Rotterdam opnieuw op de "Rijnmond-toer'

Het bestuur van de grote steden gaat dit decennium ingrijpende veranderingen tegemoet. Op allerlei manieren worden samenwerkingsverbanden geschapen met de omliggende gemeenten, terwijl het grootstedeljk bestuur zich steeds vaker opsplitst in wijken en deelgemeenten. Hoe zullen de vier grote steden er over tien jaar uitzien? Als derde in een serie van vier toekomstverkenningen: Rotterdam.

ROTTERDAM, 28 DEC. De stad was al te groot geworden om nog over de straatverlichting in Oud Charlois te discussiëren. Daarom kreeg de Rotterdamse gemeenteraad in de jaren tachtig assistentie van een aantal deelgemeenten. Aan het eind van dat decennium groeide het besef dat de stad te klein was geworden om verregaande beslissingen over de haven te nemen. Gemeenten als Maassluis, Vlaardingen of Schiedam laveerden tussen de besluitvormingsprocessen door om voor hun eigen belangen te vechten. “We zitten elkaar bestuurlijk in de weg”, zei burgemeester Peper vorige week tegen de gemeenteraad. “Dat schiet niet op.”

Dat was de les die Rotterdam leerde toen het Openbaar Lichaam Rijnmond enkele jaren geleden op een debâcle uitliep omdat geen enkel bestuursorgaan iets van zijn macht wilde inleveren. Niet de haven, niet de gemeente Rotterdam of zijn buren, en ook de provincie Zuid-Holland niet. Het nieuw opgerichte Overlegorgaan Rijnmondgemeenten (OOR) liet zich daardoor niet ontmoedigen en kwam een maand geleden met het plan voor een “nieuw, krachtig regionaal bestuur” dat rechtstreeks wordt gekozen en dat bevoegdheden van zowel gemeenten, de provincie als het rijk moet gaan overnemen. De grootstedelijke regio Rotterdam-Rijnmond moet "provincievrij' worden en de gemeente Rotterdam wordt opgedeeld in elf kleinere gemeenten.

“Alle produkten hebben tegenwoordig een beperkte houdbaarheid, ook bestuurlijke”, zegt fractievoorzitter D.C. Dekker van het CDA in Rotterdam. “Het huidige bestuurlijke model houdt geen stand. Het is achterhaald door de problemen.” Hij diende vorige week een motie in waarin de plannen van het OOR worden gesteund. In de raad waren geen tegenstemmers. Staatssecretaris De Graaff-Nauta (binnenlandse zaken) liet al eerder in een reactie weten “nog niet toe te zijn” aan de uitschakeling van de provincie Zuid-Holland in de Rijnmond.

Volgens de Rotterdamse havenwethouder R.M. Smit heeft het OOR derhalve nog tot 1 januari 1995 de tijd de staatssecretaris ervan te overtuigen dat de plannen niet zijn bedacht “omdat wij Zuid-Holland zo'n vervelende provincie vinden”. Belangrijke regionale beslissingen over milieu, ruimtelijke ordening, werkloosheid en economische ontwikkeling kunnen niet worden genomen als “een sterk stadsbestuur èn een sterk provinciaal bestuur èn een sterk regionaal bestuur naast elkaar blijven functioneren”, aldus Smit.

De consensus over de bestuurlijke toekomst van Rotterdam en zijn satellietgemeenten is groot. W.J. van der Have, voorzitter van de deelgemeente Charlois en oud-wethouder voor deelgemeentezaken, steekt zijn bewondering voor de bedenkers van de constructie niet onder stoelen of banken. “Het is baanbrekend werk, uitgedacht door een select groepje mensen. Of er onder de bevolking een draagvlak zou zijn wisten ze niet. Ik heb nog geen tegenstem gehoord.”

Over de datum van invoering bestaat nog wel verdeeldheid. Burgemeester Peper en het OOR houden nadrukkelijk vast aan 1995. Peper wil daarmee onder meer aantonen dat bestuurlijke beslissingen in Nederland ook snel kunnen worden genomen. Het OOR wil ook voorkomen dat er een langzame, gefaseerde overgangsperiode komt wegens de angst ergens halverwege te blijven steken in een tussenvorm.

Van der Have noemt 1995 “een utopie”. “Tot dat jaar hebben de gemeenten nodig om een discussie te beginnen over de taakverdeling en de bevoegdheden.” Vooral met de erfenis van het Rotterdamse dienstenapparaat, zoals het havenbedrijf, het grondbedrijf en de nutsbedrijven moet zorgvuldig worden omgesprongen, zegt Van der Have. “Deze diensten hebben een enorme kennis in huis. Die moet je intact laten en niet gaan onderverdelen in een grondbedrijf voor elke gemeente.” Het OOR oppert de mogelijkheid sommige Rotterdamse diensten te laten werken als facilitaire bedrijven voor de nieuwe gemeenten en andere te verzelfstandigen. “Maar dan moeten ze alleen een uitvoerende taak krijgen”, zegt Van der Have. “Nu heeft de directeur van gemeentewerken het laatste woord. Dat kan straks niet meer. Als het gemeentebestuur van Charlois een besluit heeft genomen, mag de uitvoering niet worden tegengehouden.” Ook uit de andere Rotterdamse deelgemeenten klinkt de roep om meer verantwoordelijkheid en middelen om plannen te kunnen uitvoeren, zeker als zij straks worden opgewaardeerd tot volwaardige gemeenten.

In het Rijnmondbestuur zouden ook de verschillende "functionele regio's' (politieregio, vervoerregio) moeten opgaan. “Die dreigen nu te versnipperen, omdat niemand er iets over te zeggen heeft”, zegt het raadslid Dekker. “In een nieuw regionaal bestuur kan dat zich allemaal veel soepeler ontwikkelen.”

Wat precies de gevolgen zullen zijn van de innige samenwerking van de Rijnmondgemeenten is nog lastig in te schatten. De emoties die zouden kunnen ontstaan bij de opheffing van de gemeente Rotterdam zullen wel meevallen, denkt Peper, die liever van “omvorming” spreekt. “Het Rotterdam-gevoel zal niet verdwijnen. De stad blijft een gemeenschap, die fysiek niet zal verdwijnen als er een bestuurlijke ingreep komt. Vlaardingen wordt ook niet opgeheven.” Alleen al door de internationale uitstraling blijft de naam van Rotterdam van belang, aldus Peper.

Dat de provincie Zuid-Holland even door een zure appel moet heenbijten is duidelijk, zegt Dekker. Maar, “als de regio het eens wordt en de problemen zijn goed gedefinieerd, zullen het parlement en de provincie wellicht zeggen: "als jullie denken dat je je eigen problemen kunt oplossen, ga je gang maar'. De provincie houdt een prachtig groot gebied over, die zou er best winst uit kunnen halen als ze een moeilijke bulk kwijt is.”

Al zal er voor de deelgemeenten bestuurlijk nogal wat veranderen (zoals de benoeming van elf burgemeesters), voor de Rotterdammer op straat blijven de gevolgen beperkt. Van der Have: “We hebben de laatste jaren al heel veel taken van de gemeente overgenomen. Als iemand in de wijk iets wil weten gaat hij allang niet meer naar de Coolsingel.”