Maarschalksransel

De eerste keer dat ik Henk (naam veranderd om privacy-redenen) zag, had hij een zwarte baret op. Van de huzaren, waar hij, net als ik, geplaatst was om zijn diensttijd door te brengen. Hij kwam op in Amersfoort en werd na de basisopleiding op de School van Reserve Officieren der Artillerie te Breda geplaatst; ik kwam op in Ede en daar liggen geen huzaren - dus werd ik daar een opvallend veelgestrafte specialist in de 2e Specialisten Batterij, afgekort tot 2e Spec.

In mijn herinnering waren we al zo'n beetje aan de opleiding van elf maanden begonnen toen Henk in de klas kwam, samen met een andere huzaar. Die baretten moesten meteen weg en verruild voor het bruine buiten-model dat we daar droegen bij ons werkpak, ons tweede grijs, ons eerste grijs en ons uitgaanstenue: een van dezelfde dikke stof vervaardigde servicedress, compleet met ceintuur, waardoor we in het stikkedonker op straat nog wel eens voor officieren werden aangezien, tot het sullige oranje driehoekje op de kraag ons verraadde.

Henk onderscheidde zich in niets van de anderen, behalve dan dat hij, bij het binnenkomen van de klas, omhoog sprong, en op het moment dat de twee voeten los van de grond waren, hiermee, d.w.z. met de hakken, tegen de achterzijde van de kast van het Laurrijssen trapte, wat een hels lawaai gaf op zo'n stalen kast en Laurrijssen flink aan het schrikken bracht. Bovendien was Henk geestig en brutaal, een gevaarlijke combinatie. Als er iemand niet echt bang was voor officieren dan was hij het wel, maar hij wist zich meestal in te houden want een grote mond tegen meerderen (en dat was iedereen verder op die school) werd niet in dank afgenomen en leidde meestal tot verwijdering. En verwijdering, dat wilden we niet. Eerstens de versmadelijke afgang naar een onzalig onderdeel waar je de rest van je diensttijd te boek stond als die gesjeesde ARO (Aspirant Reserve Officier) en vervolgens natuurlijk een veel minder "bruin' leven dan dat van die merkwaardige halfrang kornet, geen vlees, geen vis, maar bijna.

De heersende stemming in de klas was anti-leger. Goed, je moest natuurlijk meedoen, de bevrijders hadden indertijd ook zo'n pak aan (en dienstweigeraars waren er dus weinig), maar over-enthousiast hoefde je ook weer niet te zijn. Je moest gewoon zorgen de dienst (ruim twee jaar voor ons) op een zo aardig mogelijke wijze door te brengen, waarbij sommige dingen "best leuk' waren.

De ochtendgymnastiek, te 06.00 uur, was niet léuk, maar het exerceren, ach dat viel wel mee, vooral als het goed ging. 's Ochtends, in het grauwe licht, wilde Henk wel eens met overgave een gedichtje opzeggen, meer om ons te pesten, dan om iets anders:

's Morgens, als ik mij ten kantore hevel

En mij met dauw bedrupte knevel

Druk, tegen ene gevel ...

Het bloedt.

Laat maar. Zo is het goed.

Al snel bleek dat ik, vanwege het gevolgd hebben van de opleiding gymnasium-alpha, niet veel begreep van cosinus-alpha e.d. Van de meeste sommen niet. Dus raakte ik achter. De anderen werden kanonnier der eerste klasse, ik niet. Werd ik eindelijk korporaal, dan werden de anderen wachtmeester.

Inmiddels had Henk uitgevonden dat het hier om vergelijkende examens ging. Het maakte dus niet uit of de hele klas goed of slecht was, de beste kregen hoge cijfers, de minder goede de lagere. En zo werd er besloten dat er niet meer gewerkt moest worden. Toen in het Katholiek Militair Tehuis, het KMT, een klasgenoot achter de boeken werd betrapt, organiseerde Henk een rooster waarbij we om de beurt een kwartier wakker moesten blijven in die nacht voor het examen om de schuldige uit de slaap te houden door vragen stellen en schudden bij uitblijvend antwoord.

Op een dag, bij de inspectie voor de bedden, verscheen de klasse-kapitein, Van Pelt, met zijn baret geheel vlak op het hoofd. Het embleem stond horizontaal naar voren, slechts in zwang bij oudere korporaals I van de AAT. Hij bekeek aandachtig onze uitmonstering en bleef bij Henk staan. ""Ik geloof dat jouw baret ietsje te veel naar achteren staat'', zei de kapitein afkeurend. ""Maar kapitein'', begon Henk, en snel viel de kapitein hem in de rede: ""Je gaat toch hoop ik niets zeggen over mijn baret, wel? Denk erom hoor. Er zijn anderen die daarover oordelen.''

Nu we allemaal wachtmeester in bonus waren, werden we 's morgens wel eens vergast op een nieuw rijmpje van Henk:

Goede, goedemorgen

Buiten wachtte mij de borgen

Zij kennen mijn wel worgen

Maar ik eet kip - en zij mijn

zorgen.

Omdat ik twee maal zakte voor mijn kornetsexamen, ongekend in de Vaderlandse Geschiedenis, besloot men mij een praktijkexamen te geven. Midden in de nacht moest de hele klas in drietonners de Galderse Hei op om daar een Afdelings-Vuurregelingscentrum in te richten. Ik had de leiding, die ik onmiddellijk uit handen gaf aan Henk. Twee uur later verscheen de kapitein in een dramatisch aangelichte oorlogsfilm. Telefoons rinkelden, doelgegevens stroomden binnen, de linealen vlogen over de planchetten. Ik was, zij het via Henk, geslaagd, werd kornet en onze wegen scheidden zich.

Op een Artillerie-bijeenkomst in Oldebroek werd ik op de schouder getikt toen ik met een generaal stond te praten. Ik keek om. Henk, nu kolonel. ""Oh'', zei hij, ""ik zie het al, slijmen met de generaal. Goed voor je carrière. Zie je straks wel.''

Een paar jaar geleden trof ik hem weer, op een oefening in Duitsland. Hij had nu een paar Duitse en Amerikaanse generaals onder zich en wees op zijn (Nederlandse) plaatsvervanger, een generaal-majoor. ""Hoe vind je 'm?'' vroeg Henk. Zonder erop in te gaan vroeg ik of hij nog steeds bij het betreden van soldatenkamers de laarzen tegen het achterschot deed ranselen. ""Natuurlijk'', zei Henk. ""Vaste prik.''