NEDERLAND TUSSEN NIHILISME EN WEDEROPBOUW

Terug naar het behouden huis. Romanschrijvers en wetenschappers in de jaren vijftig door Ido Weijers 187 blz., SUA 1991, f 45,- ISBN 90 6222 217 X

Na de oorlog werd alles anders. Dat is het cliché waarmee we onze recente geschiedenis bezien, of beter: bezagen, want het is een cliché dat door verschillende historische studies wordt ontmaskerd. Weliswaar betekende de oorlog een breuk in het persoonlijk leven van bijna iedereen, maar de door zovelen verlangde grote veranderingen in de besloten Hollandse cultuur bleven uit of bleken achteraf een restauratie van oude waarden.

Een goed voorbeeld van zo'n dubbelzinnige verandering is de opkomst van de Utrechtse School, een groep pedagogen, juristen, psychiaters en criminologen die het centrum vormde van de noodzakelijk geachte ”geestelijke wederopbouw' van Nederland. Dit geleerde gezelschap wilde, parallel aan de zogeheten doorbraakbeweging in de politiek, afrekenen met de vooroorlogse ”hokjesgeest' van een sterk verzuilde cultuur. De Utrechtse School streefde naar een nieuw gemeenschapsidee, naar een harmonieuze samenleving waarin persoonlijke verantwoordelijkheid, en opvoeding daartoe, centraal stonden. Zij had grote invloed op talloze ontwikkelingen in strafrecht, psychiatrie, onderwijs en maatschappelijk werk tot ver in de jaren zeventig.

In Terug naar het behouden huis werpt Ido Weijers een ander licht op deze vernieuwing. Hij doet dat door de sterk fenomenologisch getinte opvattingen van de psycholoog, fysioloog en filosoof F. J. J. Buytendijk, de pedagoog M. J. Langeveld, de psychiater H. C. Rümke en de jurist W. P. J. Pompe te confronteren met de belevingswereld uit de romans van Anna Blaman, Gerard (toen nog G. K. van het) Reve en Willem Frederik Hermans. Deze interdisciplinaire aanpak, waarin wetenschaps- en literatuurgeschiedenis hand in hand gaan, levert een fascinerend beeld op van de Nederlandse intellectuele cultuur van na de oorlog.

Tegen de achtergrond van de niet bepaald met christelijke waarden gepreoccupeerde romans van de ”landerigen', zoals de literaire kritiek de nieuwe schrijvers destijds verwijtend noemde, verschijnt het silhouet van een onverwacht restauratieve tendens bij de Utrechtse geleerden, die juist pal stonden voor een op dergelijke waarden gefundeerde samenleving. Alleen ””door de algemeen menschelijke zedenwet, en door de waarheid,'' meende bijvoorbeeld de jurist Pompe, ””wordt het waarachtige algemeene welzijn, de ware goede gemeenschap, bevorderd.'' En dat terwijl te zelfder tijd Lodewijk Stegman in Hermans' Ik heb altijd gelijk schreeuwt: ””Ik zal jou eens iets vertellen! Er zijn helemaal geen geestelijke waarden! Geestelijke waarden, dat is alleen iets voor mensen die geen materiële waarden te pakken kunnen krijgen.''

SEKSUELE HERVORMERS

In 1951 verschijnt van de invloedrijke en inmiddels katholiek geworden professor Buytendijk De vrouw. Haar natuur, verschijning en bestaan, een reactie op het twee jaar eerder uitgekomen Le deuxième sexe van Simone de Beauvoir. Buytendijk maakt hier op de lezer van nu een haast reactionaire indruk; hij bestempelt de vrouw tot een raadselachtige madonna, absolute tegenpool van de man en in wezen zorgend: ””De zorg-behoevende wereld zal haar altijd weer roepen om de volwaardigste menselijkheid te vertegenwoordigen.'' Aldus formuleert hij opnieuw een ideaal voor de vrouw, dat zich niet alleen verzet tegen De Beauvoir, maar ook tegen seksuele hervormers en natuurwetenschappers die het vrouwelijk lichaam volgens Buytendijk tot object reduceerden. In die zin is het boek dan ook niet louter conservatief. Dat blijkt ook uit het feit dat Buytendijk zich verweert tegen de katholieke gedachte dat het huwelijk alleen op voortplanting is gericht en dat elke lustbeleving dient te worden onderdrukt.

Toch doemt het behoudend karakter van De vrouw onmiskenbaar op als we het naast de romans uit diezelfde tijd van Anna Blaman leggen. In 1948 publiceerde zij Eenzaam avontuur, dat door zijn toen als nihilistisch ervaren toon, maar meer nog waarschijnlijk door zijn beschrijving van lesbische gevoelens schandaal verwekte. In het werk van Blaman is weinig te herkennen van Buytendijks deemoedige, raadselachtige vrouw, noch van zijn onderscheid tussen een manlijke en een vrouwlijke belevingswereld. Toen Eenzaam avontuur werd bekroond, schreef Gabriël Smit, een vriend van Buytendijk, in de destijds nog katholieke Volkskrant: ””Men is het er toch (...) over eens, dat (...) het algemeen zedelijk peil momenteel lager staat dan over het geheel genomen kan worden geduld. Kan de semi-officiële Maatschappij der Nederlandse Letterkunde zich van deze dingen afmaken door zonder meer een boek te bekronen, dat van de zedelijke chaos der naoorlogse jaren een zo eenzijdig, drastisch beeld ontwerpt?''

Het aantrekkelijke van Terug naar het behouden huis schuilt in vergelijkingen als die tussen Blaman en Buytendijk. Ze tonen aan hoe na de oorlog bij de Nederlandse intelligentsia een aantal fundamentele normen verschoof, waarbij er een enorme kloof ontstond tussen wat in de menswetenschappen gebeurde en wat - in een iets andere context - uit de toen niet onbesproken nieuwe romans naar voren kwam. Een mooie illustratie van die kloof is de publicatie van de pedagoog Langeveld over de ”verborgen plaats'. In een ”invoelende' studie over hoe het kind achter de bank, onder de tafel, op zolder of in de schuur een vrijplaats zoekt, stelt hij dat kinderen aldus op vroege leeftijd leren ”zichzelf te zijn' (toen nog geen versleten uitdrukking), vrij te zijn ”in geborgenheid'. Voorbeelden put hij uit de wereldliteratuur, zoals bij Goethe, Sartre, Poe en Lewis Carroll.

Vier jaar eerder verscheen echter een typisch ”verborgen-plaatsverhaal' van G. K. van het Reve waar Langeveld geen enkele keer naar verwijst. De verborgen plaatsen in Werther Nieland hebben dan ook een veel dreigender karakter. De hoofdpersoon, het jongetje Elmer, duidt het berghok als ””de grafkelder van de Diepe Dood'', andere jongetjes dringen in zijn kast als hij even weg is; de verborgen plaatsen blijken hier minstens evenzeer plekken van angst, onheil en bedrog.

CULTUREEL KLIMAAT

Door zijn interdisciplinaire aanpak slaagt Weijers in zoiets hachelijks als de beschrijving van een ”cultureel klimaat'. Daarbij toont hij de dubbelzinnigheid en complexiteit van vernieuwingstendenzen helder aan en overstijgt hij de kaders van traditionele geschiedschrijving beslist. Zo blijkt uit het contrast van literatuur en wetenschap veel duidelijker de behoudende, op herstel gerichte invloed van de Utrechtse School, ondanks haar vooruitstrevende roep. In deze context realiseren we ons ook, waarom Blaman, die uit literair oogpunt nu tamelijk ouderwets aandoet, destijds in één adem met Hermans en Van het Reve werd genoemd (terwijl pas later Mulisch haar plaats in dit rijtje inneemt).

Helaas maakt Weijers zijn boek onnodig ingewikkeld door er een op de psycho-analyse geïnspireerde structuur in aan te brengen. Zo begint hij met een vergelijking tussen Simon Vestdijk en de psychiater Rümke, wat voor de hand ligt omdat beiden zich met eenzelfde soort probleem over religie en cultuur bezighielden en omdat de schrijver zelfs bij deze psychiater wilde promoveren op een fenomenologisch georiënteerde studie naar angst. De vergelijking is op zichzelf vruchtbaar, maar hier niet aan de orde, want tussen Vestdijk en de andere drie schrijvers bestaan grote generatieverschillen. Die had Weijers juist moeten uitbuiten door Vestdijk weg te laten, in plaats van de confrontatie met Rümke te gebruiken als het vertrekpunt voor ”het probleem van de man' dat door Buytendijk wordt opgelost met ”de vrouw', om vervolgens bij de pedagoog Langeveld aan te komen voor ”het kind'. Bovendien kan Weijers, als hij Vestdijk binnenlaat, Ter Braak toch niet meer buiten laten staan. Die deed immers ook in christendom en cultuur en had heel wat meer invloed - ook na de oorlog - dan Vestdijk.

Verder kun je er bezwaar tegen aantekenen dat de dichters van Vijftig expliciet buiten beschouwing blijven, wellicht vanuit de wetenschappelijke ”hokjesgeest' die Weijers verder zo voortvarend doorbreekt. Zij mogen een wat vitalere indruk maken dan ”de landerigen', maar in de ruime context van dit boek passen ze wel degelijk bij de romanschrijvers. Rond 1950 publiceren zij met Hermans en Van het Reve immers ook in het voor de vernieuwers belangrijke tijdschrift Podium.

Dit alles laat echter onverlet dat Terug naar het behouden huis een intrigerend perspectief op de Utrechtse School biedt. Dat is van grote waarde als we beseffen hoezeer het fenomenologisch omzwachtelde moralisme van deze school de menswetenschappen en de filosofie decennia lang heeft beheerst, hoezeer kortom de oude wijn van christelijke waarden in nieuwe wetenschappelijke zakken werd verpakt.