OP ZOEK NAAR DE ZIEL VAN EEN ZEVENKLAPPER

Vuurwerk door de eeuwen heen door J. Lenselink 79 blz., De Bataafsche Leeuw 1991, f 29,90 ISBN 90 6707 277 X

Nu steeds meer Nederlanders in het bezit blijken van onvervalste vuistvuurwapens en het geheim van de nucleaire implosiebom om zo te zeggen in vetvrij papier over de toonbank gaat, nu lijkt het toch waarachtig wel eens tijd te worden voor het oprichten van een vereniging van amateur-pyrotechnici die zich in clubverband willen oefenen en vermaken in de bereiding van lustvuurwerk. In de VS bestaan zulke verenigingen al tientallen jaren en men heeft er zoiets als de grondstoffenvoorziening al perfect geregeld.

Nederland staat aan de vooravond van de oprichting van een dergelijke organisatie. Niet alleen wordt uit de recente stroom meer en minder gedetailleerde en in eigen beheer uitgegeven technische brochures over pyrotechniek duidelijk dat kennis en enthousiasme hier in ruime mate voorhanden zijn, maar onlangs is ook werkelijk het initiatief genomen voor het oprichten van een vereniging van amateur-vuurwerkers. Auteur J. Lenselink eindigt zijn zojuist verschenen boek Vuurwerk door de eeuwen heen met een onverhulde oproep aan geïnteresseerden om zich met hem in verbinding te stellen. Het correspondentie-adres, het Koninklijk Nederlands Legermuseum in Delft, maakt duidelijk dat tegen waaghalzerij, baldaad en misdadige aanwending van de in gemeenschap te verwerven praktische kennis streng gewaakt zal worden. ""Ik wil geen halve-gare pyromanen in de vereniging,'' zegt Lenselink.

Zóveel belangstellenden reageerden tot nu toe al op de oproep van Lenselink dat deze inmiddels besloten heeft omstreeks maart een vergadering in het Legermuseum te beleggen om daar de wensen en mogelijkheden eens te inventariseren. Vooralsnog gaat zijn streven niet verder dan het organiseren, eens per jaar, van een lang weekend in Zuid-België of Noord-Frankrijk om daar met een aardige groep gelijkgestemden een ruime hoeveelheid lustvuurwerk zelf te fabriceren en af te steken. ""Donderdagavond weg en zondagavond terug. Met na afloop een barbecue of zoiets, meer hoeft het niet te zijn.''

België of Frankrijk, want de kans dat toestemming wordt verleend voor het organiseren van een dergelijk evenement in Nederland acht Lenselink nihil. ""Niemand kan je hier verbieden de noodzakelijke chemicaliën in huis te halen, maar zodra je daaruit laag-explosieve mengsels bereidt krijg je gedonder met de Hinderwet''.

DYNAMIET

Toch zouden juist hinder en veiligheid waarschijnlijk wel gediend zijn met de oprichting van een Nederlandse vereniging van amateur-vuurwerkers. In de eerste plaats is de receptuur van de noodzakelijke "knal- of aandrijfsassen' (de snel verbrandende mengsels waar het allemaal om gaat), zoals buskruit, al in wijde kring bekend (al was het maar uit schoolboeken en encyclopedieën of befaamde boeken als Mengen en roeren van drs. L. P. Edel die ook unverfroren de samenstelling van dynamiet bekend maakte) maar ontbreekt gewoonlijk juist de informatie over de veilige omgang met de chemicaliën en de manier waarop deze met succes tot een rotje of een vuurpijl zijn te verenigen.

Bovendien leert de waarneming dat het thans bestaande amateurisme zich voornamelijk uitstrekt tot het à l'improviste samenvoegen van al bestaande sassen, zoals die zijn te vinden in strijkers, knalseinen en de explosieven waarmee Zwitsers en andere bergvolken dreigende lawines te lijf gaan. Daarbij worden waarschijnlijk grotere risico's gelopen dan bij een weldoordachte de novo synthese van pyrotechnische mengsels.

Er komt natuurlijk bij dat de fabricage van vuurwerk een aantrekkelijk ambachtelijk karweitje is dat alleen al door het gebruik van papier, hout en lijm veel weg heeft van de al even aantrekkelijke vliegerbouw, waarvoor de laatste jaren zo'n belangstelling bestaat. Het is ook eerder Japan dan China dat het oude ambacht cultiveert, zoals blijkt uit de lijvige handboeken die in dat land verschijnen.

In zekere zin kan de eigentijdse vuurwerker zich zien als een experimenteel industrieel archeoloog en het is dan ook geen toeval dat Lenselink in een museum werkt. Vuurwerk door de eeuwen heen besteedt veel aandacht aan de geschiedenis van de pyrotechniek. Omdat dat in de eerste plaats de wèl beschreven geschiedenis is van het buskruit (dat Europa zo omstreeks 1250 bereikte) heeft het boek over de vroegste eeuwen niet zoveel nieuws te melden. Ook Nederland had al heel vroeg een volwaardige pyrotechnische industrie, een nog bestaande handleiding voor de VOC uit 1692 levert daarvoor het overtuigende bewijs.

Pas halverwege de negentiende eeuw trad een duidelijke scheiding op tussen ernstvuurwerk (voor strijdmacht en scheepvaart) en lustvuurwerk. Lenselink verloochent zijn werkkring niet als hij ruime aandacht geeft aan de militaire toepassing van vuurwerk. Maar op de ontwikkeling van de rakettechnologie uit de pyrotechiek gaat hij niet in.

KINDERARBEID

Waar het uiteindelijk met de nationale vuurwerkindustrie naar toe zal gaan, wordt al direct na de Eerste Wereldoorlog zichtbaar: dan besluit Schuurmans in Leeuwarden (vandaagdedag: de 1e Nederlandse Kunstvuurwerkfabriek J. N. Schuurmans) voortaan het kleinvuurwerk niet meer zelf te maken maar bij Duitse fabrieken te bestellen. Na de Tweede Wereldoorlog kiest men China als toeleveraar - daar komt het kleinvuurwerk tegenwoordig met containerladingen tegelijk vandaan. De Volksrepubliek kan zeer goedkoop vuurwerk leveren, schrijft Lenselink, omdat men er op ruime schaal gebruik maakt van kinderarbeid en het met de veiligheid zo nauw niet neemt.

Uit eigen waarneming valt daar aan toe te voegen dat ook de kwaliteitsborging er op een ander niveau staat dan in het Westen. (Een goede beschrijving van de huidige Chinese vuurwerkindustrie had in Lenselinks boek eigenlijk niet mogen ontbreken.) De nog bestaande vuurwerkfabrieken in Nederland leggen zich tegenwoordig vooral toe op ernstvuurwerk (signaalmunitie, lichtkogels) en grootvuurwerk. Daarbij zijn "weigeraars' uit den boze.

Het aardige is dat in het lustvuurwerk, het feestvuurwerk dus (en dan vooral: het kleinvuurwerk), in de loop van de eeuwen nauwelijks nieuwe grondstoffen en technieken zijn geïntroduceerd. Toevallig zijn papier en karton nog steeds de materialen die zich bij uitstek lenen voor de fabricage van hulzen en kokers omdat ze niet gevaarlijk splinteren en zich niet statisch opladen. Ook het oeroude buskruit (kaliumnitraat, zwavel en houtskool) bleek een voltreffer. Het goedje is niet giftig, zeer houdbaar, laat zich verhoudingsgewijs veilig verwerken en onschadelijk maken. De Nederlandse "Lijst van vuurwerken', onderdeel van het Reglement Gevaarlijke Stoffen, schrijft het gebruik van buskruit in knalvuurwerk dwingend voor.

Dat Lenselink wat meer voor ogen staat dan alleen een historische schets van de vuurwerkindustrie blijkt uit de uitgebreide aandacht die hij besteedt aan de (overigens niet zo gecompliceerde) chemie achter de knal- en aandrijfsassen. Essentieel is dat de sassen mengsels zijn van poeders waarin zuurstofleverende verbindingen ("oxydatoren' als nitraten, chloraten of perchloraten) worden gecombineerd met makkelijk te oxyderen stoffen ("reductoren') al zwavel, kool en aluminium, maar ook suiker of zetmeel.

GRETIGE THUISWERKER

Maar zoals gezegd: niet in de receptuur schuilt het geheim van de vuurwerker, maar in de wijze waarop hij de chemicaliën fijn maakt, veilig combineert en vooral: in hulzen en kokers opsluit. Wat dat betreft, geeft Lenselink net niet de informatie waar de gretige thuiswerker al die tijd op heeft gewacht.

Dat soort technische hulp is overigens al wel in het Nederlands op schrift gesteld. Enige weken geleden kreeg dit dagblad van een anonieme lezer (die laatst "zijn boekenkast opruimde') een geheimzinnige tweedelige en gestencilde brochure toegstuurd (Maak uw eigen vuurwerk door ir. S. P. Swaphel) die een treffende gelijkenis vertoonde met Een eenvoudige inleiding tot pyrotechniek van R. Pützfeld dat ook al in 1986 in eigen beheer werd uitgegeven. De suggestie drong zich op dat Sal P. Swaphel en Pützfeld één en dezelfde persoon zijn. En jawel hoor, maar dit terzijde.

Pützfeld en Swaphel geven net wèl de technische details waar de oprechte amateur nu al jaren naar op zoek was. Ze leggen uit wat de essentie is van de veiligheidsmaatregelen die beroeps-pyrotechnici in acht nemen (zoals het voorkomen van statische elektrische ontladingen en een voortijdige menging van oxydatoren en reductoren) en laten zien hoe men hulzen rolt, plakt en wurgt, hoe men lonten maakt en hoe lang en zwaar (bijvoorbeeld) de evenwichtslat van een goede vuurpijl moet zijn. Dat de clou van de vuurpijl schuilt in de kegelvormige uitsparing, de ziel, die in de aandrijfsas wordt aangebracht. En veel, veel meer. De boekjes zijn voorzien van heldere illustraties waar de handen van gaan jeuken. Voor het hogeschool-werk is er deuitgebreide literatuurlijst. De verkrijgbaarheid van de brochures is op dit moment nog een probleem, maar als de Vereniging, als ònze Vereniging, eenmaal marcheert zal ook dat wel geregeld worden. In maart gaan wij de lucht in.