Winter in Amsterdam 1 januari tot 10 maart 1763

Uit het dagboek van Jacob Bicker Raye, een Amsterdamse koopman

Bron: Jacob Bicker Raye, dagboeken, manuscript in het Gemeentearchief van Amsterdam.

Éen januari. Heden is het zeer sterk begonnen te vriezen, zodat de wateren binnenkort door de liefhebbers van schaatsenrijden gebruikt kunnen worden.

Op de zesde januari reed men met paard en slede op de Haarlemmervaart. Op de achtste januari kon men met paard en slee de Buiten Amstel berijden.

Op de tiende januari reed men hier in de stad met honderden arresleden door alle grachten en was het ijs over de anderhalve voet dik. Op dezelfde dag is een vrouw met drie kinderen bij de Hoogstraat op een kamer van de kou doodgevrozen gevonden. Ze lag met twee kinderen in een bedstee op 't stroo en één kind zat in de kakstoel, dood. Daar was niets op de kamer als de kakstoel en 't stro waar de vrouw met die twee kinderen dood op lag.

Op de elfde januari is het water hier in de stad zo schaars dat de mensen voor een gang van 't water, wat omstreeks drie emmers is, acht à tien stuivers betalen moeten.

Negen en twintig januari. Heden continueert de felle vorst nog zeer sterk. Men rijdt met geladen wagens en koetsen met drie en vier paarden op de Buiten Amstel en op het ijs overal naar toe.

Op de twee en twintigste januari is justitie gedaan, onder andere bij een timmermansknecht, die zijn vrouw's moeder op 17 november zwaar gekwetst had. Hij is streng gegeseld, heeft onder de galg gestaan en men heeft het gloeiende zwaard, dat nu net gemaakt is, met het wapen van de stad in het midden, op zijn rug gebrand. Daarna is hij voor twaalf jaar in het rasphuis gezet. Voorts zijn nog twee à drie kerels en drie vrouwen, huisdieven, gegeseld en een van de kerels is gebrandmerkt.

Drie en twintig januari. De strenge vorst continueert nog, en men leest in de couranten uit alle plaatsen, onder andere uit Engeland, dat veel mensen zijn doodgevroren, alsmede ook verscheidene soldaten die in hun wachthuisjes zijn dood gevonden. En omdat de ijsbreker nog onmogelijk kan varen (om de schepen met drinkwater uit de Vecht te halen) is het water nu zo schaars dat men voor een oxhooft vijftig à zestig stuivers moet betalen. Het water wordt helemaal van Muiden en Weesp met honderden sleden en paarden gehaald. Daarom gebruiken veel mensen gesmolten ijs uit het IJ en de Amstel als drinkwater, waardoor veel ziektes ontstaan.

Op de vier en twintigste is er brand geweest op Rapenburg, veroorzaakt door een stoof met vuur, die een oude vrouw mee in haar bed had genomen, welke vrouw gestikt en vervolgens verbrand is.

Op de acht en twintigste is Jan Standert, groot en kunstig kantoendrukker aan 't molentje op de Buiten Amstel overleden. Hij laat, zo zegt men, zeer veel geld na, en wel vijf en twintig hoerekinderen, die hij bij vele katoendrukkersmeiden en anderen heeft gefabriceerd.

Op de tiende februari is hier voor de stad een schip, dat gereed was om naar de kust van Guinee te varen, door de zware ijsgang doorsneden, zodat de lading - die wel op achtduizend gulden begroot wordt - zeer zwaar bescahdigd is en voor het merendeel bedorven zal zijn.

Tien maart. Nadat het vijf à zes dagen extra ordinair schoon weer was, alsof het zomerse dagen waren, kreeg men 's avonds om vijf uur subiet een zeer geweldige storm uit het oosten, die ook de elfde en de twaalfde voortduurde. Meer dan honderd schepen zijn zwaar beschadigd. Een Engels scheepje is tussen twee andere schepen gekraakt als een noot, een Surinamevaarder is omgeslagen, verscheidene schepen zitten bij het Schjelvishoofd en aan de Nieuwendammersteiger vast alsof ze op het strand gelopen zijn, veel melkschuiten zijn zowel in de Amstel als op het IJ omgeslagen, waarbij verschillende mensen zijn verdronken. De storm duurde tot de avond van de dertiende maart, en het heeft daarbij zo stijf gevroren dat men nu weer over het IJ loopt, nadat (aanvankelijk) het zeer zware ijs door Gods goedheid zonder veel schade te veroorzaken door het zachte weer verdwenen was.