Koss op zoek naar afwisseling in monotoon bestaan

Het sportcentrum aan de rand van Skien ligt er verlaten bij, die heiige elfde december. Alleen in hotel Herkules, waar de Noorse schaatsploeg logeert, is sprake van lichte onrust. Met name bondscoach Hans Trygve Kristiansen is enigszins opgewonden. Hij verwacht bezoek van journalisten en fotografen. “Ik reken op veel belangstelling”, zei hij de avond voor de open persdag al. Vandaar dat hij voor deze gelegenheid een zaal heeft gereserveerd in de grote handbalhal.

Tegen één uur 's middags wandelt Kristiansen naar de vergaderruimte, met in zijn spoor de speciaal overgekomen bondsvoorzitter Odd Pedersen. Achter het tweetal sloffen de vier rijders, die deze week hun trainingskamp in Skien hebben opgeslagen: Wereldkampioen allround Johann Olav Koss, veteraan Geir Karlstad en de coming-men Aadne S⊘ndral en Thor Tveter. Eenmaal binnen weet het gezelschap niet wat het overkomt. Er is slechts één verslaggever. De vedette Koss schiet prompt in zijn lach, doet alsof hij een microfoon pakt en zegt met luide stem: “Niet dringen alstublieft, dames en heren. Eerst mogen vertegenwoordigers van de Noorse kranten hun vragen stellen, later the international press. Gaat uw gang.”

Voor Kristiansen is de situatie zichtbaar uiterst pijnlijk. Terwijl de groep naar hotel Herkules terug kuiert haast hij zich te zoeken naar excuses voor de minimale interesse van de media. “Geloof me”, herhaalt de coach enige malen, “u mag hier beslist niet de conclusie uit trekken dat het schaatsen in ons land niet leeft.” Om dat nog eens te onderstrepen toont hij later het boek Sportsboken 91-92, dat een jaaroverzicht geeft van de beste Noorse sportprestaties. Op de cover staat de in kransen getooide, stralende Koss. Kristiansen: “Koss was in 1990 onze sportman van het jaar. Reken maar dat hij die onderscheiding aan het einde van deze maand wéér krijgt.” En dat wil volgens hem heel wat zeggen. Want de 23-jarige Koss kreeg toch even de voorkeur boven de langlaufers Bj⊘rn Dahlie en Terje Langli, beiden wereldkampioen op de cross country, die bijzonder populair is in Noorwegen.

De nuchtere Koss zegt niet zo wakker te liggen van dat eerbetoon, zoals hij zich die elfde december ook niet druk maakt over het wegblijven van de journalisten. “Die komen zondag vast wel weer, want dan staat er in Oslo de Oscarlopet op het programma. Ik ben eigenlijk best blij dat het zo stil is gebleven.”

Skien, een 30.000 inwoners tellend industriestadje, ligt een kleine 200 kilometer ten zuiden van Oslo. Het plaatselijke sportcentrum biedt behalve aan schaatsers ook ijshockeyers, schansspringers, liefhebbers van bandy, handballers en atleten gelegenheid zich uit te leven. Bij Koss en de zijnen is het oord, temidden van stukken bos en vlakbij een houten woonwijkje, bijzonder geliefd. Niet alleen wegens zijn grote traditie - in het verre verleden oogstten Noorse ijshelden er veel successen - ook door zijn rustgevende sfeer. De kernploeg van Kristiansen vertoeft er dan ook tenminste twee weken per jaar.

In het Noorse trainingskamp lijken alle dagen op elkaar. Koss cum suis begeven zich in de vroege ochtend, na een maaltijd met veel melk en muesli, naar een krachtcentrum in Skien. “Het werken met gewichten neemt een steeds belangrijkere plaats in”, vertelt Koss, die door jarenlange haltertraining twee goed zichtbare eeltbulten op zijn brede schouders heeft. Honderd kilo brengt hij probleemloos omhoog. In het middaguur wacht het eten: ravioli, salades, eieren (Koss: “Ik eet ongeveer twee keer zo veel als de meeste mensen”), waarna een rustpauze de ijstraining voorafgaat.

Als Koss en zijn collega's daartoe om vier uur de piste betreden is het al lang weer donker. “Ik houd van die duisternis. Voel me veel comfortabeler, doordat de baan dan kleiner en smaller lijkt.” Op het ijs zijn Koss en Karlstad onafscheidelijk. Samen sprinten ze, samen draaien ze eindeloos hun ronden, samen melden ze zich vervolgens bij Kristiansen en diens oude assistent Finn Hodt, die de verrichtingen met een engelengeduld volgen. “Karlstad is altijd mijn grote voorbeeld geweest. Hij was in ons land in alles de beste. Ik keek naar wat hij deed en wat niet. Ik ging op de training achter hem rijden om hem te imiteren. Maar ook buiten de baan heb ik een perfecte relatie met hem. We houden van dezelfde muziek, hebben dezelfde ideeën. We peppen elkaar op.”

Na het avondmaal - vis, sla, een berg gekookte aardappels - rijdt de Noorse selectie naar het ziekenhuis van Skien, waar ze het zwembad in duikt. Later volgt daar uitgebreide onderwatermassage, een methode waar de bewonderde coach Kristiansen heel zwaar aan tilt. Koss: “Kristiansen heeft het Noorse schaatsen weer in de lift gezet. Hij heeft er voor gezorgd dat er veel méér centrale trainingen mogelijk werden. Vroeger was iedereen te veel op zijn eigen houtje bezig, nu zijn we bijna het hele jaar bij elkaar.”

In de zomermaanden pleegt Kristiansen zijn pupillen te confronteren met Noorse toppers uit andere takken van sport. Om ervaringen uit te wisselen, maar ook om de trainingen te vervolmaken. Koss herinnert zich de oefenstof van de turners nog heel goed. “Een salto maak ik nu zó, voor- en achterover. En ik schrik niet terug voor de ringen of ander acrobatenwerk.” En hij weet nog dat hij, in een kogelvrij vest, knallend temidden van enkele schutters stond. Om de concentratie te vergroten. En hij raakt niet uitgepraat over zijn opgewonden ritten op de zware motoren, samen met de alpine-skiërs op het vliegveld Gardermoen boven Oslo, met het doel zijn gevoel voor evenwicht nog verder te perfectioneren. “Ik vond het prachtig, die enorme snelheid. Jammer dat ik ermee moest stoppen. Mijn armen raakten zo overbelast door de zware trillingen, dat zelfs de fysiotherapeut er bijna geen raad meer mee wist.”

Al deze variaties beschouwt Koss als bijzonder welkom in wat hij noemt “een gevaarlijk eentonig bestaan”. Hij zegt heel bang te zijn voor oogkleppen. “Je traint en schaatst zo veel, dat er eigenlijk geen tijd over is voor andere dingen. Ik probeer medicijnen te studeren, maar laat ik eerlijk zijn, daar komt weinig van terecht. Ik ben nog niet verder dan het eerste jaar. Mijn vriendin (Hege Langli, red.) heeft daar begrip voor, omdat ze zelf ook schaatst. Beiden zijn we een gipsy, we zien elkaar weinig. Gelukkig komt onze kernploeg, ook tijdens het hoogseizoen, nog zo vaak als mogelijk naar Noorwegen terug. Wat dat betreft hebben we een andere traditie dan de Nederlanders. Bart Veldkamp en zijn collega's zijn altijd onderweg, altijd in het buitenland. Dat systeem blijkt overigens ook goed. Kijk maar naar de prestaties.”

Koss was als Europees- en wereldkampioen allround de koning van het seizoen 1990-1991. Deze competitie heeft hij zich minder superieur getoond. Zo moest hij, bij wereldbekerwedstrijden in Berlijn en later Heerenveen, op zijn favoriete 1500 meter voorrang verlenen aan achtereenvolgens Falko Zandstra en Rintje Ritsma. “Ik ben daardoor geen moment in paniek geweest, ik ga altijd van mezelf uit”, zegt de 1.87 meter lange, 84 kilo wegende krachtpatser, “ik kijk liever niet naar de anderen. Bovendien is dit schaatsjaar niet te vergelijken met het vorige. Het duurt veel langer - het WK is pas laat in maart - en door de Olympische Spelen eist het specialisatie. Ik heb drie hoofddoelen, het EK, de Spelen in Albertville en het WK. Ik lig ongeveer op schema, maar er is één probleem: Mijn techniek is nog niet in orde. Dat merkte ik bij de openingswedstrijd in Berlijn, dat merk ik nu nog.”

Vertelt Koss de waarheid of probeert hij, zoals wel eerder het geval was, de concurrentie zand in de ogen te strooien? Karlstad, uiteraard ook tijdens dit gesprek in de buurt, spreekt zijn maatje niet tegen. Koss weer: “Als alles weer goed komt, en als ik geluk heb, dan kan ik in Albertville, waar de hele wereld toekijkt, misschien meetellen op de 1500 meter en de vijf kilometer. Maar ik realiseer me dat de tegenstand zwaar zal zijn. Op de schaatsmijl zijn er wel tien kanshebbers. Zandstra ja, en Leo Visser, en wie weet Ben van der Burg. Maar het gevaar kan ook uit de Canadese hoek komen. Op de 5000 meter verwacht ik veel van Veldkamp, maar ik houd ook rekening met deze joking gay.” En hij wijst naar Karlstad. “Als Geir een gouden medaille wint, ben ik even gelukkig als hij.”

Koss behoort tot de Skating Klub 94 (in '94 worden de Winterspelen in het Noorse Lillehammer afgewerkt), een vereniging met vijf schaatsers en bijna honderd supporters. De SK uit Strömmen, enige jaren geleden opgericht door de moeder van Koss, had in het begin alleen Johann Olav als lid. Mede daardoor heette Koss, wiens ouders beiden medisch specialist zijn, meteen het verwende rijkeluiszoontje. Hij moet erom lachen. “We hebben thuis meer geld dan de gemiddelde Noorse familie. Maar pa en ma werken in een ziekenhuis van de staat, daar word je in mijn land echt geen miljonair mee. Ik zal zo ver ook nooit komen. Niet als arts en niet op het ijs. Akkoord, onze schaatsbond geeft ons elk jaar een goede financiële vergoeding. En hij heeft een mooi bonussysteem ontwikkeld. Wie wint, wordt financieel extra beloond.”

Maar er zijn natuurlijk beperkingen, wil Koss nog graag even kwijt. Dat kan ook niet anders, verduidelijkt hij, gezien het feit dat schaatsen in Noorwegen lang niet sport nummer één is. En grinnikend: “Dat hoef ik u trouwens niet te vertellen. U heeft met eigen ogen gezien hoe overweldigend de belangstelling voor onze open persdag was.”