De grootste donor, eerste investeerder en belangrijkste handelspartner; De glorieuze "come back' van Japan in Indonesië

JAKARTA, 28 DEC. Naast een hapje eten in Amerikaanse fast-food-tenten als Kentucky Fried Chicken en McDonald's is de uit Japan overgewaaide karaoke een van de populairste "buitenlandse' vormen van vrije-tijdsbesteding onder Indonesiës nieuwe middenklasse.

In halfverduisterde, comfortabel ingerichte lokalen, kan men eten en drinken in gezelschap van lieftallige dames. De gelegenheden zijn uitgerust met geavanceerde - vanzelfsprekend Japanse - video- en geluidsapparatuur. Op beeldschermen in alle hoeken van het etablissement zingen Indonesische sterretjes non-stop smartlappen van eigen en ook Westerse bodem. Als de gasten worden overmand door romantische gevoelens kunnen ze via een eigen microfoon meezingen met de beeld- en geluidsband. De teksten worden geprojecteerd op de videoschermen. De vaak ongeschoolde en door de drank onvaste stemmen vullen de karaoke-tenten met hoerige herrie.

Van Medan in Noord-Sumatra tot Jayapura in Irian Jaya vliegen de karaoke-lokalen als paddestoelen uit de grond. Kenichi Asano, correspondent in Jakarta voor het Japanse persbureau Kyodo, ziet de rage met lede ogen aan. “Indonesiërs die willen proeven van de Japanse cultuur, zouden beter een voorstelling van het kabuki-toneel kunnen bijwonen. Maar in plaats van kabuki exporteren we karaoke en Sony vaart daar wel bij”. Asano slaakt een diepe zucht en neemt een slokje van de sake die ons wordt geserveerd in een van de vele Japanse eethuizen van Jakarta.

De Japanse aanwezigheid in Indonesië manifesteert zich niet zozeer in culturele als wel in puur commerciële vorm. Het straatbeeld van Jakarta wordt gedomineerd door lichtreclames van bedrijven als Sony, Mitsubishi en Sumitomo. Menige Jakartaan heeft het niet over een fotozaak, maar over een “Toko Fuji”. En de doorgaande wegen van de Indonesische hoofdstad zijn drie keer per dag verstopt met Japanse auto's. Particuliere taalinstituten adverteren met hun cursussen Japans, want kennis van die taal vergemakkelijkt de toegang tot het bedrijfsleven.

Vijftig jaar nadat de keizerlijke troepen Zuidoost-Azië veroverden, heeft Japan een glorieuze come back gemaakt in de regio, zij het deze keer met zulke vreedzame middelen als leningen, investeringen en industrieprodukten. Cynische waarnemers beweren dat Japan nu pas de doelen heeft bereikt waarmee het destijds in Azië ten oorlog trok: een stabiele aanvoer van grondstoffen, goedkope arbeidskrachten en controle over de markt.

Japan exporteerde in de eerste helft van dit jaar voor 52 miljard dollar naar de rest van Azië (tegen 48 miljard dollar naar de Verenigde Staten en Canada) en importeerde voor 35 miljard dollar uit de regio (tegen 31 miljard uit de VS en Canada). Steeds meer Japanse bedrijven verplaatsen hun activiteiten naar Zuidoost-Azië om met de daar geldende lage lonen concurrerend te blijven op de Amerikaanse en Europese markt. De economische ontwikkeling van Thailand, Maleisië en Indonesië drijft goeddeels op hulp en investeringen uit en handel met Japan.

Tokio's favoriete partner in de regio is Indonesië. Japan is Indonesiës grootste donor, eerste buitenlandse investeerder en belangrijkste handelspartner in Azië. Bijna de helft van de Indonesische uitvoer - 12,7 miljard dollar in 1990 - gaat naar Japan, dat een groot deel van zijn olie betrekt uit Indonesië.

De grondslagen voor de huidige nauwe economische betrekkingen tussen Indonesië en Japan zijn gelegd in 1958 toen beide landen een verdrag tekenden over herstelbetalingen en diplomatieke betrekkingen aanknoopten. De projecten die uit de herstelbetalingen zijn gefinancierd, werden uitgevoerd door Japanse aannemers als Mitsubishi Construction, dat in Jakarta grote gebouwen neerzette als Wisma Nusantara en Hotel Indonesia. In die jaren kreeg het grote Japanse bedrijfsleven toegang tot de Indonesische markt.

Na 1965 werd het herstelbetalingsprogramma vervangen door Japanse bilaterale hulp. Jakarta krijgt jaarlijks 2 miljard dollar van Japan, de grootste donor binnen de Intergouvernementele Groep voor Indonesië (IGGI). Dat is liefst tweederde van de totale bilaterale hulp van de aangesloten donorlanden.

In het begrotingsjaar 1990-'91 verstrekte Japan in IGGI-verband 1,32 miljard dollar in de vorm van leningen, schenkingen en technische hulp en nog eens 500 miljoen buiten de IGGI om, in de vorm van leningen van de In- en Export Bank. Dit jaar is liefst 1 miljard dollar uitgetrokken voor snel besteedbare betalingsbalanssteun. De zachte leningen van 700 miljoen worden uitgekeerd door het Overseas Economic Cooperation Fund (OECF) in de vorm van projectsteun. Via de Japanese International Cooperation Agency (JICA) krijgt Indonesië nog eens 120 miljoen dollar in de vorm van schenkingen en technische hulp.

Het zwaartepunt van de projecthulp ligt op versterking van de infrastructuur. Dit jaar verstrekt Japan leningen op zachte voorwaarden voor 19 infrastructurele projecten, waaronder verbetering van het vliegveld van Balikpapan (Oost-Kalimantan), uitbreiding van de haven van Semarang (Midden-Java), de aanleg van een grote stuwdam annex waterkrachtcentrale in Kotapanjang (West-Sumatra), onderhoud van het wegennet en verbetering van het zeetransport in Oost-Indonesië. De kredieten zijn formeel niet-gebonden, maar het leeuwedeel van de contracten gaat naar Japans-Indonesische joint ventures. De rente over de concessionele leningen bedraagt momenteel 2,6 procent per jaar. Na tien jaar begint de afbetaling, uitgesmeerd over een periode van dertig jaar.

Indonesië neemt na de Verenigde Staten en Hongkong de derde plaats in op de lijst van landen waar Japanse ondernemingen hun kapitaal investeren. In 1987 bedroegen de rechtstreekse Japanse investeringen in Indonesië 454 miljoen dollar, in 1990 al 1,1 miljard. In de eerste tien maanden van dit jaar werd Japan tijdelijk van de eerste plaats verdrongen op de lijst van buitenlandse investeerders door Taiwan (1,04 miljard dollar in 50 projecten). Tot en met oktober van dit jaar stak Japan 769 miljoen dollar in 66 projecten. In termen van cumulatieve investeringen vanaf 1967 tot heden staat Japan nog steeds bovenaan met 11,04 miljard dollar, gevolgd door Hongkong met 4,17 miljard en Taiwan met 3,36 miljard op een totaal buitenlands investeringsbedrag van 47,25 miljard dollar.

Het door etnische Chinezen bestierde bedrijfsleven in Indonesië vormt een belangrijke schakel bij de Japanse investeringen. Zo beschikken Chinese conglomeraten als de Salim Groep en Astra over profijtelijke licenties voor de produktie van Japanse auto's en zijn ze een reeks joint-venture-overeenkomsten aangegaan met Japanse firma's.

Japanners houden zich over het algemeen aan de wettelijke minimumlonen die gelden voor de industrie. Toch klinken er veel klachten, vooral onder het Indonesische middenkader; een recente opiniepeiling wees uit dat men liever werkt voor Amerikaanse en Europese bedrijven. Men klaagde over de geringe talenkennis van de Japanse managers, over relatief lage salarissen, korte vakanties en karige sociale regelingen. “Wij hebben een hoop geleerd over Japan, maar wat hebben zij over ons opgestoken?”, vroeg een respondent. “Misschien zijn wij voor hen slechts een van die tropische landen met bananen en papaya's.”

Toch is een groot deel van de Indonesische elite pro-Japans. Dat geldt niet alleen voor de zakenlieden die rijk zijn geworden van hun transacties met de Japanners, maar ook voor de legertop en de intellectuele elite. De grondslagen voor het Indonesische leger werden gelegd tijdens de Japanse bezetting in de vorm van de PETA (Troepen ter Bescherming van het Vaderland), een vrijwilligerskorps samengesteld uit Indonesische jongeren. Een van hen was Soeharto, die na de Japanse inval deserteerde uit het koloniale leger en vrijwillig dienst nam bij de PETA. De persoonlijke connecties uit de bezettingstijd vormden in de jaren '50 de aanzet tot de eerste zakelijke transacties.

Onder de intelligentia leeft nogal wat sympathie voor Japan en ook dat is historisch verklaarbaar. Bekende schrijvers als Pramoedya Ananta Toer en Mochtar Lubis en de krantenuitgever B.M. Diah leerden het journalistieke vak in dienst van Japanse persorganen. Onder de Japanse bezetting mochten schrijvers zich bedienen van het Bahasa Indonesia. Zij menen dat Japan Indonesië hielp een eigen nationale identiteit te ontwikkelen en dat het land beslissend heeft bijgedragen aan de Indonesische onafhankelijkheid.

De Indonesische elite is ervan overtuigd dat al hun landgenoten pro-Japans zijn, maar dat is sterk overdreven. Veel gewone mensen moeten weinig hebben van de Japanners. Ouderen noemen de 3,5 jaar Japanse bezetting gruwelijker dan 300 jaar Hollands koloniaal bestuur. Eenvoudige Indonesiërs begrijpen weinig van de Japanners, die zij beschouwen als vreemde indringers.

Jonge Indonesiërs kijken over het algemeen vol bewondering naar Tokio. Omdat ongunstige berichten over Japan over het algemeen ontbreken in de Indonesische pers, zien jongeren dat land uitsluitend als een model van welvaart en efficiëntie. Minister Habibie van onderzoek en technologie stimuleert Indonesische jongeren om technische wetenschappen te studeren in Japan. Tokio stelt jaarlijks een kleine 200 beurzen beschikbaar. De ervaringen van Aziatische - ook Indonesische - studenten in Japan zijn niet onverdeeld gunstig; menigeen spreekt van discriminatie. Correspondent Kenichi Asano: “Zij komen tot de conclusie dat Japan vooral op het Westen is georiënteerd en weinig belangstelling heeft voor de culturen van Azië”.