Voorname gelaatsuitdrukkingen, boeken, paperassen en wereldbollen; Vier eeuwen portretten van professoren

Tentoonstelling: Knappe koppen. Vier eeuwen Nederlands professorenportret. T-m 12 januari in het Centraal Museum, Agnietenstraat 1, Utrecht. Ma. t-m za. 10-17u, zo. en 1 januari 13-17u.

Ons land kent vijf bijzondere, maar slechts gedeeltelijk toegankelijke portretverzamelingen. Het zijn de academische portretgalerijen van hoogleraren, verzameld door de universiteiten in Leiden, Groningen, Utrecht, Franeker en Amsterdam.

De in totaal meer dan duizend beeltenissen van bekende en minder bekende "knappe koppen' zijn de produkten van een traditie die inmiddels bijna vier eeuwen omspant. In 1597 ontstond in Leiden voor het eerst het plan om de Senaatskamer op te luisteren met portretten van illustere geleerden. Het zou aanvankelijk bij een schamel begin blijven, maar in de zeventiende en achttiende eeuw zette het idee op alle vijf de universiteiten door en raakte het gebruik vast ingeburgerd. Tot de dag van vandaag worden op de universiteiten hoogleraren geportretteerd, al gaat het nog maar om een klein deel van het totale corps en komen de doeken nu zelden meer in de senaatskamers terecht.

De mooiste en meest represententatieve stukken uit vier eeuwen zijn nu tijdelijk bijeengebracht in een kleine expositie in het Centraal Museum. De ontwikkeling van het professorenportret laat zich aan de hand van deze selectie goed volgen, terwijl ook op de wetenschappelijke prominentie is gelet.

Opvallend aan bijna alle portretten tot het begin van deze eeuw is de donkere achtergrond, waartegen de buste of halffiguur van de geportretteerde afsteekt. De geleerdheid wordt meestal aangeduid door een voorname, bedachtzame gelaatsuitdrukking, soms gecombineerd met een docerend handgebaar of enkele op het vakgebied van de hoogleraar betrekking hebbende attributen. Deze laatste lopen uiteen van boeken, paperassen en wereldbollen tot plantjes, skeletten, en erlenmeyers, een soort kegelvormige kolven.

Rond 1880 tekent zich een verschuiving af naar lichtere en expressievere beeltenissen. De grote bloeiperiode van het geleerdenportret ligt dan ook eerder rond de laatste eeuwwisseling (dat wil zeggen van ongeveer 1880 tot ca. 1925) dan in enig tijdvak daarvoor.

Wellicht de fraaiste doeken op de tentoonstelling zijn die van de schilder en graficus Jan Pieter Veth (1864-1925), die met negen werken is vertegenwoordigd. Veth schilderde onder meer de bacterioloog Christiaan Eijkman (Nobelprijs 1929), maar zijn hoogtepunt is het indrukwekkende portret van de Groningse astronoom Jacobus Cornelis Kapteyn (1851-1922), in volle concentratie cijferend aan diens sterrenkundige tabellen.

Voor de liefhebber van de wetenschapsgeschiedenis is aan de tentoonstelling veel plezier te beleven, omdat veel grote geleerden met een portret vertegenwoordigd zijn. Zo zijn naast Eijkman de Nobelprijswinnaars Einthoven, Kamerlingh Onnes, Lorentz en Zeeman te bewonderen (de laatste zeer fraai en sympathiek afgebeeld door W.G. Hofker), maar ook de achttiende-eeuwse geleerden Gravesande, Van Musschenbroek en Boerhaave, de historici Huizinga en Jan Romein, de buitenlandse geleerden Scaliger en Einstein, de astronomen Kapteyn en Willen de Sitter en de mathematen Beth en Freudenthal.

Het portret van Freudenthal (1905-1990), gemaakt door Erika Visser in 1985, is het recentste stuk van de tentoonstelling. Het toont de Utrechtse wiskundige in een informele doch waardige pose en vormt een overtuigend bewijs van de nog altijd onverminderde levensvatbaarheid van het genre.