. Zijn latere tegenstander binnen het Witte Huis, de conservatief Edward Meese, ruimde zijn bureau nooit goed op. Dus bombardeerde hij hem met vele, nieuwe memo's. Zodra Meese eraan toe kwam, had Baker er al een beslissing over genomen.

Bakers vertrek als chef-staf onder Reagan luidde een nationale politieke crisis in. Zijn opvolger, Donald Regan, verkeerde in de mening dat de president zelf zijn agenda vaststelde en hield zich letterlijk aan het adagium “let Reagan be Reagan”. Vervolgens bezocht president Reagan een SS-begraafplaats in Bitburg en raakte het Witte Huis verstrikt in het Irancontra-schandaal.

Insiders in Washington zijn het erover eens dat dit onder het chefschap van Baker nooit zo gauw was gebeurd. Hij waarschuwde Reagan dat toenemende militaire betrokkenheid in Centraal-Amerika de wetgevingsagenda van het Congres in gevaar bracht. Baker wist ook tactvol om te springen met de vele veranderingen op het laatste moment in het reisschema van de president, omdat waarzegster Joan Quigly aan Nancy Reagan had gezegd dat de vertrek- en aankomsttijden niet gunstig waren. Met Reagan wisselde hij vaak schuine grappen uit, waar ze beiden op gesteld waren.

Uiteindelijk heeft Baker al zijn posten aan zijn vriend George Bush te danken. Zelf heeft hij nooit een gekozen functie gehad. Ze waren buren in Texas en afstammelingen van welvarende patriciërs. Maar terwijl de vader van Bush senator was, keek de familie Baker neer op politiek en politici. James Baker was zoals bijna alle Texanen in die tijd Democraat maar ging zelden stemmen. Verkiezingsdag was voor hem een gelegenheid om te jagen.

Als advocaten voor de nationaal vermaarde firma Baker & Botts verdedigden de Bakers spoorwegbaronnen als Harriman. Grootvader Baker hield de jongere advocaten altijd voor dat ze zelf smetteloos moesten zijn om dergelijke mensen geloofwaardig te kunnen verdedigen. De Bakers investeerden veel in de ontwikkeling van Houston. Vader Baker was een strenge man, bijgenaamd “de gevangenisbewaarder”. Hij eiste veel van zijn zoon, die eerst in Princeton geschiedenis en klassieke talen en later in Texas University rechten studeerde.

Baker ging werken voor een andere firma dan Baker & Botts. Met Bush werd hij lid van de Houston Country Club, een vereniging die sterk op de afkomst van haar leden let. Geld was niet genoeg. Bush en Baker vormden een tennisteam en wonnen twee jaar achtereen het tenniskampioenschap dubbel heren. Beiden hebben nu ook een sportieve passie voor politiek, waar niet de visie maar het spel en de overwinning een belangrijke rol spelen.

Toen Bakers vrouw in 1969 aan kanker overleed, vroeg Bush om de aandacht wat af te leiden zijn medewerking aan zijn tweede senaatscampagne. Bush verloor maar Baker raakte verslaafd aan de politiek. Hij werd in 1976 onderminister van handel onder president Ford en later werd hij gerecruteerd voor diens herverkiezingscampagne. Hij wist Ford bij de voorverkiezingen van een verlies tegen Reagan te behoeden maar de herverkiezingscampagne slaagde uiteindelijk niet.

In 1978 verloor hij de verkiezingen voor procureur-generaal van Texas, dus besloot hij in 1980 voor de presidentiële campagne van Bush te werken. Na verliezen in verscheidene voorverkiezingen organiseerde hij zonder Bush te raadplegen een persconferentie en verklaarde hij dat de Bush-campagne geen geld meer had om verder te gaan. Bush was woedend maar later gaf hij zijn campagnechef gelijk. Door de campagne vroeg op te geven kwam hij in aanmerking voor het vice-presidentschap. Nancy Reagan en enkele stafleden zagen in Baker de ideale figuur voor chef-staf van de president. In 1988 coördineerde hij de laatste maanden van de verkiezingscampagne van Bush - en met succes.

Baker wordt net zoals Bush door conservatieve Republikeinen als een visieloze pragmaticus gezien, die de conservatieve zaak schaadt. Of het beter of slechter is dan ideologie - pragmatisme is het politieke tennisspel van twee gezworen vrienden, die elkaar graag wat speels afkatten.

Foto: Een koele, soms starre blik: de Amerikaanse minister van buitenlandse zaken, James Baker. (Foto NRC Handelsblad - Freddy Rikken)