NOC-functionaris waarschuwt voor al te groot optimisme "Bekendheid is zeer betrekkelijk'

PAPENDAL, 30 DEC. De Nederlandse topsporter is te optimistisch over het voordeel dat hij zal hebben van zijn sportcarrière. Het effect dat deelneming aan de Olympische Spelen heeft op de maatschappelijke loopbaan is minder groot dan de meerderheid van hen denkt. “Bekendheid is zeer betrekkelijk. Dat is binnen drie maanden vergeten. Je moet in de periode als actieve sporter een netwerk van sociale contacten opbouwen, anders heb je er later weinig of geen voordeel van”, zegt Johan van der Haar, hoofd individuele begeleiding van het Nederlands Olympisch Comité.

Zesenvijftig procent van kandidaat-deelnemers aan Olympische Spelen sprak als verwachting uit later voordeel te hebben van het optreden volgend jaar in Albertville of Barcelona. Maar zelfs sporters die in brede kring naamsbekendheid genieten “moeten hun bekendheid wortel geven tijdens hun carrière”. Van der Haar, wiens afdeling zich onder meer bezighoudt met de opvang van sportmensen die problemen hebben met de overgang naar de maatschappij, zegt dat er voor bepaalde categorieën een uitgesproken negatief effect is van topsport.

“Heel negatief is de sporter die als basisopleiding, zonder daar een waardeoordeel over uit te spreken, timmerman heeft. Die heeft tijdens zijn sportcarrière op hoog niveau geleefd, veel gereisd, in dure hotels geslapen... Die zal nooit meer doorgaan als timmerman.

“De meest sombere toestand is die van mensen die zodanig in een afkickproces zitten dat ze in het bekende zwarte gat vallen. Als je die mensen niet opvangt, redden ze het in de maatschappij niet eens.”

Van der Haar constateert dat het beeld van het NOC is verbeterd. In de afgelopen jaren heeft dat geleid tot een aantal positieve factoren. Met de zogenoemde loot-scholen, die met aangepaste lesprogramma's de combinatie van topsport en onderwijs mogelijk maakt, erkent het ministerie van onderwijs en wetenschappen de specifieke problemen van topsporters en ook in hoger beroeps onderwijs en op universiteiten worden bijzondere programma's aangeboden. Bij defensie is meer mogelijk (“de matsbaantjes zijn aan het terugkeren”) en werkgevers tonen begrip. In dat verband noemt Van der Haar de samenwerking van het NOC met het uitzendbureau Content dat sportmensen aan werk probeert te helpen. Wel is het zo dat carrièreplanning in sport en bedrijfsleven niet hand-in-hand gaan. “Je moet als je gestopt bent met sporten eigenlijk altijd onderaan de ladder beginnen. Tijdens je carrière zegt een baas meestal: "je zou je wel chef kunnen worden, maar als je er zo vaak niet bent, kan ik dat niet maken'. Dat kan je nooit meer inhalen.”

Hoewel de betrokken instanties een topsport-vriendelijker houding aannemen en olympische kandidaten aanzienlijk tevredener zijn met de financiële steun van het NOC is volgens Van der Haar de situatie op één punt niet verbeterd. Er is sinds het aantreden van het bestuur onder leiding van voorzitter Wouter Huibregtsen “nog geen cent” meer gekomen voor de individuele begeleiding. Terwijl dat volgens hem parallel moet lopen met het verschaffen van meer trainingsmogelijkheden. “Als een sportman of vrouw een maand naar het buitenland kan, moeten zijn inkomsten doorgaan. Dank zij het NOC worden er meer sportmensen naar een buitenlands trainingskamp gestuurd, maar als ze bij mij aankloppen voor aanvulling van de gemiste inkomsten moet ik net als vroeger nog ad hoc oplossingen zoeken. Want mijn budget van drie miljoen, waarvan een miljoen van wvc komt, is onveranderd gebleven.”

Van der Haar verwijst naar de situatie in Duitsland, waar sportmensen een basisinkomen van 1500 mark per maand genieten. “In Nederland wordt van topsporters meestal gezegd dat het toch een eigen keus is, een hobby die wordt botgevierd. Maar meestal is het zo dat je wordt meegezogen in een circuit, waar je bijna niet uit terug kunt. Zeker niet als je uitzicht hebt op deelneming aan Olympische Spelen.”

Veel sportmensen die voor Nederland naar de Spelen gaan kunnen op hoog niveau aan sport doen omdat ze een vriend of vriendin hebben die in hun levensonderhoud voorziet. Het is een ander beeld dan “het publiek” van de topsporter heeft. “Als het om inkomsten gaat van sportmensen worden altijd de extremen genoemd: tennissers, voetballers, wielrenners. Als je het publiek zou aanspreken om sportmensen financieel te helpen, wordt er gezegd: waar is dat voor nodig?”