De Vries: Britten behaalden geen voordeel; Neiging tot convergentie sociaal beleid EG groeit

DEN HAAG, 28 DEC. "Europa 1992' zou, zo stond het een en andermaal in Haagse nota's, niet hoeven te leiden tot een “neerwaartse aanpassing” van de sociale zekerheid in Nederland. Maar wat zegt minister dr B. de Vries (sociale zaken) amper een jaar voor de totstandkoming van de interne Europese markt? “Ik zie op termijn toch wel een zekere neiging tot convergentie in de stelsels van sociale zekerheid in de verschillende EG-landen. Daar waar we in Nederland aan de lage kant zitten, zoals met de deelneming in het arbeidsproces, zullen we extra inspanningen moeten leveren, anders wordt het draagvlak voor sociale zekerheid te smal. Daar waar we in vergelijking met andere landen aan de hoge kant zitten, zullen we een beetje de pas inhouden. We zijn begonnen met de Ziektewet en de WAO. Met het minimumloon zaten we aan het begin van de jaren tachtig aan de hoge kant, maar zitten we tegenwoordig nog niet zo gek. En in de sfeer van de bovenwettelijke uitkeringen bij ziekte en arbeidsongeschiktheid en van de aanvullende pensioenen zitten we nog riant. Daar zouden werkgevers en werknemers dus eens heel kritisch naar moeten kijken.”

Na een half jaar voorzitterschap van de Sociale Raad van Europese ministers van sociale zaken voelt De Vries “de neiging tot convergentie” in het sociale beleid in de EG sterker worden. Zo biedt het afhaken van het Verenigd Koninkrijk op de Eurotop in Maastricht volgens hem aan de elf overige EG-landen de mogelijkheid “sneller voortgang te maken” met het optuigen van het "sociale gezicht' van Europa, dat er bij alle consternatie over economische, monetaire en politieke unie wat bekaaid was afgekomen. De Vries: “Je dreigt door de Britse opstelling in het sociale beleid wel een soort Europa van twee snelheden te krijgen, maar ik heb toch goede hoop dat de Engelsen op betrekkelijk korte termijn wel eieren voor hun geld zullen kiezen en weer zullen instappen”.

Beslissend wordt, zo verwacht De Vries, de reactie van het internationale bedrijfsleven. Het Verenigd Koninkrijk mag dan wel denken dat het in Maastricht een concurrentievoordeel heeft behaald, bedrijven zullen er bij investeringen terdege rekening mee houden dat het dissidente EG-lid “vroeg of laat” weer aansluiting zal zoeken, zodat een nog ongewis voordeel sowieso van tijdelijke aard zal blijken. Bovendien staan er verkiezingen voor de deur, die ook zonder machtswisseling in Downingstreet tot een koerswijziging kunnen leiden. “Het komt vaker voor dat partijen die aan het bewind zijn na verkiezingen meer speelruimte hebben dan kort ervoor.”

De vermeende verbetering van de Britse concurrentiepositie na Maastricht stoelt volgens De Vries op de verkeerde veronderstelling dat "de elf' nu een sociaal beleid zullen voeren dat leidt tot een sterke stijging van hun produktiekosten. “Er staat helemaal geen Europese regelgeving op stapel waardoor onze concurrentiepositie nu ineens zodanig verandert, dat het Verenigd Koninkrijk veel gunstiger wordt als vestigingplaats”, zegt De Vries.

Vol goede hoop voor de toekomst van een sociale markteconomie in het verenigde Europa blikt De Vries terug op het half jaar dat hij de Sociale Raad - tussen de binnenlandse stormen over Ziektewet en WAO door - aanvoerde. Een stevige decemberbries huilt onheilspellend langs de ramen van het nieuwe departement van sociale zaken en werkgelegenheid aan de Haagse Anna van Hannoverlaan. Ook binnen is het “frisjes”, maar onaangenaam wil de minister het niet noemen. “Het went allemaal.”

De resultaten van zijn voorzitterschap overziend, oordeelt De Vries dat er “niet slecht gescoord” is. Drie (bindende) richtlijnen: over bescherming van zwangere werknemers, over beveiliging van mobiele bouwplaatsen en van andere gevaarlijke werkplekken. Twee dossiers losgetrokken die al heel lang vastzaten: over sociale verzekeringen van migrerende werknemers. En enkele (niet-bindende) aanbevelingen: over bevordering van kinderopvang en over bestrijding van sexuele intimidatie.

Bij elkaar is hij “niet ontevreden”. Zeker, met de minimum-voorschriften over de arbeidstijden en over de informatie en consultatie van werknemers in grote ondernemingen (Europese ondernemingsraden) - twee prioriteiten van het Nederlandse voorzitterschap - liep het mis. Maar nu het Verenigd Koninkrijk als notoire dwarsligger buitenspel staat, zullen beide richtlijnen niet lang meer op zich laten wachten, voorspelt De Vries, zonder dat zij het continent opzadelen met een concurrentienadeel. Wie durft trouwens nog vol te houden dat bedrijven waarin medezeggenschap beter is geregeld slechter presteren?

Bij de opsomming van de successen van het Nederlandse voorzitterschap mag volgens hem de beperking van pensioenaanspraken van bepaalde groepen vrouwelijke werknemers niet ontbreken. Als gevolg van een uitspraak van het Europese Hof van justitie (het zogenoemde Barber-arrest) “dreigden met terugwerkende kracht forse financiële claims”. Maar dit is volgens De Vries afgewend.

Niettemin bestaat ook bij hem twee weken na "Maastricht' nog onduidelijkheid over de vraag wat hierover nu precies is beslist en of dat ook voor het Verenigd Koninkrijk geldt. Want het is volgens De Vries niet uitgesloten dat 's avonds laat, toen het vliegtuig van de Franse president Mitterrand al warm draaide, de bijlage waarin de beperking van de claims werd beklonken “bij het verkeerde stuk terecht is gekomen”: niet bij het "protocol' (waarin de twaalf lidstaten verklaren dat zij het erover eens zijn dat het sociale beleid door elf lidstaten verder gestalte wordt gegeven), maar bij de "overeenkomst' (waarin de elf dit sociale beleid nader invullen). Dat lijkt een futiliteit, maar maakt een wezenlijk verschil. “Absoluut helder is het niet. Het zal uit de besluitenlijsten van Maastricht moeten blijken. Het is dezer dagen een van de boeiende dingen af te wachten wat daarin te lezen zal zijn”, aldus De Vries.

In deze gang van zaken ziet De Vries geen bevestiging van de critici, onder wie hoogleraar Europees sociaal zekerheidsrecht dr D.C.H.M. Pieters, die zei dat de overeenkomst van de elf “met grote haast in elkaar geflanst” lijkt. Wel vindt De Vries dat de ministers van buitenlandse zaken en de premiers de gevoeligheden in het sociale beleid hebben onderschat. “Men is eigenlijk pas in de loop van november gaan beseffen dat het sociale dossier wel eens een breekpunt zou kunnen worden.”

Door het wegvallen van het Verenigd Koninkrijk is het voor de overige elf gemakkelijker geworden unanimiteit te bereiken. Bovendien hebben zij een reeks sociale onderwerpen (waaronder informatie en consultatie van werknemers bij grote bedrijven) onder besluitvorming bij gekwalificeerde meerderheid gebracht. Ten slotte hebben zij de competentie van de Europese Commissie op sociaal terrein uitgebreid.

Deze drie wijzigingen maken “een zekere versnelling van het Europese sociale beleid mogelijk”, aldus De Vries, al heeft hij daar “geen overdreven verwachtingen” van. “Ik heb nooit gehoord bij de mensen die vinden dat de lidstaten hun sociale beleid in sneltreinvaart moeten harmoniseren. Daarvoor zijn de historisch gegroeide, nationale verschillen eenvoudig te groot. Je kunt wel op onderdelen harmoniseren, zoals bij veiligheid en gezondheid. Maar er is ook een aantal terreinen waarop er uit het oogpunt van subsidiariteit alle aanleiding voor is te zeggen: daar mag Europa zich niet mee bezig houden, zoals de beloning, het stakingsrecht, het recht zich te organiseren in vakverenigingen en het recht tot uitsluiting.”

Er is volgens De Vries nog een reden waarom het niet zo'n vaart zal lopen als de Europese werkgevers vrezen. “Aan regelgeving op sociaal terrein wordt vaak net zo lang gesleuteld totdat er nog maar heel weinig landen overblijven die er last van hebben. Er zit een boel symboolwetgeving bij. Als je echt kijkt naar het materiële belang van die regels voor het sociale beleid, dan kun je gerust de vraag stellen of ze wel die hoge prioriteit verdienen die wij eraan geven.”

Zo heeft het voorschrift over de bescherming van zwangere vrouwen - ook een prioriteit van het Nederlandse voorzitterschap - volgens De Vries “een grote symboolwaarde”. “Die richtlijn heeft betrekking op een materie die in vrijwel alle lidstaten al behoorlijk is geregeld en dat zou voor de richtlijn over de arbeidstijden ook wel eens kunnen gelden. Behalve in het Verenigd Koninkrijk is overal in de EG de gemiddelde achturige werkdag al geruime tijd gerealiseerd, dus wat wil Brussel nou nog meer? Ik heb ook wel eens het gevoel dat het Europees Parlement op sociaal terrein erg veel ambities heeft en op Europees niveau veel meer wil regelen dan strikt nodig is.”