Man van het jaar

Het is begonnen met de bergstok, de wandelstok met ijzeren punt, onmisbaar als je in de Alpen hogerop wilde.

In de toeristenwinkeltjes aan de voet van de berg kon je niet alleen de stok kopen maar ook de blikken plaatjes die je er pas op mocht spijkeren nadat je de berg bedwongen had. Oorspronkelijk waren die plaatjes alleen aan de top te koop geweest, maar de Zwitserse middenstand had al vlug begrepen dat in het dal meer winst kon worden gemaakt. Zo zag je menig toerist gewichtig rondstappen, de stok vol plaatjes, hoewel hij nooit hoger was geweest dan waar de keukentrap thuis ophield.

Daarna heb je het vierkleurenpotlood gekregen. Het eerste heb ik gezien toen het domste jongetje van de klas er op een ochtend triomfantelijk mee op het schoolplein verscheen. Dat zou ons leren! Hotel-etiketten waren er al. Een varkensleren koffer met een dikke laag etiketten, geschaafd en gerafeld van de ruwe behandeling door knechten en kruiers: dat was de bereisde Roel. Het vliegverkeer eist lichtere bagage, niemand is nog zo gek om met een leren koffer te gaan sjouwen, en als je met de auto gaat kun je alles gewoon onder de achterklep gooien, maar als de leren koffers nog in gebruik waren, zou je nu voorbeplakte koffers kunnen kopen.

Van het vierkleurenschrijfgerei heb ik één keer gemak gehad: toen ik er iemand op had betrapt dat hij een aantal hoofdstukken van zijn eigen boek uit vier boeken van andere auteurs had samengesteld. Dit viervoudig plagiaat heb ik rood, blauw, groen en zwart onderstreept en daardoor een kleurrijk overzicht gekregen. Maar hoeveel keer gebeurt je zoiets? Misschien neem je je nog voor, de gevaarlijke passages in je proza voortaan in het rood te schrijven en de veilige in het groen, maar zo'n plannetje wordt nooit uitgevoerd. Afscheid van het vierkleurengedoe.

Een hele poos bleef het stil op de markt. Toen kwamen de televisie en de Japanners. Die combinatie heeft het dagelijks leven veranderd. De Japanners hebben sommige elektronische en elektrische apparaten misschien wel of niet uitgevonden, maar dat doet er allang niet meer toe. Ze hebben alles kleiner, lichter en beter gemaakt: de revolutionaire miniaturisering. Het is een zegen, maar toch. Ze hebben het leven consumptiever gemaakt. Ik geef het voorbeeld dat ik onmiddellijk bij de hand heb.

Dit stukje wordt geschreven op een notebook computer, een doosje waarin zoveel vernuft is samengepakt dat ik het van mijn leven niet allemaal zal kunnen begrijpen, laat staan gebruiken. Ik ben trots op mijn bezit, ik laat het zien en als de gelegenheid zich voordoet begin ik er deskundig over op te scheppen. Toch is er geen enkele reden waarom er op een kladblok van drie gulden met een balpunt van tachtig cent niet iets veel mooiers kan worden geschreven dan het proza dat ik op deze wondermachine te voorschijn breng. Zo'n machine heeft iets schaamteloos en genants tegelijkertijd. Zelfs in de produktiemiddelen, juist in de mooiste, zit iets van de conspicuous consumption die Thorstein Veblen bedoelde: het luidruchtige, het ostentatieve, het gepats.

Daarin zijn alle gradaties van kwaad tot erger. Het daverendste op dit gebied, op de grens van vrede en oorlog overkomt je als er, terwijl je 's zomers argeloos op straat loopt, een auto voorbij komt waarvan de ramen openstaan en alle vier de luidsprekers op volle kracht een rap-song braken. Dat kunnen we geen genieten meer noemen; daar is een terrorist aan het werk. Soms vraag je je af wat zo'n man bezielt. Wat precies wil hij me inpeperen? Eenvoudig dat hij op een bijzondere manier de dag plukt? Of daarbij ook dat het hem niets kan verdommen als hij andere mensen daarbij dwars zit? Of is het juist zijn bedoeling, zoveel mogelijk voorbijgangers die auditieve knal voor hun kanus te geven? Of wil hij drie vliegen in één klap slaan. Ik denk: het laatste.

Waar was ik? Men schaft zich iets aan met behulp waarvan men de indruk wil wekken dat men is die men niet is, en daarvan is het resultaat dat men wordt wat men niet wil zijn. Zo begon het. Met een bergstok wordt een mens geen bergbeklimmer, met een computer geen Einstein. Dat is nog een onschuldige fase, een beetje belachelijk, een beetje meelijwekkend. Dan volgt geleidelijk de agressie. Geluidsapparatuur en opgevoerde motoren stellen de liefhebber in staat, een cirkel om zich heen te scheppen waarbinnen geen leven mogelijk is dat niet aan de wetten van zijn aanwezigheid gehoorzaamt. Dat hoort tot de gewone dictatuur van alledag, het straatfascisme waaraan we allang gewend zijn geraakt.

Dit wordt een somber stukje. Vergis ik me of bevinden we ons hier al op het terrein van de familie Rambo? Ik wilde me afvragen wie de toon heeft aangegeven voor 1991. Dat valt pas achteraf te bepalen. Is dat niet die man die niet meer van de televisie is te verdrijven, die onvermijdelijke verschijning in speelfilms, journaals, op de affiches en in de krant, de man in camouflagepak, geel, blank, bruin, zwart, in alle werelddelen, en altijd het machinepistool geheven, gereed om wie dan ook neer te maaien die een hem onwelgevallige kik durft te geven?

Het machinepistool als laatste bron en zekerste teken van de modernste wijsheid; de scepter van de Man van het Jaar.