Gloomsville

Op Amerikaanse radiostations houden ze van vaart: ""The weather in a word: gloomsville'', zeggen ze om deze tijd op het nieuws in New York.

Gloomsville is the word, als ik op 't ogenblik de tuin inkijk. De Cobaea scandens ziet er uit als de trouwjurk van Miss Havisham, de borders worden bewoond door schimmen en de laatste ongenaakbare peer is van zijn tak gewaaid. De grond is bedekt met bladeren, het ziet er behaaglijk uit daar onder: het houdt de voetjes van de planten warm en ook de slakken, gedompeld in hun winterslaap. Ook de insecten die de vlier bevolkten sluimeren daar nu ergens, nog onbewust van het feit dat hun zomerverblijf zal worden gerooid en vervangen door een moerbei. Met intens genoegen stel ik me voor hoe ze, wanneer ze straks hun zijderupsdieet ontdekken, mopperend hun koffertjes zullen pakken - of dat hoop ik tenminste, misschien zijn ze wel net zo verzot op moerbei als op vlier.

De reden dat we een moerbei aanschaffen (niet de zijderups-soort, in feite, maar een zwarte, om de vruchten) is dat er daar vroeger, lang voor we hier woonden, een heeft gestaan. Iemand die in dit huis is opgegroeid herinnerde het zich uit de jaren '20 en '30; eens per jaar kwam de slager er bloed voor afleveren. Dat waren de tijden dat alles nog ging zoals het moest; vanaf een bepaalde datum begon de slager het bloed opzij te zetten en dan werd een loopjongen achterom gestuurd met de emmers. Opwinding in huis: ""Pa, daar zijn ze met het bloed voor de moerbei!''

Zo strekt het bloeddorstig gewas de vreedzame vegetariër tot voedsel. Tegenwoordig koop je gedroogd bloed keurig verpakt in neutrale plastic zakken bij het tuincentrum; vorig jaar heb ik er de tuin mee bestrooid en de lucht bleef dagenlang hangen. Het is een geur die op je keel slaat, maar au fond niet onaangenaam is; een gezonde stikstoflucht.

Sommige mensen rapporteren dat hun moerbei al vier jaar na geplant te zijn vrucht draagt, maar sommige tuinbeloftes zijn gelukkig dichterbij. De Helleborus orientalis die ik een jaar geleden cadeau kreeg als kamerplant heeft nu negen zwellende bloemknoppen, zo uit de grond; vorig jaar om deze tijd stond hij al in bloei, maar hij was vermoedelijk "getrokken' in de kwekerij, want ik herinner me er die buiten pas bloeiden in maart.

Hoe vervroeg je een plant die graag in het vroege voorjaar bloeit? Bevriezen, denk ik. Vorst speelt in de plantenwereld een eigenaardige rol; voor de boerenkool is het leven pas de moeite waard wanneer "de vorst er overheen is geweest', maar de zaden van de helleborus willen dat zelfs twee keer voor ze overgaan tot kieming. Deze helleborus werd per ongeluk bovenop een Dicentra formosa (een soort gebroken hartje) geplant, die ik niet alleen vergeten was, maar ook dood waande toen ik me haar herinnerde. Welnu, ze leefde nog, baande zich een weg door de oude bladeren van de helleborus en ging er bovenop zitten. Nu zijn de rollen verwisseld.

Margery Fish placht te worstelen met hetzelfde probleem: ""Ik kijk altijd rond naar plaatsen om nieuwe planten neer te zetten en hoewel ik nu zo langzamerhand zou moeten weten wanneer er een plek lege grond zichtbaar is - dat dat komt doordat de bewoonster met haar kop onder de toonbank zit weggedoken - weerhoudt het me niet er iets anders neer te poten.'' De wortels van die twee moeten nu onontwarbaar door elkaar zijn gegroeid, maar ik kan altijd zeggen dat het opzet was. De timing is uitstekend: de helleborus is op zijn best als de dicentra onzichtbaar is en daarna verrijst deze laatste om de oude bladeren van de vorige te verbergen.

Het stinkend nieskruid (H. foetidus) maakt zich op voor het eerst te gaan bloeien. Ze lijken sinds mensenheugenis in de tuin te hebben gestaan, maar dat is gezichtbedrog: ze zijn er pas twee jaar en hebben nog niet eerder gebloeid; een ervan groeide als kool en de andere verkoos te blijven zoals hij was toen hij gekocht werd. Maar nu sturen ze allebei groen-gele scheuten omhoog, waarop al enkele bloemknoppen zijn te onderscheiden. Die zouden moeten uitkomen in januari.

Niet ver daarvandaan staat de Fatsia japonica die er al was voor wij kwamen en wie door sommige huisgenoten geen goed hart wordt toegedragen; wat haar tot dusver heeft gered is dat haar bladeren lijken op die van de papaja. We hakten (snoeiden is een te delicaat woord om het geweld te beschrijven waarmee dat gepaard ging) de helft eraf omdat die te ver over het pad hing en haar reactie daarop was het voortbrengen van veel nieuwe loten en daarna massa's bloemen in de late herfst.

Of deze bloemen iets toevoegen aan de schoonheid van de fatsia is niet gemakkelijk te zeggen; ze zien er in elk geval behoorlijk raar uit. Ikzelf mag ze wel, maar dat is misschien dankbaarheid dat daar niet niets zit. Ze zien er uit als bollen gemaakt van de fietsspaken met knobbeltjes aan het eind. Het algemene effect is verre van ordelijk. De knobbeltjes aan de uiteinden veranderen in vrij grote zwarte bessen, die ik al tweemaal heb geoogst en waar ik verder niets mee heb gedaan. Maar dit jaar is er iets mee loos. Geen zwarte bessen. Het effect is nu nog lelijker, het ziet er uit als een hoop losgewaaide televisie-antennes.

Ook hebben we een bloem, zij het een heel kleintje, helder paarsbruin, toebehorend aan een Cyclamen coum. Zij heeft niet alleen de distinctie de enige bloem in ons winters domein te zijn, maar is ook de enige in de annalen van onze tuin die zich eerder heeft aangediend dan de boeken zeggen. ""Bloemknoppen verschijnen in december en gaan open tot in maart'', staat er; in september kwamen er tegelijk met de bladeren knoppen aan en de eerste bloem kwam uit in november. Het lange wachten op het openen van de knop lijkt achteraf een seconde in het licht van de eeuwigheid; maar zolang het duurde was ik, onnodig te zeggen, ten prooi aan hevige gemoedsbewegingen.

Soms vraag ik me af hoe lang ik er over gedaan zou hebben om al deze schaduwlievende planten te ontdekken als ik niet zo'n ongewone tuin had. Aanvankelijk zag ik het feit dat zoveel ervan in de winter bloeien als een soort speciale toegift, het vangen, om zo te zeggen, van twee vogels in één klap. Pas sinds kort heb ik door hoe het in elkaar zit: deze planten bloeien in de winter, omdat dit de tijd is dat de tuin het meeste licht ontvangt. Voor ons mensen is het gloomsville; we geven elkaar cadeautjes om niet in snikken uit te barsten; maar voor de helleborus en de cyclamen is het 't equivalent van de zomervakantie, de periode waarin zij zich koesteren in het licht als zonnebaders aan het strand.

“I have been in touch with Inspector Bowels throughout, on my mobile phone,” explains Maths.

Bowels takes a pair of handcuffs from his pocket and claps them on U. Forbyer.