PREHISTORIE

Archeology. Theories, Methods and Practice door Colin Renfrew en Paul Bahn 543 blz., Thames & Hudson 1991, f 74,10 ISBN 0 500 2760 5

Als er één wetenschap sinds de Tweede Wereldoorlog radicaal is veranderd, dan is het wel de archeologie der prehistorie. Nieuwe technieken en methoden hebben niet alleen een enorme hoeveelheid nieuwe informatie opgeleverd, maar vooral grote invloed uitgeoefend op de wijze waarop het verre verleden wordt begrepen. De omslag kwam in 1948 toen Willard Libby de met de Nobelprijs gehonoreerde C14-dateringstechniek ontwikkelde. Maar vooral in de jaren zestig kwam een wervelende ontwikkeling op gang door de penetratie van sociologische en antropologische invloeden in de archeologie.

In zekere zin was het hoog tijd voor een ommekeer, want de wetenschap der prehistorie zat danig in het slop. De "New Archaeology' werd in de Verenigde Staten niet voor niets gelanceerd als revolutie: de "oude' archeologie werd rigoureus opzij geschoven als speculatief en louter gericht op de bestudering van voorwerpen. Het nieuwe elan overspoelde al snel Groot-Brittannië, en in mindere mate de rest van Europa. Het moest voortaan gaan, zo luidde het parool, om een reconstructie van de prehistorische geografie, om een nieuwe benadering van de sociale betekenis van archeologische vondsten, om ethnoarcheologie (het reconstrueren van prehistorische cultuurpatronen aan de hand van die van bestaande "primitieve' volken), en om computermodellen waarmee het verleden te lijf moest worden gegaan. Want: de "New Archeology' diende bovenal puur wetenschappelijk te zijn. Twee decennia dwarrelde heel wat stof op, maar nu is wel duidelijk dat weliswaar veel verfrissing is gebracht, maar ook veel ambitities van de "New Archaeology' zijn gestrand.

Nu alle commotie wat is bekoeld, brengen de Engelse prehistorici Colin Renfrew en Paul Bahn in hun recente overzichtswerk Archeology. Theories, Methods and Practice de situatie in kaart. Hun opvatting is duidelijk: prehistorie rust op het brede draagvlak van geesteswetenschappen waarvan de antropologische archeologie en de historiografie wel de belangrijkste zijn. Natuurwetenschappen dienen ter ondersteuning van de opgravingspraktijk. Maar, betogen Renfrew en Bahn, echt grenzen stellen aan de archeologie zou alleen maar lastig zijn. Ten slotte zou dat het opwerpen van de juiste vragen alleen maar in de weg staan.

Colin Renfrew is één van de gezaghebbendste archeologen van dit moment. In 1972 verscheen zijn imposante The Emergence of Civilization, dat handelt over het ontstaan van prehistorische Aegeïsche culturen en zijn visie geeft op de New Archeology. Vier jaar geleden publiceerde hij het ophefmakende Archeology and Language, waarin hij de verspreiding van de Indo-Europese talen koppelt aan de verspreiding van de landbouw. Kortgeleden werd Renfrew voor zijn verdiensten geeerd met de benoeming tot Life Peer van het House of Lords. Of Paul Bahn aan het begin staat van een even indrukwekkende carrière, valt nog te bezien. Hij is vooral bekend door zijn geestige How to Bluff Your Way Into Archeology.

Archeology. Theories, Methods and Practice is geschreven als een opgraving: laagje voor laagje wordt de wetenschap der archeologie afgepeld. De geschiedenis van het vak, de ontwikkeling der dateringstechnieken, verandering der vraagstellingen, alles wordt blootgelegd. Duidelijk wordt dat de grootste kracht van hoogwaardige technologie voor de archeologie vooral ligt in de mogelijkheid steeds scherper te kunnen kijken naar de materiële en organische overblijfselen. Zo heeft analyse van pollen en plantenzaadjes heel wat informatie opgeleverd over prehistorische voedselgewoontes. Op neolithische potscherven zijn restanten van mosterd, olijfolie en zelfs boter aangetoond. De Engelse chemicus John Evans vond zelfs sporen van opium in een 3500 jaar oude pot uit Cyprus.

Toch gaat het uiteindelijk, zo betogen Renfrew en Bahn, om het begrijpen van sociale en historische veranderingen in prehistorische culturen. Verwijzen veranderingen in prehistorische decoraties naar een wijzigingen in sociale structuren of denkwijzen? Bestaan er interculturele patronen die herkenbaar zijn in de materiële overblijfselen?

Archeology: Theories, Methods and Practice is een prachtige compilatie geworden van de stand van zaken in de prehistorische archeologie. Het is up-to-date, geleerd, leesbaar en evenwichtig. En dat de "New Archaeology' weldegelijk zijn sporen heeft nagelaten, blijkt uit de omschrijving door Renfrew en Bahn van archeologie: ""een subdiscipline van de antropologie die de bestudering van het menselijk verleden tot uitgangspunt heeft door middel van de bestudering van materiële overblijfselen.'