Symfonieorkesten wijzen in harmonie plannen minister af

AMSTERDAM, 28 DEC. Hoewel sommige orkesten elkaar onderling beschuldigen van "broedermoord', maken de gezamenlijke Nederlandse symfonieorkesten nu één krachtig front tegen de plannen van minister d'Ancona om in de komende vier jaar negen tot zestien miljoen gulden te gaan bezuinigen op de symfonische muziek. Dat zal vooral gaan ten koste van het Limburgs Symphonie Orkest en het symfonieorkest van Forum. De minister deed die voorstellen in haar ontwerp voor het Kunstenplan voor de jaren 1993-'96.

De door d'Ancona gewenste herschikking op het gebied van opera en symfonische concerten buiten de Randstad, waarvoor zij verschillende varianten heeft geopperd, is financieel verreweg de grootste ingreep in het kunstbeleid. Met de opbrengst van deze bezuiniging moet binnen het gelijkblijvende kunstbudget een groot aantal verbeteringen en vernieuwingen op andere terreinen van kunst worden betaald. Boven die negen tot zestien miljoen van de orkesten in de regio zouden de orkesten van de omroep daartoe nog eens vijf miljoen gulden moeten inleveren.

In brieven aan de Raad voor de Kunst, die binnen enkele maanden over de bezuiniging moet adviseren, beschuldigt het Contactorgaan van Nederlandse Orkesten het ministerie van WVC nu van miskenning van de feiten, een verkeerde vraagstelling en een al lang voortdurende incompetentie op het gebied van het orkestenbeleid. De orkesten raden de Raad voor de Kunst aan zich daardoor niet van de wijs te laten brengen. En zij roepen de Raad op de minister niet slaafs te volgen door zelf aan te komen met omvangrijke bezuiningingsvoorstellen, zoals die nu binnen de Raad worden besproken in de commissie-Quené.

Rudolf Wolfensberger, de directeur van het Contactorgaan van Nederlandse Orkesten, geeft toe dat een gezamenlijk standpunt van de vijftien orkesten meestal alleen mogelijk is als daarbij wordt gepleit voor behoud van het bestaande en voor meer en beter. Zo gauw er door de orkesten zelf keuzes zouden moeten worden gemaakt welk orkest eventueel kan afvallen of welke orkesten juist iets extra's verdienen, breken onderling felle ruzies uit.

Die strijd speelt zich dan af binnen het Contactorgaan maar vooral ook daarbuiten in het openbaar, zoals onlangs tussen het Twentse opera- en concertbedrijf Forum enerzijds en de orkesten in het noorden, Gelderland en Noord-Brabant anderzijds. Forum en de drie andere orkesten hebben inmiddels eigen alternatieve plannen ingediend bij de Raad voor de Kunst. Ook dat standpunt van de drie orkesten is echter verdeeld: het Noord Nederlands Orkest denkt weer anders over het behoud van Forum dan de orkesten in Gelderland en Brabant.

De drie orkesten die in de plannen van de minister in het oosten van het land overblijven, moeten van de minister een “volwaardige” omvang krijgen. De drie orkesten vinden het merkwaardig dat die volwaardigheid met 79 musici in de regio heel wat kleiner is dan in de Randstad. Daar mogen het Residentie Orkest en het Rotterdams Philharmonisch Orkest nog uitbreiden tot boven de honderd musici.

Het gezamenlijke standpunt over al die plannen dat het Contactorgaan nu namens de vijftien orkesten in een aantal brieven aan de Raad heeft geformuleerd, is volgens Wolfensberger heel wat meer dan alleen maar het op één lijn houden van de eigen organisatie. Het gaat hem vooral om de kwaliteit van de inhoudelijke argumentatie van het pleidooi om niet door te gaan op de weg die leidt tot nog verdere afbraak van het orkestenbestel.

In 1978 waren er in ons land twintig orkesten, nu zijn er na de ingrepen van de toenmalige WVC-minister Brinkman vijftien; het resultaat van de voorstellen van minister d'Ancona zou zijn dat er over een paar jaar slechts twaalf orkesten bestaan, inclusief twee van de huidige drie omroeporkesten. Van de 1520 orkestmusici in 1978 zijn er dan nog maar rond de duizend over.

Volgens de orkesten deugt er absoluut niets van het standpunt dat minister d'Ancona over de orkesten inneemt in haar adviesaanvraag aan de Raad voor de Kunst. De criteria die het ministerie aanlegt en de conclusies die het daaruit trekt staan haaks op elkaar. Wolfensberger: “De adviesaanvraag heeft over alle sectoren binnen de kunstwereld klachten, sommige vrij ernstig. Over de orkesten zijn geen klachten, alleen wordt het overheersende beslag van de symfonische muziek genoemd.”

Als Wolfensberger de criteria van WVC en de feiten naast elkaar legt, komt hij tot de volgende vaststellingen. Wat kwaliteit betreft zijn de orkesten de enige sector in het laatste "paasrapport' van de Raad voor de Kunst met een over de hele linie positieve evaluatie. De pluriformiteit was ooit een klacht, maar inmiddels is aangetoond dat het tegendeel het geval is: de orkesten spelen een zeer gevarieerd repertoire. De spreiding van concerten is van alle podiumkunsten het gunstigst.

De publieksparticipatie, het aantal bezoeken aan muziekuitvoeringen, is de laatste tien jaar elk jaar gestegen en de cijfers zijn gunstiger dan die van alle andere uitgaanscategorieën. In de laatste CBS-cijfers blijkt het bezoek aan orkestmuziek met tien procent toegenomen en voor de komende jaren wordt voor de podiumkunsten een hogere stijging verwacht dan voor alle andere uitgaanscategorieën.

Aan internationalisering wordt al jarenlang gestalte gegeven door vele concerten van orkesten in het buitenland. De orkesten werken vaak met amateurs, en de orkestleden zijn voor een aanmerkelijk deel betrokken bij amateurkoren, -orkesten en -bands. Verder treden de landelijke orkesten vaak op voor de media: radio, tv en cd. Bovendien kan Wolfensberger met cijfers aantonen dat in vergelijking met een groot aantal Europese landen Nederland niet - zoals algemeen gedacht - over veel orkesten beschikt, maar daarmee juist schaars is bedeeld.

Volgens de orkesten is er daarom door het ministerie van WVC geen enkele inhoudelijke argumentatie geleverd voor de voorgestelde bezuinigingen op de orkesten. Ook op andere punten voelen de orkesten zich door WVC slecht behandeld. Commentaren van het Contactorgaan op rapporten van het adviesbureau Cenario en de commissie Van Dael en een brief over de salarispositie van orkestmusici zijn door het ministerie nooit beantwoord. De orkesten schreven daarom aan de Raad voor de Kunst in hun eerste reactie op de adviesaanvraag dat de Raad zich niet door de verkeerde vraagstelling van WVC van de wijs moet laten brengen.

In hun laatste brief aan de Raad voor de Kunst opperen de orkesten nu het vermoeden dat WVC erop uit is geweest “een sfeer te creëren van voldongen feiten, een sfeer waarin betrokkenen tegen elkaar worden uitgespeeld.” De orkesten vrezen dat ook de Raad voor de Kunst zelf het slachtoffer is van het verdeel-en-heersbeleid van WVC. Ze denken dat hun vorige brief door de commissie-Quené niet eens in de beschouwingen is betrokken.

“Het lijkt alsof van u niet langer een bezonken, eigen oordeel mag worden verwacht, maar alleen een bevestiging uwerzijds van opvattingen waarvan de ondeugdelijkheid is aangetoond. Wij verlangen van u de moed op te brengen de minister niet slaafs te volgen in deze kaalslag. Daarvoor moet u zich niet laten misbruiken.”

Volgens Wolfensberger is het niet zo dat de orkesten zich altijd mordicus hebben gekeerd tegen èlke financiële en organisatorische ingreep in het orkestenbestel. Al in 1987 deed het Contactorgaan aan het ministerie van WVC het aanbod mee te werken aan een beleid waarbij kwaliteit voorop staat, ook al zou dat aantasting van de bestaande (deel)belangen van de orkesten betekenen. Voorwaarde daarvoor was dan wel dat bij deugdelijke voorstellen van de orkesten zou worden afgezien van verdere financiële aanslagen.

Die belofte kon minister Brinkman niet doen. Hij erkende wel dat zijn reorganisatie van het orkestenbestel in de praktijk niet in alle opzichten leek te beantwoorden aan de oorspronkelijke bedoelingen. De Raad van de Kunst stelde destijds vast dat Brinkmans beslissingen niet in het belang waren van een kwalitatief goede uitvoering van de symfonische muziek in ons land.

Die geschiedenis dreigt zich volgens Wolfensberger nu te herhalen, al vreest hij dat de Raad voor de Kunst zich nu niet eens in woorden zal keren tegen die voortgaande kaalslag maar daaraan zelfs zal meewerken.