Verspringer Powell wil bewijzen dat record geen incident was; De strijd van de eeuwige underdog

ROTTERDAM, 28 DEC. Acht meter vijfennegentig. De lengte van een middelgrote vrachtwagen, een respectabele achtertuin, vijf rijzige volwassenen. Dat is de afstand die Mike Powell vier maanden geleden sprong bij de wereldkampioenschappen atletiek in Japan. Vijf centimeter verder dan het legendarische wereldrecord dat Bob Beamon 23 jaar eerder in Mexico vestigde.

Toch weet de wereld nog steeds niet of hij echt de beste is. Negen jaar lang heeft de 27-jarige Powell in de schaduw gestaan van Carl Lewis, de nietsontziende koning van de atletiekbaan. Zestien keer zijn beide atleten tegen elkaar uitgekomen. En vijftien keer heeft Powell het onderspit gedolven. Zoet was de wraak toen Powell zijn eeuwige rivaal die allerlaatste keer onttroonde. Maar algauw klonk in de sportcommentaren toch weer de twijfel. Was zijn record een speling van het lot geweest? Was hij de lakei die één dag koning mocht zijn?

Elke dag bidt Powell dat zijn wereldrecord nog lang ongeschonden mag blijven. En elke dag stelt hij zich voor hoe hij die vermaledijde, die kille, arrogante Lewis bij een volgende ontmoeting opnieuw in het zand zal doen bijten. Hij wil bewijzen dat Tokio geen incident was, geen buitenissig toeval. Bij de Olympische Spelen in Seoul werd hij tweede achter Lewis. Die rangorde moet in Barcelona voor eens en altijd worden omgedraaid.

Wereldrecords in het verspringen hebben altijd iets magisch, ongrijpbaars, bovenmenselijks. Anders dan bij de 100 meter of het kogelstoten buitelen ze niet over elkaar heen met de wisseling van de seizoenen. Ze blijven decennialang staan. Sinds 1935 hebben maar vijf mannen het wereldrecord verspringen in hun bezit gehad.

Daar was eerst Jesse Owens wiens record een kwart eeuw lang onaangetast bleef. Totdat de Amerikaan Ralph Boston en de Rus Igor Ter-Ovanesyan elkaar opjoegen naar ongekende verten. En toen kwam Bob Beamon met zijn buitenaardse sprong van acht meter negentig. Een verbetering van het wereldrecord met vijfenvijftig centimeter. Een dwaling van de zwaartekracht.

Achteraf lijkt het record van Beamon voornamelijk het resultaat van een uitzonderlijke samenloop van omstandigheden. De hoogte van meer dan 2200 meter, de zuurstofrijke lucht voorafgaand aan een onweersbui, de maximaal toegestane rugwind van twee meter per seconde, alles droeg ertoe bij om Beamon een keer boven zichzelf uit te doen stijgen. Beamon - net gescheiden, diep in de schulden - voelde dat het zijn laatste kans was. Uit de slums was hij gekomen. Naar de slums zou hij weerkeren. Zo kwam hij tot zijn wanhoopssprong.

Later is Beamon nooit meer zelfs maar in buurt gekomen van zijn eigen prestatie. De man die de negen meter in zicht bracht, haalde nog ternauwernood acht meter. Zijn record werd daardoor steeds irreëler, niet bereikbaar voor gewone stervelingen. Een extremiteit.

Carl Lewis was de eerste die het record van Beamon weer tot menselijke maat terugbracht. Nog sprong hij niet zover, maar hij kwam wel steeds dichter in de buurt. Jaar na jaar. Wedstrijd na wedstrijd. Waar hij sprong daar won hij: tien jaar op rij, vijfenzestig wedstrijden achter elkaar.

En Mike Powell? Mike Powell was de eeuwige underdog. Een goeie atleet, maar geen winnaar. Niet goed genoeg om basketball op topniveau te spelen. Niet goed genoeg om te mogen toetreden tot de vermaarde Santa Monica Track Club, waarvan Carl Lewis de ster was. "Skinny', "Vel-over-been', noemden ze Powell. Om zijn dunne benen. Als hij eens een wedstrijd won, dan zeiden ze: “Skinny heeft geluk gehad.”

Zelfs na zijn tweede plaats in Seoul schreven de Amerikaanse kranten dat hij alleen maar een medaille had gewonnen omdat Lewis er geen drie had kunnen krijgen. Had Lewis niet de drie verste sprongen op zijn naam geschreven? Zo werd de prestatie van Powell gekleineerd. Hij voelde zich miskend, in een hoek getrapt.

Powell voelde zich ook klein gehouden door Lewis. Het leek wel of Lewis de confrontaties met hem uit de weg ging. Zodat hij geen kans kreeg op een zege. Was de grote Lewis bang voor hem? Maar als ze dan eindelijk toch tegen elkaar in het strijdperk traden, won steeds Lewis. Hoewel de verschillen steeds kleiner werden. Zoals bij de wedstrijd in New York afgelopen zomer. Lewis had hem pas met zijn allerlaatste sprong nipt weten te passeren. Het leek wel of Carl Lewis onoverwinnelijk was.

Dat was het moeilijkste in al die jaren, verklaarde Mike Powell tegenover het Amerikaanse sportblad Sports Illustrated. Om ondanks onderwaardering en nederlagen toch in jezelf te blijven geloven. Je niet te schikken in die eeuwige bijrol. “Om een kampioen te kunnen worden, moet je je eerst kunnen voorstellen dat je er een bent.”

Hoe vaak had hij zich de afgelopen jaren al voorgesteld dat hij het record van Bob Beamon zou breken. Als om zijn lichaam te laten wennen aan de gedachte. In de schemering zat hij dan naar de witte muren van zijn woonkamer te staren. Totdat de haren in zijn nek overeind kwamen en hem het startsein gaven. Beheerst liep hij dan naar de achterkant van zijn huis voor de aanloop, die hem door de tv-kamer, de hal, de woonkamer voerde. En pas bij de eetkamer sprong hij. Altijd, elke keer weer, kwam hij verder dan Beamon. Het jagen van het bloed door zijn hoofd, de handen in de lucht, de wilde vreugdedans, Mike Powell wist allang hoe het zou gaan.

Nee, het was geen illusie die hij najoeg. Bij wedstrijden in Houston twee jaar geleden had hij al eens acht meter vijfennegentig gesprongen. Die sprong was weliswaar ongeldig geweest, omdat hij weer eens de afzetbalk had overschreden, een hebbelijkheid die hem de bijnaam "Mike Foul', "Mike Foutsprong', had bezorgd. Maar hij had geweten dat hij die afstand in zijn benen had.

Toch zag het er aanvankelijk naar uit dat Powell het in Tokio opnieuw zou moeten afleggen tegen Lewis. Meer dan sprinter Lewis moest Powell het hebben van zijn springtechniek. Maar bij de uitvoering speelden zenuwen hem nogal eens parten. Of zoals zijn trainer Randy Huntington in Time Magazine verklaarde: “Mike is een emotionele springer. Hoe meer emoties, hoe minder techniek.”

Dat was wat Powell bij zijn eerste sprong in Tokio liet zien. Hij was zo gespannen dat hij voor zijn aanloop bijna begon te hyperventileren. Het was nog een wonder dat hij zeven meter vijfentachtig haalde. Lewis sprong al bij zijn eerste poging drieëntachtig centimeter meer.

En Lewis ging verder. Na een foutsprong noteerde hij de beste reeks die ooit was gesprongen: 8,83 meter, 8,91, 8,87 en 8,84. Als eerste had hij de magische afstand van Bob Beamon overtroffen. Geen wereldrecord, omdat hij was gesteund door een overmaat aan rugwind. Maar wel een wereldsprong.

Die dreigende nederlaag, nadat hij al zo lang had geleefd in de schaduw van Lewis, maakte Powell razend. “Ik voelde mijn hele lichaam zich vullen met boosheid”, vertelde hij later. “Alsof het zich klaar maakte voor een allesbeslissend gevecht.” Al die boosheid, al die frustratie, legde Powell in die ene sprong. Een recordsprong, die zelfs Lewis niet kon nadoen. Laat staan verbeteren.

Sinds de wereldkampioenschappen in Tokio hebben Powell en Lewis elkaar zorgvuldig gemeden. Voor beide atleten staat er veel op het spel. Hun eerstvolgende tweekamp - mogelijk pas in Barcelona - zou wel eens de laatste kunnen zijn. Lewis wil nog een keer bewijzen dat hij de beste, de enige is. En Powell wil laten zien dat hij Lewis niet eenmalig en bij toeval heeft verslagen. Dat hij de terechte houder is van het wereldrecord. Anders zullen ze tot aan het eind van zijn levensdagen zeggen: “Skinny heeft alleen geluk gehad.”

De vijftien beste sprongen aller tijden.

meter naam plaats jaar

8,95 Powell Tokio 1991

8,91 Lewis Tokio 1991

8,90 Beamon Mexico 1968

8,87 Lewis Tokio 1991

8,86 Emmijan Tsachkador 1987

8,84 Lewis Tokio 1991

8,83 Lewis Tokio 1991

8,81 Lewis New York 1986

8,79 Lewis Indianapolis 1983

8,77 Lewis Westwood 1985

8,77 Lewis Walnut 1987

8,76 Lewis Indianapolis 1982

8,76 Lewis Indianapolis 1988

8,75 Lewis Indianapolis 1987

8,74 Myricks Indianapolis 1988