kop: Schuld en boete in de Dordtselaan; Artan en Andrea in Shqipëri (I)

Voor twee ballpoints en een pakje sigaretten mochten we mee op de locomotief, het land door.

Op het station liep de klok een uur achter. Een jongen werd door twee politiemannen geboeid door de klapdeuren naar buiten gevoerd. Verder was de hal leeg, op een soldaat na, die met de lokettist stond te praten, en een man die in een hoek een berg cement omschepte. De locomotief was glimmend en groen, een zes-cylinder diesel van Tsjechische makelij. Van de wagens daarachter was nauwelijks meer een ruit heel, de bekleding van de banken was opengescheurd en op het houtwerk zat een laag vuil van jaren. In de bagagewagen achter ons zat een luidruchtig gezelschap op de vloer te drinken.

De trein liep vol. Zelfs op de locomotief was het dringen. Voorop was de fiets van de machinist gebonden, zonder bel, want die gebruikten we binnen als asbak. Het land gleed op ons af. We zagen huizen en flats met doeken en karton voor de ramen - de enige glasfabriek werkt al bijna een jaar niet meer wegens gebrek aan grondstoffen -, coöperatieve stallen, leeg, een busstation halfvol wrakken, een kilometers lang kassencomplex met alleen nog maar onkruid, een overweghuisje waar de gordijnen door de kapotte ruiten naar buiten woeien. Overal stond het laatste koren op de velden te rotten, naast de overwoekerde wijngaarden lagen duizenden lege, verweerde kratten, op een tussenstation was een halve goederentrein weggezakt langs het talud, ooit door een stootblok gebroken, nooit meer opgeruimd. Geen fabriek bewoog meer, geen hijskraan draaide nog en de overheersende kleur was bruin, roestbruin. Het was alsof de pest door het land raasde, tot in de verste uithoeken.

De machinisten hadden uit de hoofdstad twee broden meegenomen en de Republikeinse Vlag, een blad waar ze zeer trots op waren. In het blad stond een artikel over de democratisering van de radio en de televisie, een brief van een medewerker aan de president, een brief van een redacteur aan de president, een artikel over de salarissen van de politie en een overzicht van de koers van de munt ten opzichte van de lire, de mark, het pond en de dollar. Deze krant, het pakje Marlboro en onszelf, bij elkaar op deze locomotief, het zou de machinisten twee jaar geleden nog op minstens vijf jaar ballingschap zijn komen te staan. Nu was er vrijheid van meningsuiting in het land. Op het emplacement aan het eind van de lijn liepen een paar hongerige, halfverwilderde paarden.

Deze geschiedenis gaat over Artan en Andrea, twee vluchtelingen uit een klein Oosteuropees land, die aanspoelden op een bovenwoning aan de Dordtselaan in Rotterdam. Andrea is de vrolijkste. Hij is impulsief, klein, en een beetje mollig. Artan is de knapste. Hij is lang, ernstig en rustig. Beiden waren ooit toeristengids in Albanië, en met verve verkochten ze de theorieën van de leider Enver Hoxha aan de weinige groepen buitenlanders die het land bezochten. Sindsdien waren ze vrienden. Andrea was de eerste die er vandoor ging. Vier jaar geleden werd hij verliefd op een Nederlandse reisleidster en verborgen onderin een vrachtwagen wist hij de grens over te komen. Hij moet heel verliefd en heel wanhopig geweest zijn, want als ze hem in die dagen gepakt hadden zou dat zijn dood betekend hebben. Artan wist drie jaar later te ontsnappen, tijdens de Grote Wedloop op de Ambassades, toen het regime in paniek enkele duizenden uitreisvisa regelde. Beiden hebben nu een drukke praktijk als tolk en vertaler in Rotterdam.

Andrea had een oude tante, een ongetrouwde zuster van zijn moeder, bij wie hij al als baby in bed sliep en die hem gaandeweg zo'n beetje geadopteerd had. Omdat hij officieel bij haar woonde, werd zij na zijn vlucht voor twee jaar verbannen naar de bergen. Zij wist van niets. Toen ze terug was en hij haar eindelijk kon bellen zei ze alleen maar: ""Het enige dat ik wil is dat je een goed leven krijgt, Andrea. Weet dat ik van je houd.'' Toen voelde hij zich nog schuldiger. Dit najaar kregen ze voor het eerst de kans om terug te gaan. Hij nam voor haar mee: panty's, shampoo, knakworstjes, spaghetti, chocola, tien pakken koffie en zichzelf.

Van de treinmachinisten hoorden we een verhaal dat een van hun collega's was overkomen. Vlak na de Tweede Wereldoorlog kreeg de familie van een partizaan het bericht dat hun geliefde man en vader ""was gevallen voor het vaderland en de socialistische strijd.'' De man was een held geweest, en zijn weduwe kreeg een lintje en een goed pensioen. In werkelijkheid leefde de partizaan nog, hij had zich inderdaad zeer heldhaftig gedragen, maar ergens was er iets misgegaan, hij wist te veel of hij had te veel gezegd, en daarom moest hij geïnterneerd blijven.

Pas zevenenveertig jaar later, bij de grote amnestie van afgelopen maart, wordt hij vrijgelaten. Hij wordt in de havenstad uit een legerauto gezet, dwaalt rond, herkent nauwelijks meer iets in de totaal veranderde stad en belandt uiteindelijk bij het station. Een trein heeft hij nog nooit gezien: pas in de jaren vijftig werd in het land de eerste trein in gebruik gesteld. ""Hoe kom ik in Tirana?'' vraagt hij de mannen op de locomotief. Ze laten hem meerijden, voor niets. In de hoofdstad is zijn verbijstering nog groter. De machinist, die medelijden met hem heeft, neemt hem mee naar het huis waar ooit de ouders van de man woonden. Niets meer van over. Zijn eigen huis. Verdwenen. De man realiseert zich dat zijn zoontje van drie nu een man van rond de vijftig moet zijn. De machinist begint nu een zoektocht naar de zoon, en weet de flat te vinden waar die met zijn moeder woont. De man blijft buiten wachten. De machinist loopt de trap op, belt aan, en zegt tegen de man die open doet: ""U moet niet schrikken, maar uw vader staat hier.'' ""Maar die is toch al zevenenveertig jaar dood?'' ""Nee, hij is vandaag vrijgekomen, kijk maar naar buiten.'' De zoon kijkt uit het raam, en ziet een oude man, gebogen, met een verweerd gezicht op de binnenplaats. Hij lacht. ""Mijn vader? Maak mij wat wijs.'' Zijn moeder komt uit een andere kamer aangelopen. ""Wat is er?'' De machinist en de zoon leggen het geval uit. De oude vrouw werpt een blik uit het raam. Ze gaat op een stoel zitten. Ze zegt: ""Laat hem bovenkomen.''

Het land is, overstaptijden niet meegerekend, nog geen drie uur vliegen hiervandaan. Er gaan nog steeds vliegtuigen heen, een stuk of tien per week. ""In dit land is gebrek aan alles. Aan groenten, vlees, vitamines, medicijnen, aan alles,'' hadden Artan en Andrea tegen ons gezegd. ""Dus neem ballpoints mee, en panty's, en een vriend van ons zit te springen om zuigerveren voor een Volvo 343.'' Zelf heeft Andrea een donkerblauw costuum gekocht voor een kennis op een ministerie, en voor een andere vriend die iets voor hem geregeld had was er een paar schoenen. Artan zeult een AKAI CT21 35E kleurentelevisie voor zijn vader mee, en verder hebben we in onze bagage twee Mercedes-koplampen voor de vader van Andrea en twee potten acrylverf - de verf moeten we overgens bij de bagagecontrole van Schiphol al achterlaten en de koplampen zullen, zo blijkt bij aankomst, het moderne luchttransport evenmin overleven.

Ons toestel is ongeveer voor een derde gevuld met journalisten en verder bestaat het gezelschap uit een handvol zakenmensen en een paar rijk geworden emigranten. De rest van de cabine zit vol vluchtelingen die door de diverse Westerse landen bijna dagelijks in contingenten van tien, twintig, dertig man worden teruggestuurd. Ze zijn merendeels jong en mager, en hun blik is strak en dodelijk vermoeid, als soldaten die net uit de loopgraven komen. Mijn achterbuurman vertelt dat hij het zes maanden in Italië heeft volgehouden, maar dat hij de dag ervoor in Zwitserland is gepakt toen hij zonder kaartje in een trein zat. Geen werk, geen sou meer op zak en al dagen niks gegeten. Hij dacht dat hij terug werd gestuurd naar Italië, maar pas nu realiseert hij zich dat hij in het vliegtuig naar Albanië zit. ""Oh, lala'', zegt hij, half lachend. ""Wat gaat er nu met je gebeuren?'' ""Ik weet het niet. Oh, lala, oh lala, mijn God, terug in Tirana.''

Bij de douane wordt hij door twee potige vrouwen afgevoerd. "Voor bloeddrukcontrole', zo wordt er gezegd.

Op het vliegveld grazen koeien rondom het stationsgebouw. Er zetelt een officiële staatskapper, die tot voor kort de taak had al te wilde bezoekers uit het Westen bij binnenkomst te millimeteren. De bagage wordt hier ná de vlucht door een röntgenapparaat geduwd, voordat ze het land in mag. De hal staat vol tassen met teddyberen en dozen met tv's en stofzuigers. Een magere man biedt ons zijn diensten aan. Hij sjouwt met bagage, loodst ons door de douane, regelt een taxi. Hij hoopt, zegt hij, dat wij in ruil daarvoor op de terugreis zijn kinderen uit het land willen meenemen. Buiten de stationshal staat de tante van Andrea te wachten. Als ze hem ziet snikt ze met haar hele lichaam en de tranen lopen over haar doorgroefde wangen. Later zal ze niet van zijn zijde wijken, ze zal hem mee naar huis nemen, en weer later zullen ze samen in haar grote bed slapen, alsof de tijden van toen nooit voorbij zijn gegaan.

En dan rijden we door het land. Op de hellingen lopen meisjes, de hele dag bezig met het observeren van één koe. Het landschap is vol betonnen paddestoelen, bedoeld voor de burgers in tijden van nood, meer dan een miljoen bunkers, het grootste defensiegeheim van het land. Maar de grootste vijand was, decennia lang, het normale leven: cafés en terrassen zijn hier al een halve eeuw in de ban, bier en wijn zijn onbetaalbaar. De jeugd verzamelt zich onder een boom, zittend, liggend, pratend met een grasspriet in de mond. Het verkeersbeeld is bevroren in 1939. We passeren karren en paarden, een enkele vrachtwagen, en honderden reizigers te voet. Onze auto heeft als nummerbord: 7814.

In de hoofdstad valt de avond en de straten zijn vol wandelaars die langs de rivier flaneren, langs de oude bunkers, langs het grote plein en langs de sokkels van de beelden van de leiders die dit voorjaar omver zijn getrokken. Een jongen holt ernstig, al hoepelend, achter een oud wiel aan. De meisjes lopen hand in hand, mannen zitten op de rand van het park te praten. Er komt een vrachtauto met een tank water voorbij. Kinderen rennen er juichend achteraan: "De sproeiwagen, de sproeiwagen!'

De hele stad is gevuld met een in deze eeuw bijna vergeten geluid: het gedruis van duizenden voetstappen, van tienduizenden menselijke stemmen. En dan opeens wordt het stil. De nacht valt, en er is nog maar één geluid: hussh, hussh, hussh. Zwijgend schuift een brede rij straatvegers door de donkere stad.

Dit is een land met kleine, eigen geheimen. Onder elkaar schudden de mensen nee als ze ja bedoelen - maar ze weten dat het bijna overal elders in de wereld anders is en daarom schudden ze tegenover ons maar ja als ze nee bedoelen. Onder elkaar hebben ze hun land zelfs een eigen naam gegeven. Voor de buitenwereld heet het Albanië, maar onder elkaar praten ze over Shqipëri, wat zoiets als "adelaarsgemeenschap' betekent, "vogels met bloedige veren waaiend in de wind, in het onweer....'

Het grootste eigen geheim van dit land is zijn dictatuur. Beter gezegd: het systeem van zijn dictatuur. Nog beter: het gigantische, alles en iedereen omvattende netwerk van zijn dictatuur. Er wordt wel gezegd dat een dictatuur "slachtrijp' is ("als een lekkere vette kip', zegt de topschrijver van het land, Ismail Kadare) na ongeveer twaalf jaar, anderen houden het op het dubbele, maar iedereen weet dat op een gegeven moment een dictatuur ten einde loopt. Maar wat gebeurt er als een dictatuur een systeem is geworden, een manier van leven, een kwalijk geheim dat een heel land met zich meedraagt?

Op een zaterdagmiddag gaan we op visite bij een grijze, bejaarde fotograaf, zijn vrouw en hun zoon. Het zijn belezen, intelligente mensen die wat van de wereld hebben gezien - zij had haar hele jeugd in Canada doorgebracht. We zitten om de tafel, eten zelfgekonfijte vijgen en drinken zelfgestookte dranken en het leven is zo slecht nog niet. Zij is opgetogen: sinds 1946 had ze geen Engels meer kunnen spreken, nadat de Leider verordonneerd had dat iedereen die Engels sprak als een spion werd beschouwd. Hij toont zijn dia's, in zorgvuldig zelfgemaakte raampjes: meisjes in folkloredracht, oogstende arbeiders, de eerste trein in het land, bloesemtakken, de vijfde verjaardag van de bevrijding, het centrale plein in de hoofdstad in 1938, 1939, 1956, 1960 (geen verschil), 1971 (nauwelijks verschil). In 1975 houdt de serie abrupt op met een pas geopende stuwdam: toen bezweek zijn oude Leica, en er was geen geld meer voor een nieuwe. De zoon zwijgt. Het levenswerk van zijn vader is een zee van braafheid, je ziet het hem denken. "Was er echt niets anders te fotograferen, vader?' Hij verdedigt zijn werk, de vreugde van het positieve. ""Ik ben een gelovige'', zegt hij. ""Maar geloof je nog steeds?'' Hij: ""Ik ben geboren in een tijd van geloven en ik wil ook sterven in een tijd van geloof.''

"Stelt u zich een in duister gehulde bioscoop- of concertzaal voor, met zwak verlichte bordjes waarop het woord Exit (of Uit) staat', schrijft Kadare. "Als er brand uitbrak, zou de menigte zich in paniek voor die uitgangen verdringen. Wanneer in een totalitaire staat het eerste gekraak hoorbaar wordt, is ieders onmiddellijke reactie om de nooduitgangen op te zoeken. Maar, anders dan in theaters, hangen er boven de nooduitgangen van een dictatuur bordjes met onbegrijpelijke, om niet te zeggen mysterieuze opschriften. Zo dreigen veel mensen in de leegte te storten omdat ze op de verkeerde deur hebben gegokt.'

Volkeren komen ongeveer gelijk onder een dictatuur vandaan: verminkt. Maar ze kunnen er op een heel verschillende manier onder terecht zijn gekomen. Soms door een staatsgreep of een overval, maar soms ook kan een volk heel langzaam in de ban van een dictatuur raken, zonder zich er zelfs maar van bewust te zijn. En het kan zelfs gebeuren dat een land aan een dictatuur begint alsof het een feest is. Dat nu was bijvoorbeeld ook zo'n geheim van Shqipëri.

Toen het land in november 1944 uit vrije wil aan de dictatuur begon, heerste overal een vrolijke feeststemming. Het fascisme was vernietigd, de communisten stonden aan de kant van de overwinnaars, de meeste partizanen die uit de oorlog kwamen waren jong en vrolijk, idealistische kinderen van de bourgoisie, de meisjes waren wild en geëmancipeerd en in Dajti, het deftigste hotel van de hoofdstad, dansten de nieuwe helden tot het ochtendgloren. Niemand wist iets van de intriges die zich achter de schermen afspeelden, de interneringen, de messen die al klaar werden gelegd.

Het is onmogelijk om te begrijpen wat er daarna in het land gebeurd is, zonder van die danspartijen in Dajti te weten, en de straatfeesten en de bals en de verlovingen overal elders in het land. Kadere: "De meeste deelnemers aan het feest waren destijds twintig. Nu zijn ze allemaal over de zestig. De wortels van hun leven - liefde, geluk, kinderen - liggen in die periode. Of het nu gaat om degenen die hooggeplaatste posities zijn gaan bekleden, om degenen die onbekend zijn gebleven of zelfs degenen die later veroordeeld zijn, allemaal voelen ze zich met die periode verbonden door een ongeneeslijke nostalgie. Voor velen is de klok daar stil blijven staan.'

De tante van Andrea is door haar verbanning haar huis kwijtgeraakt. Nu woont ze in bij een echtpaar, in een ruw gemetseld flatcomplex met kapotte ramen en een binnenplaats vol stenen en onkruid. Er branden een paar vuurtjes, en daaromheen staan wat opgeschoten jongens en meisjes sigaretten te roken. Alles wat ze op aarde bezit is samengebald in een kamer van drie bij drie: een naaimachine, een bed, een linnenkast, twee antieke stoelen, een stokoude radio, een digitaal horloge en twee foto's van Andrea: een waarbij hij verkleed is in een soort carnavalscostuum en eentje waarop hij naast een grote auto staat, in de Dordtselaan in Rotterdam.

Er zijn twee internationale hotels in de hoofdstad, en daar speelt alles zich af: het oude hotel Dajti - te vergelijken met het Amstelhotel - en hotel Tirana - zoiets als het Hilton. De lopers zijn van de trap gerold, de parketvloeren moeten nodig opnieuw in de lak, uit de fauteuils steken stukken schuimplastic, maar verder werkt alles nog. Met grote ernst eten gewichtige heren kip en oude bonen en kleine gehakte paprika's, voor vijf dollar tovert de ober een oude fles bergwijn op tafel die naar aktetas smaakt, en daarna gaan ze in de bar beneden Campari's drinken. De band speelt: "Let it be' en, op verzoek, "Mooi meisje met je lammetjesogen'. Het geheel kost ongeveer een maandsalaris.

Wie iets moet "regelen' - een ingetrokken vergunning, een studieplaats - wordt nogal eens door de desbetreffende functionaris in de eetzaal van het hotel ontboden. Vaak neemt de ambtenaar dan zijn vrouw of een paar vrienden mee, en ze hebben een goede avond samen. Soms, als het "slachtoffer' vreest dat hij de rekening niet kan betalen, neemt hij zelf het vlees en de groente mee, de keuken accepteert dat, tegen een geringe vergoeding. Iedere avond bieden twee, drie, vier tafeltjes in het restaurant hetzelfde tafereel: een paar vrolijk pratende, welgevulde gasten en een meestal magere man die er een beetje bijhangt. ""Kijk, daar zit de directeur van de pijpleidingfabriek'', zegt Artan. ""Die man in dat pak werkt bij het ministerie van onderwijs. Daar zitten drie politiemannen, die vierde man zal wel iets met zijn taxivergunning hebben.''

Dit was jarenlang de wereld van Artan en Andrea. Iedereen kende ze als gids, en nog steeds zijn ze kind aan huis in het hotel. Ze kunnen nog geen meter lopen of ze worden door vrienden staande gehouden, door kamermeisjes omhelsd en door de soldaat voor de deur geknuffeld: ""Andrea, we dachten dat je dood was!'' ""Artan, bofkont, het is je dus gelukt om eruit te komen!'' ""Je was geniaal, om er toen uit te springen!'' ""Geluksvogels!'' ""Zorg dat je nooit weer terug hoeft te komen, want, oh, oh.'' Artan en Andrea zijn sprookjesfiguren uit een toverland geworden - ze zijn weggetrokken over de bergen, en ze zijn de eersten die ook weer zijn teruggekomen.

We worden voorgesteld aan collega-gidsen. Ze vertellen over de reizen die ze maakten met toeristen uit het Westen, met als hoogtepunt, tegen het eind, het collectief naakt zwemmen in een of ander bergmeer - iets waar ze onder elkaar al dagen over praatten. Hun collega Birka heeft ook kans gezien eruit te komen, horen we, hij drijft nu een restaurant in Pennsylvania. ""Oh, he was really a big fucker!'' mompelen sommigen met respect. Oh ja, er is democratie, en we zitten nu breeduit in de fauteuils waarin vroeger de mannen van de geheime dienst de dag doorbrachten, maar ze zitten nog steeds op de bovenste verdieping, en daar durft niemand van het hotel een voet te zetten. In speciale "Albturist' asbakken, aan de onderkant van de fauteuils en de tafels - vroeger zat het hele hotel vol afluisterapparatuur. ""Nu is het een doodbloedende tijger, maar een gewond dier kan nog flink met zijn klauwen slaan.'' De gidsen leerden elkaar vooral op de kamers met een 0 in het nummer te letten. De kamers met 03 werden altijd afgeluisterd. ""En je nam nooit een kamer met 02, als je een toeriste had opgepikt.'' Volgens de gidsen had de veiligheidsdienst daar tv-camera's geïnstalleerd om zich te verlustigen aan het liefdesspel van de bezoekers van dit socialistische paradijs.

Artan doet zijn gidstoontje na: ""Waarom zien wij een stad vol gebroken ramen?'' ""Die zijn eruitgeblazen door de storm van de democratie.'' ""Waarom zijn ze dan niet vervangen?'' ""Omdat de arbeiders van de glasfabriek het nog te druk hebben met het democratiseringsproces.'' Ieder verkeerd woord gaf onvoorstelbare problemen. Eén keer had Artan zich laten gaan tegenover een Engelse journalist, die verrukt alles wat deze "dissident' zei in zijn krant neerschreef. Hij heeft zich toen ternauwernood uit de situatie kunnen redden doordat de journalist zijn naam fout had gespeld. ""Al die jaren waren we acteurs'', zegt Artan. Andrea: ""Niet alleen wij waren acteurs, er waren drie miljoen acteurs in het land.''

Niemand had verwacht dat uitgerekend de vriendelijke, vrolijke Andrea als eerste zou ontsnappen. Vandaag de dag is hij in zijn vriendenkring en ver daarbuiten verreweg de beroemdste vluchteling. Wie had ooit gedurfd om zo te ontsnappen: onder in een vrachtauto, tussen de dozen waar de grenssoldaten met bajonetten doorheen konden prikken, en dat in een tijd dat op iedere vluchteling direct, gericht en met scherp mocht worden geschoten? Maar na een lange, idyllische zomer met een Nederlandse reisleidster kon het leven in Shqipëri hem niets meer schelen. Het was een keuze tussen de ene soort dood en de andere. ""Als gids werd ik verliefd op de religie van Jezus Christus, en op een Nederlandse vrouw'', zou hij later vertellen. Zij zou in Joegoslavië op hem wachten. Aan zijn tante en vrienden zei hij niets. Dat was het beste, vooral voor henzelf, achteraf.

Het gekke was: iedereen dacht al die jaren dat Artan wel een keer weg zou lopen, maar juist hij bleef. Hij vertrok pas toen hij wist dat zijn ouders veilig waren en de wereld begon te schuiven.

En dan was er de tante van Andrea.

De tante van Andrea heette Georgine. Ze was een gepensioneerde bedrijfsleidster van een breiwerkenfabriek. Ze had pas laat gemerkt dat er iets aan de hand was met Andrea, omdat hij aan haar verteld had dat hij een poosje bij zijn ouders zou logeren. Maar toen hij op de 21-ste september, zijn verjaardag, nog niet terug was, begon ze zich hevig ongerust te maken. Uiteindelijk hoorde ze het, van iemand van de veiligheidsdienst.

Op 16 maart 1988, zes maanden na de ontsnapping van Andrea, om negen uur 's ochtends ging ze even naar buiten om brandhout te bestellen. Het was heel vreemd - twintig minuten voordat ze zouden komen had ze opeens een voorgevoel, haar handen begonnen te trillen en ze was bang flauw te vallen. Laat ik een half glaasje raki (een soort brandewijn) drinken, zei ze tegen zichzelf. De raki smaakte als water. Na vijf minuten ging de bel. Ze dacht dat het de mannen van het brandhout waren, ze opende de deur, en ze zag een politieagent. Hij zei: ""In naam van het volk zult u worden gedeporteerd uit de hoofdstad.'' Achter hem kwamen nog vijf andere agenten en een man van de geheime dienst. Ze snauwden dat ze haar spullen moest pakken, want dat ze onmiddellijk weg moest. Vervolgens begonnen ze al haar bezittingen in een vrachtauto te laden. Een van de politiemannen vroeg of ze haar naaimachine wilde verkopen of meenemen. ""Alles wat overblijft wordt verbeurd verklaard'', zei hij. Toen pas besefte ze wat er aan de hand was. Het werd haar zwart voor de ogen. ""Waar ga ik heen?'' ""U bent voor één tot twee jaar verbannen naar een dorp in de bergen.''

Ze had een betrekkelijk groot huis, en veel van haar bezittingen konden niet mee. Het was een koude, grijze ochtend. Haar buren en vriendinnen stonden om de auto heen, ze wilden haar nog omarmen en iets geven, maar de politie duwde iedereen weg. Ze werd achterop gezet, bij haar spullen. Op het moment dat ze wegreden begon het te regenen. Zo reed ze, half onder een zeil, bovenop de resten van haar kleren en haar meubels, in de schemerige middag door het kletsnatte land.

""Andrea'', heeft ze later wel eens gezegd, ""hoe kon je zoiets doen?'' ""Maar ik heb nooit een vloek op hem gelegd, geen moeder in Shqipëri zou zoiets kunnen doen.''

Tijdens een tussenstop, op het marktplein van een stadje, probeerden de mensen spullen uit de vrachtauto te stelen. Tegen het begin van de avond kwam ze aan in het dorp.

"Ik vraag me af hoe ik hier ooit uitgekomen ben', zegt ze nu, als ze met ons opnieuw die reis van drie jaar geleden maakt. Haar kamer lag naast de collectieve varkensstal, en vroeger was die er waarschijnlijk een onderdeel van. Het dorp bestaat verder uit een paar hooibergen, een zestal ruwe flats, een paar loslopende ezels, een paar karren, en dat alles aan het eind van een tientallen kilometers lange, verlaten bergweg. ""Het lekte overal. Mijn enige gezelschap was een katje, dat op een avond door een gat in het dak kroop.'' Haar paar geluksmomenten waren blijde dromen, soms, van vroeger. ""Vaak moest ik me weerhouden om me niet te verdrinken in het meer. En waarom ik dat niet gedaan heb, ik weet het niet.''

Dag en nacht was het licht aan. Regelmatig werd midden in de nacht op haar deur gebonkt. "Controle'. De dorpsbewoners mochten de eerste maanden op geen enkele manier contact met haar hebben. ""Ik was de stiefmoeder van een vijand van het volk, weet u.''

Later vond ze toch een vriendin, haar overbuurvrouw Resmia, met wie ze nu, even terug, op haar oude bed zit. ""Er was één dag dat ik zo bedroefd was, ik dacht, ik doe het. Maar terwijl ik zo zat te denken begon er opeens bloed uit mijn neus te lopen, het hield maar niet op. En toen begon er ook bloed uit mijn mond te stromen. Mijn God, en toen werd het zwart, en ik dacht: dit is de dag dat ik zal sterven.'' (Resmia neemt nu haar hand, knuffelt haar, kust haar). ""Die nacht kwam Resmia, en ze bleef bij me, vele nachten lang.''

Buiten roepen de mannen: ""We werken zestien uur voor drie lek (de prijs van een pakje sigaretten)''. ""Alle jongens uit dit dorp hebben wel eens geprobeerd naar Griekenland of Italië te komen, maar ze zijn allemaal opgepakt en teruggestuurd.'' ""Het is uren lopen, alleen om brood te halen.'' Kinderen in gescheurde kleren drommen om ons heen, ze hebben rode ogen en overal eczeem, en ze lopen schel het lied te zingen: "Eindelijk gebeurde het dat ik de liefde vond die ik wilde.'

De wat oudere jongens lachen, slaan ons op de schouders, bietsen sigaretten, wijzen op de drie kapotte tractoren op het modderige dorpsplein en wrijven over hun buik, want, zeggen ze, ze verrekken hier sinds een paar maanden van de honger.

Eén blond meisje met sproeten, van een jaar of zestien, loopt zwijgend en schuchter om de groep heen. Haar haar hangt in pieken, en ze heeft alleen maar een paar vodden aan. Ze is met de helm geboren, zeggen de anderen.

"Mijn droom is', zegt Andrea, ""mijn droom is dat ik met een vliegtuig aankom, dat mijn vader in zijn Mercedes op me staat te wachten en dat mijn tante me door de tuin van haar nieuwe villa tegemoetkomt.''

Andrea wist inderdaad zijn Nederlandse vriendin in Joegoslavië te vinden. De bajonetten schoven inderdaad rakelings lang hem heen, en het was allemaal inderdaad een gok met de dood. Toen hij haar in de lounge van het afgesproken hotel zag staan, en haar gezicht zag, wist hij het onmiddellijk. Ze zei alleen maar: ""Mijn God!'' Ze had nooit gedacht dat hij het ook echt zou doen. Shqipëri was altijd het veiligste land geweest voor vakantieliefdes.

Met grote moeite wist Andrea in zijn eentje Nederland te bereiken. Hij zocht zijn oude vriendin op, nodigde haar uit voor een autorit "om het uit te praten", smeekte, dreigde. ""Mijn grote ideaal was al die jaren om je huis te zien, in Holland, en je ouders, nu wil ik ze ook zien, als is het maar voor één keer.'' Hij zag inderdaad haar huis en haar ouders, inderdaad was het maar voor één keer.

Andrea en - later - Artan konden zich in Nederland boven water houden dank zij het evangelische circuit. Vanuit Nederland en Amerika zijn grote campagnes in voorbereiding om het Albanese volk, na decennia atheïsme, weer tot het geloof te brengen. Op de computers in hun Rotterdamse huiskamer vertalen beiden tegenwoordig non-stop bijbelfragmenten, evangelisatiefolders en andere christelijke teksten voor de Albanese markt. "Where are you going to spend Eternity?" dat soort vragen tikt Artan tegenwoordig in zijn scherm. ""De enige die ik om hulp kon vragen was God'', zegt Andrea nu. ""En Hij hielp mij met een verblijfsvergunning.'' Voor Artan moeten we dat nog afwachten.

"Als de stormwind voorbijgaat, dan is de goddeloze niet meer. Maar de rechtvaardige staat als een duurzame grondslag.'

In Shqipëri hebben we de laatste dagen een zoektocht gehouden naar degenen die verantwoordelijk waren voor het lot van de onschuldige Georgina. We vonden niemand. We zagen de bewoners van haar vroegere huis. Het was nu van hen, geen twijfel mogelijk. We spraken met de burgemeester van de hoofdstad. Hij droeg een donkerbruin, duffels colbert met grote knopen en versleten randen, een hoornen bril en zijn gezicht had de sombere, overwerkte standvastighheid van zoveel stadsbestuurders uit het Oostblok: ""Mr. Geert, de hele stad is vol van dit soort ex-ballingen, duizenden zijn het er, zonder werk, zonder woning. Wat kan ik doen, zonder buitenlandse hulp?'' Eén ding vrolijkte hem op: hij was blij dat hij weer eens Engels kon spreken met een buitenlander, het was de derde keer in zijn leven.

Vervolgens gingen we op zoek naar de mensen van de veiligheidsdienst die haar hadden aangegeven en gedeporteerd. Ze waren onvindbaar - de veiligheidsman van haar blok was verhuisd.

En dan was er de top. De Leider was inmiddels overleden - de warme broodjes van het stalletje op het grote Skanderbegplein werden verpakt in uitgescheurde pagina's van zijn verzamelde werken - maar zijn omgeving was nog volop actief. Had zijn schoonzoon niet, op de ochtend van de couppoging in de Sovjet-Unie, opeens zijn hele instituut op koffie getracteerd? Terwijl op dat moment nog niemand van iets wist? Het hele land had erover gesproken.

De weduwe van de Leider was uit haar paleis verdreven en volgens een tuinman zou ze nu in een bepaalde kliniek verblijven. Daar is ze niet, maar wel treffen we, aan de rand van een leeg zwembad, een paar oude vrienden van Andrea aan, die ons weer doorverwijzen naar een flat, een paar straten verder. Achter het huis staat een enorme, blinkende Amerikaanse vrachtauto uit New Jersey. Een rij mannen is bezig pakken uit de laden, die de kelder ingaan. Hulpgoederen, zeggen de mannen. De binnenplaats ligt vol puin en oude kranten. ""Ja, mevrouw Hoxha woont hier inderdaad. Op twee hoog.'' Ze wil niet opendoen, ze wil niet met ons praten.

Er komt een man aanrijden, op een fiets. Het is de schoonzoon. Artan kent hem goed - ze hadden als kind in dezelfde straat gewoond, waren uit hetzelfde milieu afkomstig, alleen had de een het geluk - of het ongeluk - gehad dat het oog van de dochter van de Leider op hem was gevallen. Artan en Andrea hebben geen hekel aan hem, hij was alleen maar schoonzoon geweest en hij had van de buitenlandse reizen en alle andere luxe genoten, iets dat ze allemaal gedaan zouden hebben als ze de kans hadden gehad. Nu bietst hij, hangende over de stang van zijn fiets, Drum-shagjes van ons. Hij is mager geworden. Ze hebben een verschrikkelijke tijd gehad, vertelt hij. ""Natuurlijk zijn we ongelukkig'', zegt hij. ""Het is toch normaal dat we heel ongelukkig zijn?''

Er valt een vreemde stilte. Alleen het geluid van de krekels is nog te horen. Niemand weet meer iets te zeggen. De loop van het gesprek dwingt Artan en Andrea bijna iets medelevends te zeggen, maar er is te veel dat hen weerhoudt.

(wordt vervolgd)