Eén prestatie maakt 1991 een bijzonder jaar in ...

Eén prestatie maakt 1991 een bijzonder jaar in de bridgegeschiedenis: de verovering van de wereldtitel en de bijbehorende NEC Bermuda Bowl door het IJslandse team.

Een mini-bridgebond heeft door de juiste selectie van zijn spelers en door een ijzersterk moreel van de spelers zelf een team op de been weten te brengen dat als reuzendoder heeft kunnen optreden. Het is een bemoedigend voorbeeld voor nationale bonden zoals onze NBB, die wel de ambitie hebben om topteams naar de internationale kampioenschappen af te vaardigen, maar daar tot nu toe niet goed in slagen.

Uit het vele fraais dat het IJslandse team tijdens het WK-toernooi heeft laten zien, licht ik één buitengewoon spel:

ß7 B 10 9

ß6 6 2

ß5 6 5 2

ß4 V 8 7 4 2

ß7 5 4 3

ß6 A 10

ß5 H B 7

ß4 A B 10 6 5

ß7 V 8 7 6

ß6 H 8 7 5

ß5 8 4 3

ß4 H 3

ß7 A H 2

ß6 V B 9 4 3

ß5 A V 10 9

ß4 9

Tegen het eerste team van de Verenigde Staten eindigde Thor Jonsson (Z) in 2 ß5 nadat W met 1 ß4 had geopend en O met 1 ß6 had geantwoord. Sontag (W) kwam met ß7 3 (derde van boven) uit en de slag liep via ß7 B en ß7 V naar ß7 A. Jonsson koos ß6 B als voortzetting, W won en vervolgde met ß7 die Z met ß7 H nam. Hij stak met de derde ß7 naar N over en trok ß6 van tafel voor O's ß6 H. Deze incasseerde ß4 H.

Zoals in het toernooibulletin wordt opgemerkt, zou O er goed aan hebben gedaan om ß4 na te spelen; later kan hij dan een ß6 opruimen op W's ß4 A. Maar in werkelijkheid vervolgde hij met ß7 8 die Z met ß5 9 troefde. W wilde niet overtroeven omdat hij geen goed naspel heeft. Z speelde nu ß6 V voor die W wel moest troeven. W speelde nu ß4 A na, Z troefde met ß5 10 en incasseerde ß5 A. De situatie was nu aldus:

ß7 --

ß6 --

ß5 6 5

ß4 V

ß7 --

ß6 --

ß5 H

ß4 B 10

ß7 --

ß6 8

ß5 8 4

ß4 --

ß7 --

ß6 9 4

ß5 V

ß4 --

Hoewel er nog maar drie kaarten in iedere hand over zijn en OW ogenschijnlijk altijd nog twee slagen (ß5 H en ß5 8) kunnen maken, gebeurt er nu iets heel bijzonders. Jonsson speelde de hoge ß6 9 uit de hand voor en W was gedwongen om met ß5 H te troeven om te voorkomen dat de leider die 9 in N zou troeven om ß4 uit N te kunnen spelen. Hij kan dan ß5 V maken als achtste slag. Maar nu W met ß5 H aan slag was gekomen, restte hem niets anders van ß4-naspel. Op ß6 9 was ß4 V in N opgeruimd, waardoor nu in N met ß5 6 kon worden getroefd. Wat kan O nu doen? Troeft hij over met ß5 8, dan wint Z met ß5 V en is N's overgebleven ß5 5 de baas over O's ß5 4. En troeft O met ß5 4 onder, dan gooit Z ß6 weg en wordt ß5 V de achtste slag.

Wiskundigen onder de bridgers zeggen dat zo'n eindfiguur een soort schoonheidsbeleving teweegbrengt die vergelijkbaar is met het vinden van een elegante oplossing van een mathematisch vraagstuk. Zo'n beleving valt niet aan buitenstaanders uit te leggen. Maar weinigen zal het gegeven zijn eindfiguren als deze in werkelijkheid op tafel te leggen.