Vietnamezen in Praag voelen zich zondebok van skinheads

PRAAG, 28 DEC. De studentenwijk ver buiten het centrum van Praag biedt een troosteloze aanblik. Nauwelijks bomen, een enkele winkel en vooral veel ongewassen gordijnen voor de ramen.

In het laatste blok woont Tran Hong Ha, Vietnamees en sinds vijf jaar in Tsjechoslowakije waar hij een opleiding volgt voor civiel ingenieur. Hij woont met nog veertien landgenoten te midden van honderden Tsjechische studenten.

Hij praat zachtjes, maar zijn stem verraadt onverholen woede over het lot van zijn landgenoten in Tsjechoslowakije. “Onze veiligheid is in het geding. Op straat, in de metro, op het centraal station lopen we voortdurend het risico door skinheads te worden aangevallen. Ik begrijp niet dat de Nederlandse regering zo gemakkelijk praat over terugzending van de gevluchte Vietnamezen. Hier en in Vietnam lopen we gevaar. In Vietnam omdat we niet onder een communistisch regime willen en kunnen leven. En hier zijn we een dankbaar mikpunt. We krijgen de schuld van de grote werkloosheid, we zijn niet blank en dus zijn we minderwaardig en dus moeten we weg. Ik leef hier nog betrekkelijk rustig. Dat geldt ook voor mijn medestudenten. Wij zijn niet zo in de picture.”

Maar aan zijn uiterlijk kun je niet zien dat Tran Hong Ha studeert. Kortgeleden werd hij op het station in Praag door tientallen skinheads ingesloten en werd hem op niet mis te verstane wijze te kennen gegeven “dat hij hier niet hoort”.

“Gelukkig spreek ik Tsjechisch, anders had ik me er niet uit kunnen redden. Je staat op zo'n moment helemaal alleen, mensen zien het wel gebeuren maar ze doen niets. Het lijkt wel of ze het in hun hart eens zijn met die idioten.”

Discriminatie was er ook onder het communistische regime, zegt hij. Tot begin jaren tachtig bijvoorbeeld mochten Vietnamezen niet op bezoek bij Tsjechoslowaakse families. Later mocht dat wel, maar alleen groepsgewijs. Van enige begeleiding is sinds de jaren zestig, toen de eerste Vietnamese gastarbeiders landden op het vliegveld van Praag, nimmer sprake geweest.

Een deel van de dertigduizend Vietnamezen van wie nu nog de helft in Tsjechoslowakije woont, is katholiek of boeddhist. Desondanks heeft de katholieke kerk hier nimmer een hand naar ze uitgestoken.

“Ze gaan niet naar de kerk, dus hoe kunnen we ze dan vinden?”, citeerde het weekblad Respect een jonge Tsjechoslowaakse katholieke activist.

Vrijwel niemand interesseerde zich voor hen - daarin heeft ook de revolutie van 1989 geen verandering gebracht.

Hong Ha: “Integendeel. Het enige waarin men is geïnteresseerd is het moment waarop we allemaal vertrokken zijn.”

Alle arbeidscontracten zijn inmiddels beëindigd. In 1995 moet de laatste Vietnamees het land verlaten hebben. Dan hebben de skinheads hun zin, dan is het land schoon.

Maar nu al wordt het straatbeeld in Praag voornamelijk bepaald door blanken - een enkele Japanse toerist uitgezonderd. Vietnamezen zie je nauwelijks nog.

Pag.3:

"Nee, het is hier niet zo erg als in Duitsland'

Vorig jaar zomer adviseerde de Vietnamese ambassade, opgeschrikt door een golf van racistisch geweld, haar burgers zo min mogelijk uit te gaan en als zij toch de stad in wilden dan bij voorkeur in grote groepen. Maar ook die zie je niet.

Hong Ha: “Omdat we vogelvrij zijn. De politie doet niets of komt te laat in actie. Ik ken Vietnamezen die tijdens de Vietnamoorlog tegen de Amerikanen hebben gevochten. Die krijg je niet snel bang. Maar hier vluchten ze zodra ze skinheads zien.”

In de Tsjechoslowaakse pers wordt nog steeds nauwelijks aandacht besteed aan de situatie waarin de Vietnamezen zich bevinden. Als er al over hen wordt bericht is de aanleiding altijd negatief, dan is er weer gevochten met skinheads. Bij de grauwe getto's waar de Vietnamezen wonen verschenen na 1989 geen hordes journalisten die geïnformeerd wilden worden over hun woon- en werkomstandigheden en over hun gedwongen maatschappelijk isolement. Hong Ha: “Er is gelukkig een uitzondering: het weekblad Respect.”

Op de redactieruimte van Respect zit journaliste Babra Vlsela met een grote pot thee achter haar bureau. “Nee nee, dat is te veel eer. Wij zijn niet het enige blad dat regelmatig over de Vietnamezen schrijft. Andere kranten doen het ook, maar mondjesmaat.”

Zij schaamt zich voor het gedrag van de honderden skinheads die volgens haar de straten van Praag terroriseren en voor het gedrag van de lokale bevolking die het optreden van deze voornamelijk jongeren lijkt te tolereren, want ze komt nooit tussenbeide. Zij maakte het laatst nog mee in de tram waar drie skinheads naar binnen kwamen en een Vietnamese man zagen staan. “Ze gingen om hem heen staan, zeiden niets, keken hem alleen maar aan. Die man werd doodsbang. Ze vroegen waar hij naar toe ging, maar hij deed alsof hij ze niet begreep. Ik zei: waarom laten jullie die man niet met rust? Zeggen ze tegen mij: maar vind jij dan niet dat de gekleurden weg moeten? Niemand van de passagiers zei iets. Het kan ze gewoon niets schelen. Toen ik uitstapte begonnen ze gewoon weer opnieuw.”

Het is, zegt zij, ons ook nooit geleerd om buitenlanders te accepteren. “Op school of via de televisie hoorde je nooit iets over hen. Ja, alleen als er weer wat mis was. De doorsnee bevolking weet niets positiefs over de Vietnamezen te zeggen.” Zij vindt het begrijpelijk dat de Vietnamezen die zich nu nog in Nederland bevinden daar ook willen blijven. “Hier zijn ze niet veilig. Niemand staat voor ze in. Daarbij komt dat we ook niet in staat zijn hen een goede positie te geven of fatsoenlijke woningen. Er is nooit iets gedaan om deze mensen te laten integreren. En ik vrees dat het nu te laat is. Deze regering doet althans niets.”

Martin Palous, in 1989 mede-woordvoerder van Burgerforum en nu staatssecretaris van buitenlandse zaken, vindt dat de zaak niet moet worden overdreven. “We hebben hier niet dezelfde toestanden als in Duitsland. We hebben te maken met een sociaal probleem. We zitten met meer dan een half miljoen werklozen. Lang niet iedereen lukt het nog om zijn weg te vinden in het Tsjechoslowakije van na 1989. Veel mensen zijn teleurgesteld, zoeken een uitlaatklep en vieren hun agressie bot op Vietnamezen en zigeuners.”Hij maakt er geen geheim van dat niemand vooralsnog weet wat er zou moeten gebeuren met de Vietnamezen die naar Nederland zijn gevlucht en daar weer weg moeten.

Zij mogen terugkomen, zegt Palous, maar alleen op een toeristenvisum. “Ze hebben dit land vrijwillig verlaten dus voelen we ons niet verantwoordelijk. En als ze eenmaal weer hier om politiek asiel vragen, moeten ze de normale procedure doorlopen.”En overtuigend kunnen bewijzen dat zij in Vietnam gevaar lopen, maar juist aan die bewijzen ontbreekt het volgens Palous. Het ontbreekt hem ook aan enige medewerking van de kant van de Vietnamese ambassade om het probleem aan te pakken, zegt hij. Garanties dat de Vietnamezen in hun land van herkomst geen haar wordt gekrenkt, heeft niemand. Daarom begrijpt hij wel dat zij niet terug willen. En de enkeling die kan aantonen voor zichzelf in Tsjechoslowakije te kunnen beginnen, maakt volgens hem een goede kans te mogen blijven. Hij schat dat dat er uiteindelijk zo'n honderd zullen zijn. “Ze zullen, net als hun landgenoten nu, de garantie moeten hebben dat ze hier veilig zijn. We schieten nog tekort, de kritiek op de houding van de politie is vaak terecht. Onze samenleving maakt een transformatieproces door. Van een gesloten naar een open maatschappij met alle goede en slechte gevolgen vandien. Een van de slechte gevolgen is de toegenomen agressie jegens buitenlanders. Maar nogmaals: zoals in Duitsland is het hier niet.”