Tevredenheid over steun Nederlands Olympisch Comité; Veertig procent topsporters traint elke dag

ROTTERDAM, 30 DEC. De Nederlandse topsporter is in meerderheid tevreden over de steun van het Nederlands Olympisch Comité, heeft bijna een dagtaak aan het beoefenen van de sport maar kan van het geld dat dat oplevert niet in zijn levensonderhoud voorzien.

Meer dan zestig procent van de sportmensen die in oktober als kandidaat golden voor deelneming aan de Olympische Spelen in 1992 heeft uit de sportieve activiteiten een netto inkomen dat beneden het bijstandsminimum van 1200 gulden ligt. Dat blijkt uit een enquête die het bureau Inter-View deze maand in opdracht van NRC Handelsblad hield onder potentiële olympiërs.

Aan de enquête namen honderd sportmensen (49 mannen, 51 vrouwen) deel, die half oktober door het Nederlands Olympisch Comité werden genomineerd voor zomer- en winterspelen van volgend jaar. De verhouding tussen team- en individuele sporters was 55-45. Ze behoren tot de bovenlaag van de nationale sportwereld, maar ondanks de voortschrijdende commercialisering van de sportwereld kunnen ze van die tijdrovende bezigheid geen beroep maken. Van de ondervraagden hebben er 45 een baan (24 zelfs full-time) en studeren er 43. Slechts twaalf geven anders op. Daartoe behoren degenen die zich als beroepssporter beschouwen. Het gemiddelde netto maandinkomen bedraagt 800 gulden, waarbij moet worden aangetekend dat het bedrag sterk wordt beïnvloed door het inkomen van zes sportmensen die meer dan 3000 gulden netto per maand verdienen. Een van hen zelfs meer dan 10.000 gulden.

“Nederlands Olympisch Comité en Nederlandse Sport Federatie zijn met de steun op de goede weg”, reageerde een van de geënqueteerden. Wie er achter dat beleid schuil gaat is niet algemeen bekend. Minder dan de helft van de ondervraagden (45 procent) kent de naam van de huidige NOC-voorzitter, ir. F. Wouter Huibregtsen. IOC-lid Anton Geesink (6 procent), chef de mission voor Barcelona André Bolhuis (4 procent) en Johan van der Haar (3 procent), verantwoordelijk voor de individuele begeleiding van topsporters, worden eveneens genoemd. De overige 42 procent heeft geen idee.

Het algemene gevoel over NOC en NSF mag dan voorzichtig positief zijn, uit de cijfers blijkt dat de financiële positie van de sportman en -vrouw die het hoogste niveau wil halen ronduit slecht is. De financiële steun van het NOC scoort bij 54 procent een voldoende, de eigen sportbond en de overheid doen in de ogen van de meerderheid te weinig. De geldelijke steun van de overheid is voor 76 procent onvoldoende, die van de bond voor 64 procent. De waardering voor het NOC is het grootst onder teamsporters en studerenden. De totale financiële steun wordt door 65 procent onvoldoende gevonden.

Een meerderheid (59 procent) denkt dat de geldelijke steun in het buitenland voor vergelijkbare sportmensen beter is. “In Duitsland krijg je van de bond 1500 mark per maand, in Frankrijk ontvang je wat via het ministerie van sport en in Engeland weer via de bond”, werd opgemerkt. “In Nederland is het noodzakelijk om een partner te hebben, die je financieel volledig steunt als je topsport wil beoefenen. Je bent gedwongen afhankelijk”, vond een ander.

De sportloopbaan mag dan niet onmiddellijk tot financieel gewin leiden, op langere termijn verwacht een meerderheid van de Nederlandse topsporters er profijt van te hebben. Meer dan de helft, 56 procent, rekent er op “maatschappelijk voordeel” te hebben van het feit dat is deelgenomen aan Olympische Spelen. Een verwachtingspatroon dat iets sterker leeft onder mannen (61 procent van degenen die voordeel verwachten) dan onder vrouwen (51 procent). Ook teamsporters, die naamsbekendheid met ploeggenoten moeten delen, zijn positiever over de maatschappelijke voordelen dan individuele sporters (respectievelijkl 62 en-49 procent).

Van de honderd genomineerden voor de Spelen in Albertville en Barcelona zegt 61 procent door de topsport, bijvoorbeeld op het gebied van studie of werk, dingen te hebben gemist die men graag wel had willen doen. Voor meer dan de helft van hen (54 procent) gaat het daarbij om studie, of de vertraging die een studie door de sport heeft opgelopen, 28 procent noemt baan, werkervaring en carrière(planning) en een even groot percentage zegt het gevoel te hebben iets te hebben gemist op het gebied van de sociale contacten, hobby's en maatschappelijke activiteiten, zoals uitgaan. Opmerkelijk genoeg is dat gevoel "iets te hebben gemist' hoger onder beoefenaars van teamsporten, dat een socialer karakter heeft dan individuele takken van sport en minder trainingsarbeid vergt.

Beoefenaren van een individuele sport trainen wekelijks gemiddeld 23 uur, zes uur meer dan teamsporters. Van de "solisten' traint 58 procent elke dag, 33 procent zes dagen per week. Van de teamsporters komt 27 procent dagelijks tot trainingsactiviteit, 16 procent zes dagen per week. Overigens is niet voor iedereen de weg naar de Spelen zo "arbeidsintensief'. Twee sporters zeggen op dit moment niet meer dan één dag per week te trainen, één volstaat er met twee dagen en acht sporters komen aan drie dagen training per week.

Het gemiddelde aantal trainingsuren is voor degenen die uitzicht hebben op Olympische Spelen twintig. Naast training is vooral de rustperiode van belang waardoor in de meeste gevallen kan worden gesteld dat er sprake is van een dagtaak. Ook al omdat kennis van tegenstanders, materialen, medische verzorging eveneens tijd vergen. “De zeilen bijvoorbeeld zijn minstens zo belangrijk als de training. Daar moet je dus veel vanaf weten en veel tijd aan besteden”, aldus een ondervraagde sporter.

De opvattingen van de sporters over de dopingreglementering houden gelijke tred met de opvattingen van de medische commissie van het IOC. Slechts drie procent is van oordeel dat de regelementen moeten worden versoepeld, 47 procent vindt dat het moet blijven zoals het is en 49 procent is zelfs van oordeel dat de reglementen strenger moeten worden. Aanzienlijk genuanceerder zijn de ideeën over een andere olympische zekerheid, het ontbreken van prijzengeld. Eenendertig procent vindt dat op Olympische Spelen prijzengeld te verdienen zou moeten zijn, 66 procent is daar echter op tegen. Het kan de financiële nood niet lenigen en het laatste restant van de olympische gedachte wordt er redelijk goedkoop mee in stand gehouden.

Het onderzoek werd telefonisch uitgevoerd in de periode van 6 tot en met 12 december door het bureau Inter-View te Amsterdam. Van de op dat moment 130 voor zomer- en 22 voor winterspelen genomineerden waren 100 sportmensen bereid aan het onderzoek mee te werken, 1 weigerde medewerking en 11 waren onbereikbaar. Van de overigen was het telefoonnummer niet beschikbaar. De geënqueteerden hebben een gemiddelde leeftijd van 25 jaar en beoefenen één van de de volgende sporten: atletiek, bobslee, boksen, handboogsport, hippische sport, hockey, judo, kanovaren, roeien, schaatsen, schieten, volleybal, wielrennen, zeilen en zwemmen.