1992: meedeinen

In oude beschavingen werden zieners, orakels of profeten geraadpleegd, alvorens machthebbers belangrijke besluiten namen.

In deze tijd, die verlicht heet, laten overheid en bedrijfsleven zich bijstaan door technische deskundigen. Ingenieurs maken kansberekeningen, actuarissen bepalen sterftekansen en economen laten zich verleiden tot uitspraken over de economische vooruitzichten. Directeur Zalm van het Centraal Planbureau is tegenwoordig onze opperziener, stelde de Groningse godsdienstwetenschapper Bremmer in zijn oratie vast.

In het topjaar 1990 groeide de economie als kool, met vier procent. Het afgelopen jaar halveerde de economische groei. Voor het komend jaar verwacht het Planbureau een verdere groeivertraging. Eerst na de zomer zal de groei van de produktie en het daarmee verdiende nationale inkomen weer aantrekken. Het buitenland koopt meer dan de helft van onze produktie. Daarom is het economisch herstel in hoge mate afhankelijk van de gang van zaken elders. De Amerikaanse economie klimt nog niet werkelijk uit het dal, terwijl de ontwikkeling in Duitsland stokt onder invloed van de daar gevoerde krap-geldpolitiek en ombuigingen op de uitgaven van de overheid. In een vorige week verschenen rapport over de Nederlandse economie constateert de OESO dan ook dat de groei in 1992 geheel achterwege zou kunnen blijven, indien de vraag vanuit het buitenland tegenvalt.

Van de binnenlandse bestedingen gaat in 1992 geen enkele impuls uit. De consumenten zullen slechts één procent meer besteden, vooral onder invloed van gematigde loonsverhogingen (vier procent), waarbij het positieve effect op de koopkracht van gezinnen nagenoeg geheel verdampt door de voorziene geldontwaarding (3,5 procent). De investeringen van bedrijven krimpen met drie procent, de aankopen van de overheid staan onder druk van het gevoerde bezuinigingsbeleid.

Wanneer de produktie slechts mondjesmaat groeit, komen er veel minder nieuwe banen bij, vooral omdat ook de produktie per werknemer jaarlijks toeneemt. Aangezien zich veel werkzoekenden op de arbeidsmarkt blijven melden, loopt de werkloosheid voor het eerst sinds jaren weer met enkele tienduizenden personen op.

Dat baart de regering terecht grote zorgen. Nederland telt in verhouding tot het aantal werkenden nu al erg veel uitkeringsontvangers. Een voortgaande verslechtering van dit verhoudingsgetal door een oplopend aantal werklozen betekent onherroepelijk dat de koopkracht van de uitkeringen in 1992 verder omlaag gaat. Dit jaar kromp de koopkracht van de sociale minima al een half procent, door de onverwacht sterke stijging van de kosten van levensonderhoud. Over dit onplezierige feit bewaart men in Den Haag een tactvol stilzwijgen. Een hernieuwde koopkrachtdaling voor de minstbedeelden lijkt echter vooral voor de PvdA heel moeilijk verteerbaar. Voor 1992 zijn de bruto uitkeringen reeds ten dele losgekoppeld van het beloop van de cao-lonen, maar de schade is ditmaal nog zo goed en zo kwaad als het kon gerepareerd met belastingmaatregelen. Deze operatie leent zich slecht voor herhaling.

Goed nieuws valt er te melden over de overheidsfinanciën. Het financieringstekort daalt iets sneller dan gepland en minister Kok heeft zijn collega's in 1990 en 1991 gedwongen om met hun uitgaven binnen de perken van de begroting te blijven. Wel loopt de belastingdruk in 1992 iets op, zonder echter door het plafond uit het regeerakkoord heen te schieten.

Door haar aanhoudende pogingen om in de collectieve sector eindelijk orde op zaken te stellen kan de regering in 1992 de kwakkelende economie niet stimuleren door belastingverlaging of het opvoeren van haar eigen bestedingen. Vroeger zou dit Keynesiaanse recept bijna blindelings zijn toegepast. Afgezien van het feit dat voor een stimulerend beleid thans de ruimte ontbreekt, is ook de twijfel onder economen en beleidsmakers sterk toegenomen of de overheid wel in staat is tot een zodanige fijnregeling van de economie.

Alleen het bedrijfsleven zou de nationale economie in 1992 kunnen aanjagen, door de investeringen sterk uit te breiden. Daarvoor is geld genoeg. De in de jaren zeventig en de eerste helft van de jaren tachtig aangetaste vermogensverhoudingen zijn hersteld. Dat komt, doordat de winsten gedurende een reeks van jaren een krachtige groei vertoonden, vooral door de betrachte loonmatiging. Van de in ondernemingen toegevoegde waarde valt in Nederland thans veertig procent toe aan de kapitaalverschaffers, tegen gemiddeld vijfendertig procent in andere industrielanden. Het rendement op geïnvesteerd vermogen ligt in Nederland met gemiddeld 17,5 procent eveneens boven het rendement in de meeste andere landen (in Duitsland bedraagt het bij voorbeeld veertien procent). Dit blijkt uit tabel 57 en 58 van de halfjaarlijkse Economic Outlook, die de OESO onlangs publiceerde.

De OESO-cijfers onderstrepen dat veel vaderlandse bedrijven zwemmen in de liquiditeiten. Het geld wordt momenteel zelfs massaal belegd bij de fiscus, die elf procent (vanaf morgen: twaalf procent) wettelijke rente vergoedt over (opzettelijk) te veel betaalde belasting. Deze praktijk is de directe oorzaak van een van de grootste tegenvallers bij de uitvoering van de rijksbegroting voor 1991 (400 miljoen gulden).

Het Nederlandse bedrijfsleven ziet momenteel kennelijk te weinig perspectief voor produktievere investeringen binnen de landsgrenzen. Wordt het niet de hoogste tijd dat de premier (net als in 1986) de vaderlandse ondernemers nog eens wijst op de wenselijkheid meer geld te steken in machines, fabrieken en vervoermiddelen? Het zal betrekkelijk weinig uithalen. Lubbers heeft de Eerste Kamerfractie van het CDA al niet meer aan een touwtje, laat staan de ondernemers. Zo wordt 1992 een jaar waarin de beleidsruimte voor de nationale overheid verder krimpt en Nederland meedeint op de golven van de internationale conjunctuur.