"Zigeuners zijn het ergst, die moeten verdwijnen'

PLZEN, 30 DEC. Tegen middernacht. Op een bank in de metro zit een bruine man. Hij is alleen. Niemand slaat acht op hem. Bij de volgende halte stappen twee skinheads in. Met grote passen banen zij zich een weg door het gangpad en blijven wijdbeens staan voor die ene niet-blanke passagier.

Minutenlang kijken zij hem zwijgend aan. De man schuift ongemakkelijk heen en weer. Als de metro stopt sprint hij naar de andere kant van het perron om op een andere lijn te stappen. Te laat: de deuren sluiten. De ogen van de twee skins prikken in zijn rug: zij hebben beet en laten niet meer los. Pas wanneer de volgende metro komt laten zij hem gaan. Nee, zij willen niet praten. Zij spreken trouwens geen Engels of Duits. Alleen hun ogen spreken duidelijke taal: ik kan maar zo snel mogelijk verdwijnen.

Uren eerder. Met een doffe klap legt Heiko (18) zijn wapenstok op tafel. “Mes en gaspistool hebben we thuis gelaten. Het is hier vrij rustig.” Met zijn drie Duitse vrienden, allen skinheads, zijn ze een weekeinde in Plzen waar net als in Praag de Vietnamezen vrijwel uit het straatbeeld zijn verdwenen. Het hoofd van Heiko, die een t-shirt draagt met de beeltenis van Rudolf Hess, is zeer recent met een tondeuse bewerkt. “Ik heb het meestal ook zo, maar ik laat het even groeien want ik ben werkloos. Als ik nu mijn haar laat knippen krijg ik geen baan”, zegt Thomas (21) terwijl hij een slok bier neemt. Zij hebben sinds eind jaren tachtig veel contact met een Tsjechoslowaakse geestverwant. Ook met vrienden in Polen, Engeland en vooral in Zweden. Nee, geen telefonisch contact - zo werkt het niet. Dat gebeurt alleen als ergens moeilijkheden met buitenlanders zijn, dan is een telefoontje genoeg om een paar honderd skinheads op de been te krijgen teneinde de straat schoon te vegen.

Wolfgang (negentien): “Bij ons gaat het vooral via de muziek. Als wij weten dat hier of ergens anders een skingroep optreedt, komt iedereen. Zo leggen wij contacten”.

Zij dromen van een wit Europa en zijn niet te beroerd om hun Tsjechoslowaakse vrienden een handje te helpen om op lokaal niveau deze droom alvast te realiseren. Wolfgang: “Ik heb niets tegen buitenlanders maar zij moeten wel in hun eigen land blijven, dus moeten de Vietnamezen terug naar Vietnam”.

Hij wordt gedreven door haat en door angst. Angst voor een verenigd Europa zonder grenzen zodat nog meer drugs zullen binnenkomen. En buitenlanders, die zegt hij, al bedelend hun geld bij elkaar scharrelen. “Per maand meer dan ik als arbeider verdien.” Hij haat junks die zich verliezen in een gekochte realiteit en hij haat studenten. “Die kunnen wel intelligent zijn maar het enige wat ze willen is zo lang mogelijk op onze kosten studeren.”

Thomas heeft vooral heimwee naar vroegere tijden: toen er nog grote Duitse families waren die met elkaar woonden, toen iedereen nog alle volksliederen kende en niet maar twee zoals nu. Toen er in zijn land nog geen buitenlanders waren die volgens hem de cultuur kapot maken.

“Ik wil gewoon dat ze weggaan. Mijn held? Herr Doktor Josef Goebbels. Die was met zijn intelligentie in staat een heel volk geestdriftig te maken en te houden. Ook vlak voor het einde van de oorlog. En natuurlijk Rudolf Hess, Adolf Hitler en Horst Wessel. Ik ben nationalist”, voegt hij er ten overvloede aan toe. Maar eigenlijk noemt hij zich het liefst a-politiek, iemand die zich niet interesseert voor ideologieën van anderen. “Ik laat me niet kopen.”

Terug in Praag hangt de plaatselijke John Cleese aan de lijn. De uiterlijke gelijkenis tussen hem en de echte is frappant: dezelfde enorme lange benen en dezelfde loop - wat hem trouwens behoorlijk hindert in zijn werk als bediende in een restaurant: elk bord belandt met een overdaad aan zwier op tafel wat voortdurend op de lachspieren werkt. Hij kent een paar skins maar pas na lang zoeken heeft hij achterhaald in welke café ze tegenwoordig komen. In ieder geval niet meer in café Orlik, dat op een steenworp afstand ligt van het huis van president Havel. Dat café is sinds een jaar een besloten club, daar komt geen skinhead meer in.

“Er zit nu een groep in café Pod Belkou, in de Slavojovastraat. En op zondag is er altijd een groep in het Cultuurpaleis”, zegt hij. Boven de bar van het café prijken de portretten van Lenin, Stalin en Tsjernenko. Daarnaast hangen de portretten van de Tsjechoslowaakse communistische leiders Gottwald en Husák. De skins hebben er hun eigen vertrek: daar hangen Keltenkruisen. Zij zijn net weg, gearresteerd na een vechtpartij met een paar zigeuners. De kastelein verwacht ze over tien dagen terug.

Ja, Mike (13) en Michael (20) hebben over de vechtpartij gehoord. Zij vinden het jammer dat zij er niet bij waren want behalve zwarten haten zij ook zigeuners. Michael, die een tatoeage onder zijn haren heeft laten aanbrengen, het SS-teken: “Als ik een zigeuner tegenkom trek ik mijn gaspistool”. Mike heeft jaren in New York gewoond, spreekt vloeiend Engels en is sinds twee jaar terug in zijn geboortestad Praag. Elke dag gaat hij na school naar café U Cetru waar zijn vrienden elkaar treffen en met elkaar afspreken waneer zij zigeuners in elkaar zullen slaan. “Die zijn het ergste. Ze hebben hier niets te zoeken. Ze moeten weg.”

Zijn vader vindt dat hij er nu nog eigenlijk te klein voor is, op zijn achttiende mag hij skinhead zijn. En zijn moeder? “Zij is in New York achtergebleven”, zegt hij, stevig inhalerend.