CHRISTOFFEL COLUMBUS; Een zeevaarder op zoek naar een adellijke titel

Columbus door Felipe Fernández-Armesto 218 blz., geïll., Oxford University Press 1991, f 66,- ISBN 0 19 215 898 8

Christoffel Columbus is zo langzamerhand bezweken onder zijn eigen mythe. In de geschiedschrijving over hem zijn in ieder geval waarheid en fictie onontwarbaar met elkaar verknoopt geraakt. Onlangs heeft de historicus Felipe Fernández-Armesto geprobeerd in een prachtige biografie Columbus terug te brengen tot zijn historische proporties. En dat met het uitgangspunt dat alleen verifieerbare gegevens inzicht in de drijfveren van de ontdekkingsreiziger kunnen verschaffen.

Eén van de grootste problemen daarbij is dat de hoofdpersoon er zelf alles aan gedaan heeft om zijn eigen mythe te creëren. Zo legt Columbus in zijn geschriften voortdurend de nadruk op zijn sociale isolement en op het onbegrip dat er in het algemeen ten aanzien van zijn onderneming bestond. Latere historici hebben dat beeld nog verfraaid en Columbus geportretteerd als een eenzame, bevlogen man die zijn tijd ver vooruit was en vocht tegen de vastgeroeste denkbeelden van zijn tijd om zijn droom te verwezenlijken.

Fernández-Armesto laat weinig heel van dat beeld. In zijn ogen was Columbus geen eenling. In tegendeel, hij was voor alles een exponent van de koloniale traditie van de stadsstaat Genua. Als kapitein op Genuese handelsschepen had hij alle bekende zeeën bevaren. Toen Columbus de grote oversteek waagde, kende hij de Middellandse Zee al als zijn broekzak en had hij verscheidene tochten gemaakt naar Madeira, de Canarische eilanden en de Azoren. In Portugese dienst reisde hij zo ver noordelijk als Bristol en IJsland en zuidwaarts tot de monding van de Volta, waar de Portugese goudhandel was geconcentreerd.

Columbus' ervaring op deze routes, die relatief bekend waren aan het eind van de vijftiende eeuw, vormden een nuttige en in veel opzichten noodzakelijke voorbereiding voor zijn Atlantische oversteek. Bovendien waren de handelsfamilies uit Genua vanouds sterk gericht op de expansie van hun netwerken van commerciële posten in de richting van de Atlantische Oceaan. Columbus heeft zijn hele leven lang gesteund op de informele structuur van wederzijdse hulp die de Genuese families elkaar boden. Dit leidde ertoe dat hij tegen het einde van zijn loopbaan regelmatig ervan verdacht werd gemene zaken te maken met de handelselite van Genua tegen de belangen van de Spaanse kroon in.

BOLVORMIGE WERELD

Ook wat betreft zijn ideeën over de geografie van de wereld en zijn maritieme kennis was Columbus een kind van zijn tijd. Het idee van een bolvormige wereld werd aan het einde van de vijftiende eeuw al door weinigen meer betwist. Bovendien bestond er al gedurende tijd een fascinatie met de Atlantische ruimte. Kaartenmakers speculeerden over het bestaan van onbekende eilanden voorbij de horizon. Theorieën van Griekse geografen uit de oudheid hadden immers al het bestaan van onondekte werelden verondersteld, in het algemeen de Antipodes ("Tegenvoeters'), maar soms ook Antillia genoemd. Op basis van de geschriften van Marco Polo werd bovendien druk gespeculeerd over de lokatie van het eiland Cipangu (Japan).

Hoewel deze ideeën botsten met het religieuze geloof in het bestaan van één landmassa (een voorwaarde voor de gedachte dat alle mensen van Adam en Eva afstamden), werden zij in een aantal invloedrijke geografische werken - onder andere Pierre d'Ailly's Imago Mundi en ook de Historia Rerum van Piccolomini, de latere paus Pius II - als serieuze mogelijkheid besproken.

Eén vraag was nog onbeantwoord: hoe groot was de aardbol? Columbus verdedigde het standpunt waarin een kleine aarde met een nauwe Atlantische Oceaan tussen Europa en Azië centraal stond. Hij werd hierin gesteund door de Italiaan Toscanelli en de hierboven genoemde d'Ailly. Zij gingen uit van een afstand van vijfduizend zeemijlen tussen de Canarische eilanden en de oostkust van Azië. Columbus kwam op basis van zijn eigen ervaringen aan de Westafrikaanse kust tot de slotsom dat de wereld nog kleiner was.

Het is nu niet meer te achterhalen in hoeverre het hier om "wishful thinking' ging, maar feit is dat die veronderstelling een voorwaarde was voor zijn ontdekkingsreizen. Alleen in een "kleine' wereld zou het mogelijk zijn om via de west het Aziatische continent te bereiken. Zoals zo vaak leidde bij Columbus dus een verkeerd inzicht op de lange termijn tot een wetenschappelijke doorbraak.

Ook in een ander opzicht is de geïsoleerde positie van Columbus overdreven. Talloze malen is herhaald hoe hij in spe jarenlang moest bidden en smeken om toestemming en een financiële bijdrage te krijgen voor zijn reis. Het is misschien aantrekkelijk om Columbus te portretteren als een outcast, door Jan en alleman bespot, maar het is interessanter om te zien hoe zijn ideeën door de Spaanse monarchen serieus genomen werden. Zijn uiteindelijke succes heeft alles te maken met het feit dat er, binnen en buiten het Hof, een redelijke steun voor zijn denkbeelden bestond.

RIJKDOM

Al in 1486 verbleef Columbus op kosten van de Spaanse monarchie aan het hof van Castilië en de steun voor zijn ideeën groeide alleen maar in de daaropvolgende jaren. De verovering van de Canarische eilanden in de jaren na 1480 moet daarbij als de doorslaggevende factor worden beschouwd. Het Canarische eiland Gomera werd in 1489 definitief gepacificeerd. Slechts drie jaar later waagde Columbus vanaf dat eiland zijn sprong naar het onbekende! De verovering van de eilanden versterkte bovendien de positie van een groep marktgerichte ondernemers in de Spaanse hofhouding. Zij raakte overtuigd dat van de potentiële rijkdom van nieuw te veroveren gebieden. Dat zich daarbij een aanzienlijk aantal uit Genua afkomstige handelaren bevond, was een aardige bijkomstigheid.

Waarschijnlijk was de Spaanse kroon zelf minder geïnteresseerd in de verovering van nog meer eilanden in de Atlantische Oceaan, maar hoopte zij via een nieuwe weg naar Azië de kosten van de oorlog tegen de Arabieren te dekken en de Portugezen een hak te zetten. In de latere voorstellen van Columbus wordt Azië dan ook steeds meer als het doel van de expeditie naar voren gehaald.

Het verhaal van de tocht naar het onbekende van de drie kleine schepen van Columbus is te vaak verteld om hier te herhalen. Daarbij wordt vaak vergeten dat het nog tot in de zestiende eeuw duurde voor men een flauw idee begon te krijgen wat er nu eigenlijk ontdekt was. Om welk land ging het nu eigenlijk?

Ondanks het feit dat Columbus al tijdens zijn derde reis in 1498 het vermoeden uitte dat het wel eens om een nieuw, onbekend continent zou kunnen gaan, bleef hij op latere leeftijd halsstarrig vasthouden aan het idee dat hij Azië had ontdekt. Daar tussendoor suggereerde hij nog dat hij daarmee de weg naar het Hof van Eden had ontdekt. Tegelijk met dit soort bizarre speculaties, die overigens gebaseerd waren op de geschriften van Pierre d'Ailly, opperde hij ook dat de aarde waarschijnlijk geen perfecte bol was; een hypothese die naderhand juist bleek te zijn.

De houding van Columbus tegenover de lokale bevolking van de gebieden die hij ontdekte, werd gekenmerkt door ambivalentie. Hij had er in zijn rapportages alle belang bij het paradijselijke karakter van zijn ontdekking en de natuurlijke goedheid en dociliteit van de bevolking te beklemtonen, maar het was ook zijn taak om de potentiële rijkdom van de nieuw ontdekte gebieden te onderstrepen. Uit dit dilemma redde hij zich door het goedaardig karakter van de bevolking als bewijs aan te voeren voor haar geschiktheid als arbeidskracht.

"NAAKTE MENSEN'

De inheemse bevolking werd door Columbus vanaf het begin consequent beschreven als "naakte mensen'. Hij definieerde hen daarmee als "natuurmensen' die geen beschaving bezaten en zeker geen formele politieke instituties. Ondanks zijn nadruk op de "natuurlijke goedheid' van de bevolking, maakte deze interpretatie voor de Spaanse kroon de weg vrij om de soevereiniteit op te eisen. Zelfs als het gebied tot het Aziatische continent behoorde - waarvan de Europeanen op gezag van Marco Polo wisten dat er machtige staten bestonden -, dan nog legitimeerde de situatie van de lokale bevolking de koloniale pretenties van de Spaanse kroon.

Deze dubbelzinnigheid heeft Columbus zijn leven lang achtervolgd. Enerzijds was de latere beschermer van de Indianen, Bartolomé de las Casas, een groot bewonderaar van de geschriften van Columbus die hij veelvuldig citeerde om de onschuld van de Indiaanse bevolking aan te tonen. Anderzijds toonde Columbus keer op keer vooral geïnteresseerd te zijn in de exploiteerbaarheid van die bevolking en stelde hij zelfs voor de Indianen als slaven naar het Iberisch schiereiland af te voeren. Die ambivalentie omschreef Tzvetan Todorov in zijn prachtige La Conquête de l'Amérique. La question de l'autre (Seuil, 1982) met de opmerking: ""Columbus ontdekte Amerika, niet de Amerikanen.''

Dit alles leidde ertoe dat Columbus als administrateur van het eiland Hispaniola (nu de Dominicaanse Republiek en Haïti) ondubbelzinnig faalde. Ongehoorzaamheid van zijn Spaanse ondergeschikten, Indiaanse opstandigheid, honger, wanbeheer, sociale desintegratie; er was geen plaag waar het eiland niet door werd getroffen. De situatie verergerde zodanig dat Columbus in 1500 na zijn derde tocht gevankelijk naar Spanje werd teruggevoerd. Toen hij na lang wachten in 1502 toestemming kreeg voor een vierde ontdekkingsreis verbood Isabella hem expliciet om het eiland aan te doen.

MIDDELEEUWEN

Er is vaak opgemerkt dat Columbus eigenlijk een man uit de Middeleeuwen was. Als dat al waar is, dan koppelde hij dat aan een zeldzaam soort onbevangenheid ten aanzien van empirische waarnemingen. Al bij zijn eerste tocht had hij het vermoeden geuit dat de positie van de Poolster niet precies samenviel met het magnetische noorden en vanaf dat moment werd die gedachte gemeengoed onder wetenschappers en zeelieden. De gecompliceerde Atlantische winden wist hij al op zijn tweede reis in kaart te brengen. Zijn navigatie in de onberekenbare Caraïbische Zee dwingt ook nu nog bewondering af. Keer op keer bleek hij feilloos op zijn doel af te varen.

Als zijn meest imposante ontdekking moet toch de ontdekking, en interpretatie, van de monding van de Orinoco beschouwd worden. Als ervaren zeeman begreep hij al zeer snel dat de merkwaardige golfslag rond Trinidad waarin hij op zijn derde reis verzeild raakte, niets anders kon betekenen dan de monding van een ongekend grote rivier en dus het bestaan van een groot continent, ""waarvan tot op dit moment nog niets bekend was''.

Het is vanuit onze hedendaagse kennis fascinerend om te zien hoe dicht Columbus bij de oplossing van de geografische legpuzzel is geweest. Als hij de inheemse informatie over een doorgang naar een andere oceaan (waarbij waarschijnlijk de smalle landengte bij Panama bedoeld werd) niet verkeerd had begrepen, had hij waarschijnlijk zelf nog het bestaan van twee oceanen in plaats van één kunnen ontdekken.

Wie was nu deze man, die enerzijds zo sterk een kind van zijn tijd was, anderzijds zulke unieke eigenschappen bezat dat hij de speculaties en vermoedens van zijn tijd tot zijn persoonlijke obsessie wist te maken? De al eerder aangehaalde Todorov ziet hem vooral als een sociaal en cultureel geborneerde gelijkhebber. Hij was, zegt Todorov, eigenlijk nietgeïnteresseerd in het onbekende. Hij zoekt wat hij al weet en als het nieuwe niet overeenkomt met zijn voorspellingen, dan redeneert hij net zo lang tot het wel past.

ONBEVANGENHEID

Fernández-Armesto zoekt in zijn boek de sleutel tot Columbus' persoonlijkheid in een andere richting. Hij beklemtoont de bescheiden sociale afkomst van de zeevaarder en zijn tomeloze ambitie. Columbus stond zeker niet onverschillig tegenover de rijkdommen die zijn onderneming zou opleveren. Het ging hem echter maar om één ding: een adellijke titel voor hem en zijn familie. Elke gelegenheid die zich voordeed, greep Columbus aan om de Spaanse monarchen te doordringen van zijn adellijke aspiraties. En hoeveel hij ook aan vorstelijke willekeur moest slikken, hij slaagde er uiteindelijk in die erfelijke titel binnen te slepen.

Uiteindelijk moet volgens deze biografie de verklaring voor het succes van Columbus dus vooral worden gezocht in zijn grote onbevangenheid allerlei tegenstrijdige informatie te absorberen. Vele onderzoekers hebben er al eerder op gewezen dat de bronnen waarop Columbus zich baseerde zo'n willekeurig geheel vormden. Hij las de boeken die hem bevielen en geloofde degenen die hem in zijn ideeën steunden, of het nu om geografische, theologische of technische zaken ging. Hij was een persoon die in principe alles voor mogelijk hield zonder dat dat ten koste ging van zijn overtuigingskracht en onverzettelijkheid. Het was deze combinatie van eigenschappen die Columbus, misschien wel ondanks zichzelf, in staat stelde door bestaande wereldbeelden heen te breken.