BLOED EN SPELEN BLOED EN SPELEN; Azteken vonden in mensenoffers de zin van het bestaan

Aztecs. An Interpretation door Inga Clendinnen 398 blz.; geïll., Cambridge University Press 1991, f 97,55 ISBN 0 521 40093 7

In een droom kun je de Nacht-Bijl ontmoeten, een menselijke romp zonder hoofd, die snel over de aarde glijdt. Telkens gaat de gespleten borstkas open en slaat weer dicht met een dof geluid, als van een bijlslag. Wie zijn lot wil weten, en dapper en snel genoeg is, kan met het wezen worstelen en het dwingen te spreken. Soms blijft het zwijgen. Dan is het zaak het juiste moment af te wachten en een hand in de gapende borstkas te steken om het zijn hart uit te rukken.

Dit monster spookte rond in de dromen van de Azteken. Het is een kleine aanwijzing dat hun gewoonte om tijdens religieuze rituelen op grote schaal mensen om te brengen hen niet onberoerd liet. Aan de andere kant is het volstrekt duidelijk dat de Azteken zich er niet voor schaamden. De mensenoffers vormden de kern van hun cultuur. Het zijn hun eigen afbeeldingen die laten zien hoe het bloed langzaam van de treden van de offerpyramiden droop, hoe de uit de borstkas van de slachtoffers gerukte harten in de opengesperde monden van de godenbeelden gepropt werden. Meer dan dertig jaar na de verwoesting van het Azteekse rijk door de Spaanse conquistadores waren oude mannen nog bereid om tot in het kleinste detail over deze feesten van vroeger te vertellen.

Mensenoffers waren in Midden-Amerika gebruikelijk, maar de Azteken onderscheidden zich door de hoge aantallen slachtoffers. Dat gold zeker voor de ceremoniën die de belangrijkste momenten in hun heerschappij markeerden. Bij de inwijding van de nieuwe tempel voor hun oorlogsgod Huitzilopochtli, onlangs opgegraven onder het plein van de kathedraal van Mexico-Stad, werden wellicht twintigduizend mensen gedood. Ook de talrijke jaarlijkse feesten eisten veel slachtoffers, al zijn precieze aantallen onbekend.

Er is eigenlijk niet zoveel nagedacht over dit gebruik. De meeste studies naar de Azteken richten zich op de harde, feitelijke aspecten van hun bestaan, op de sociale en politieke ordening van hun samenleving en de economie van hun rijk. De verklaringen die voor de mensenoffers naar voren zijn gebracht, dragen een simpel karakter. De slachtingen zouden voorzien in een aanvulling op een proteïnen-arm dieet (een recente hypothese, die inmiddels volstrekt afdoende is weerlegd), of een middel vormen waarmee een cynische elite het volk van afleiding en opwinding voorzag, of een soort technologie zijn waarmee de priesters de wereld gaande meenden te houden (door de zon met mensenharten van nieuwe energie te voorzien), of een theater van terreur zijn, dat de roem en de macht van de Azteekse staat tot uitdrukking bracht.

RELIGIE EN CULTUUR

BELEVING

Inga Clendinnen, Australisch historica en schrijfster van het geroemde en bekroonde Ambivalent Conquests. Spaniard and Maya in Yucata, 1517-1577 (1987), probeert in haar recent verschenen Aztecs. An Interpretation de verschillende manieren te beschrijven waarop de Azteken de zin van de offers begrepen. Het gaat haar niet om hun opvatting of rechtvaardiging van hun eigen gewoonten en gebruiken, maar om hun beleving daarvan. Haar prachtige boek is een triomf van verbeeldingskracht en voorstellingsvermogen. Ze slaagt er vergaand in de lezer te laten erkennen dat het uitbundige rituele geweld van de Azteken een originele en rijke vormgeving van het menselijk bestaan tot uitdrukking bracht.

Clendinnen biedt geen geschiedenis van de Azteken, maar een beschrijving van hun cultuur in de laatste decennia voor de komst van de Spanjaarden in 1520. De Azteken waren toen de belangrijkste groep in Midden-Amerika. Hun stad, Tenochtitlan, telde meer dan tweehonderdduizend inwoners en was het centrum van een rijk dat van kust tot kust strekte. Stad en rijk waren recente scheppingen. De Azteken waren, volgens hun eigen mythes, een van de laatste groepen die zich vestigden in de oeroude cultuurzone die gevormd werd door de Vallei van Mexico, onder de Popocatepetl en rond het meer van Texcoco. Pas in de vijftiende eeuw slaagden ze er in daar de overheersende politieke macht te worden. De uitbreiding van hun rijk buiten de Vallei was, ten tijde van de entree der Spanjaarden, iets van de laatste halve eeuw.

Het Azteekse rijk leek niet op dat van Rome. Tenochtitlan had tientallen andere steden aan zich onderworpen, maar ze niet geïncorporeerd. Het rijk had geen bureaucratie. Het beschikte nauwelijks over garnizoenen. De Azteken hieven tribuut en vroegen erkenning als rechtmatige heersers. Ze wensten door de andere steden beschouwd te worden als legitieme erfgenamen van het legendarische rijk van de Tolteken. Maar ze probeerden op geen enkele manier van hun rijk een eenheid te maken. Plaatselijke dynastieën werden vrijwel altijd intact gelaten. Verschillen tussen de steden werden beklemtoont.

De onderwerping van de andere steden aan de Azteken berustte niet op bureaucratische dwang, maar bleef een zaak van eigen keuze, al dan niet afgedwongen door de dreiging met geweld. Wanneer een bondgenoot of onderworpen stad geen tribuut afdroeg, werd ze gestraft door een militaire expeditie. Uitbreiding van het rijk verliep op dezelfde manier. De Azteken vroegen een stad om een bijdrage aan een bouwprojekt of een tribuut. Ingaan op zo'n verzoek was een teken van onderwerping. Weigeren leidde onafwendbaar tot militaire bestraffing.

Bij de grote gelegenheden van staat, wanneer de Azteekse priesters honderden krijgsgevangenen afslachtten, waren ook altijd heersers van andere steden, vijanden en mogelijke vijanden, op uitnodiging aanwezig. Het politieke doel van dergelijke feesten ligt voor de hand. Toch wil Clendinnen de mensenoffers van de Azteken niet alleen beschouwen als een oefening in terreur. De bloederige rijkscultus was, zo betoogt ze, nauw verweven met de alledaagse godsdienstige rituelen van het volk. De cultuur van de Azteken beschouwt Clendinnen dan ook als een eenheid. Dat is binnen het door nogal wat simpele marxistische theorievorming geplaagde onderzoek naar de Azteken een enigszins uitzonderlijke positie.

Priesters droegen er zorg voor dat de rond wijk of beroepsverband georganiseerde groepen binnen Tenochtitlan bij toerbeurt een bijdrage leverden aan de grote feesten. De uitgebreide rituelen vormden een soort straattheater dat zich afspeelde in een aanzienlijk deel van de stad, en dat werd bijgewoond door de hele bevolking. Het hoogtepunt van de eigen cultus van de verschillende beroepsgroepen vond ook altijd plaats in het centrum. Zoals wanneer de zoutwerkers de slavin die ze gekocht hadden om Vrouwe Zout te personifiëren zagen dansen en sterven voor het altaar van Tlaloc, op de grote pyramide.

STRIKTE WETTEN

Ontegenzeglijk bestonden er grote sociale verschillen binnen Tenochtitlan. De snelle groei van de stad, gevolg van de uitbreiding van het rijk, had ook de verschillen tussen de Azteken onderling doen toenemen. Die differentiëring had zich vertaald in strikte wetten betreffende de kleding en het toegestane gedrag van de verschillende sociale groepen. Binnen Tenochtitlan bestond onvoorstelbare weelde naast honger.

Clendinnen gelooft niet dat deze bittere maatschappelijke verschillen een eigen volkscultuur naast de cultuur van de elite deden ontstaan. Het verband tussen sociale tegenstellingen en wereldbeeld is subtieler. De toon van de machtsuitoefening op aarde vertaalde zich in de manier waarop de Azteken zich de verhouding tussen goden en mensen, tussen het heilige en de menselijke samenleving voorstelden.

Op aarde was die toon grimmig. De heerser van de Azteken werd door zijn onderdanen omschreven als ""onze heer, onze beul en onze vijand'. De machtigen eisten van de geringen gehoorzaamheid, achting en eerbied. Ze verwierpen ieder recht dat de geringe aan het vervullen van deze onderwerping zou kunnen ontlenen. In de Azteekse machtsverhoudingen bestond geen wederkerigheid.

Wederkerigheid bestond ook niet tussen goden en mensheid. Tezcatlipoca, de Heer van het Hier en Nu, meester van het menselijk lot, werd voorgesteld als zo'n Azteekse heer: trots, vrijwel ongevoelig voor eerbewijzen, willekeurig en onvoorspelbaar. De mensenoffers waren ook een wanhopig middel om de aandacht te trekken van zulke onverschillige goden, zoals ook op aarde alleen een buitensporig betoon van volkomen onderwerping een kans bood de aandacht van een heer te trekken.

Zomin als tussen volk en elite, wil Clendinnen weten van fundamentele verschillen in waarden binnen de elite. Het overheersende ideaal in de Azteekse cultuur was dat van de krijger. De hoogste manier van leven was die van een man, geboren en opgeleid voor de strijd, bestemd voor wonden en dood. Het ideaal was tegelijkertijd wijd verspreid en intens individueel. Eer en roem verwierf men zich door het aantal malen dat men in een man-tegen-man gevecht een krijger van een andere stad gevangen nam.

Dit ideaal leidde tot intense concurrentie tussen de krijgers, waarbij de succesvollen pochten op hun verdiensten en op de anderen neerkeken en hen minachtten. Nooit kon men op zijn lauweren rusten. Ook ervaren krijgers, edelen en overwinnaars in tal van gevechten, moesten telkens weer hun reputatie op het spel zetten, met het risico dat zij op hun beurt gevangen werden en eindigden op de offersteen van een vijandelijke stad.

AFPERSING

Men heeft wel verondersteld dat de grote kooplieden van Tenochtitlan een eigen, burgerlijker en voor ons herkenbaarder ethos aanhingen. Zij waren als groep hoogstwaarschijnlijk ouder dan de stad. Hun verhouding met de Azteekse edelen was moeizaam. Ze kochten plundering en onderdrukking af door de krijgsheren geschenken te geven bij gelegenheden die maar moeilijk van afpersing te onderscheiden zijn. In hun deelname aan de cultus werden ze aan de krijgers geassimileerd. Op het grote feest van Panquetzalizti mochten ze slaven aanbieden om geofferd te worden als surrogaat voor krijgsgevangenen. Dat waren dure slaven en ze leverden de kooplieden aanzien en prestige op.

Deze deelname is beschouwd als een burgerlijke leugen, lippendienst aan waarden die de kooplieden vreemd bleven, slechts gebracht om niet op te vallen. Clendinnen wijst er op dat de kooplieden hun fantasie krijger te zijn uitleefden tot het eind. Na het offer liet de koopman het lichaam naar zijn huis brengen, waar een maaltijd van mais en menselijk vlees werd bereid, zodat hij het vlees van zijn "gevangene' kon delen met zijn verwanten, net zoals een echte krijger dat deed. We vangen ook een glimp op hoe de kooplieden soms, dronken op een feest, onder elkaar pochten op hun daden in termen die aan het krijgers-ethos waren ontleend. Ze waren dan trots op hun ontberingen en hun moed, niet op hun sluwheid of op hun winsten.

Het krijgerschap was, kortom, de hoogste vorm van leven voor de Azteekse man. Clendinnen wijst er op hoezeer de succesvolle vervulling van dat bestaan afhankelijk bleef van anderen en het lot. De krijger toonde zijn prestaties in de details van zijn uitbundige kleding. Deze publieke presentatie vormde zijn identiteit. Maar zijn medekrijgers konden hem vanwege een kleine overtreding zijn kleding ontnemen, zijn oorlogslok afknippen en hem buiten hun wereld stoten. De nederlaag in een tweegevecht kon leiden tot de ultieme ontluistering, wanneer hem als gevangene zijn kleren werden ontnomen en hij met kalk en witte veren bestoven naar een offersteen geleid werd.

MACHT VAN TOEVAL

De mannelijke identiteit is een kwetsbare sociale schepping, die gemaakt of vernietigd wordt door publieke handelingen en het toeval. De Azteken waren diep overtuigd van de macht van het toeval, van de grilligheid van Tezcatlipoca. Al hun spelen waren eigenlijk kansspelen, waarbij het toeval een beslissende overwinning kon brengen, ongeacht de inzet en de vaardigheid van de spelers.

Overal zagen de Azteken de zwakheid en kwetsbaarheid van het menselijk bestaan. Zelfs het rijk van de Tolteken, die moeiteloos hadden kunnen heersen omdat hun heerschappij vanzelfsprekend was en door iedereen werd erkend, was uiteindelijk ten onder gegaan. Menselijke inspanning brengt geen zekerheid. Het is begrijpelijk dat binnen een dergelijk wereldbeeld zelfs een confrontatie met de Nacht-Bijl te verkiezen leek boven onzekerheid over de toekomst.

Het lot van de krijger die wordt geofferd, maakt de kwetsbaarheid van iedere menselijke sociale schepping duidelijk. In dat offer toont zich even de werkelijkheid zelf en openbaart het heilige zich. De Azteken keken scherp naar hun eigen manier van leven en verdoezelden de kosten daarvan niet. De jonge krijger die zijn verwanten het vlees van een gevangene aanbood, droeg de witte veren en de kalk die hem kemmerkten als toekomstig slachtoffer.

Clendinnen weet overtuigend te schetsen hoe voor de gevangen krijger de aanvaarding van zijn lot op de offersteen een bevrijding uit een door het toeval geregeerde wereld kon betekenen. De dwang om zichzelf te realiseren viel weg, nu eindelijk zijn bestemming duidelijk was geworden.

ROL VAN DE VROUW

In het leven van de man openbaarde het heilige zich aldus op het slagveld of de offersteen. Het goddelijke nam bezit van het leven van de Azteekse vrouw wanneer zij beviel van een kind. De rollen van de seksen werden door de Azteken scherp en weinig origineel onderscheiden. De rol van de vrouw was in het huis. Zij kon niet in het openbaar optreden en dus geen ware eer verwerven. Aan de andere kant beschikten vrouwen waarschijnlijk over meer vrijheid in hun dagelijkse keuzen dan de mannen.

Er rustten geen taboes op seksualiteit of menstruatie. De godenwereld was seksueel niet zeer stabiel. Veel goden hadden een mannelijke en vrouwelijke vorm. Het Aardmonster, doorgaans en typisch aangeroepen als een vrouwelijk wezen, kon ook als man betiteld worden. In zo'n voorstellingswereld is het verschil tussen man en vrouw niet in de diepste werkelijkheid verankerd en dus ook niet wezenlijk. De Azteekse man en vrouw hadden, hoe scherp hun rollen ook vanaf de geboorte onderscheiden werden, hun menselijkheid gemeen, eerder dan dat hun naturen verschilden. Het beeld van geweld of strijd voor de seksuele handeling was de Azteken vreemd.

Het vermogen van de vrouw om leven voort te brengen, verbond haar in de voorstellingswereld van de Azteken met de machten van de aarde. De schoot van de vrouw en die van de aarde werden gelijk gesteld. Dit was een huiveringwekkende identificatie. De Aardmoeder had bij de schepping pas planten willen voortbrengen toen ze door de goden gedrenkt was in menselijk bloed en zij haar gevoed hadden met menselijke harten.

Op de onderkant van de schalen die waren bedoeld om het bloed en de harten van de geofferde mannen en vrouwen op te vangen, staat zij altijd afgebeeld, met haar onverzadigbare muil wijd open, grote klauwen bij knie en elleboog, knielend in de houding waarin de Azteekse vrouwen bevielen. De barende vrouw bracht deze verwoestende goddelijke macht in het binnenste van het huis.

Mannen ontmoetten het heilige als krijgers, op het slagveld of op de offersteen van een vijandelijke stad. Vrouwen ontmoetten het heilige, werden er door bezeten, tijdens de bevalling. Beide soorten ontmoeting berustten op de voorstelling dat de mens en de planten die de aarde voortbrengt nauw zijn verbonden.

VILLEN VAN MANNEN

Het feest van Ochpaniztli markeerde ieder jaar het einde van het agrarische seizoen en het begin van de tijd van oorlog. Het hoogtepunt werd gevormd door de confrontatie tussen Toci, "Onze Grootmoeder', de meest algemene aanduiding voor de machten van de aarde, en de krijgers van de Azteken. Het ritueel was briljant geregisseerde horror. Een naakte priester, slechts gehuld in de huid van een door hem geofferde vrouw, representeerde Toci. Bovenop de grote pyramide werd zij aangekleed, opgemaakt, voorzien van haar onderscheidingstekens en hoofdtooi. Zo transformeerde ze zich langzaam, steeds iets meer van haar ware aard prijsgevend, van de welwillende hoedster van het huis in de genadeloze meesteres van de oorlog, de onverzadigbare verslindster van mannen.

Het christendom meent dat wijn en brood in bloed en vlees veranderen, en geeft daarmee het belang weer dat het aan het individuele menselijke lichaam hecht. De Azteken dachten dat bloed en vlees veranderen in water en mais. De mens is deel van de cyclus van de vegetatieve wereld. Op Tlacaxipeualiztli, het feest van het Villen van Mannen, droeg de jonge krijger de huid van zijn slachtoffer totdat die rottend, als het opengebroken omhulsel van de maiskolf, op de aarde viel.

Het was een bittere oefening voor zijn eigen dood en ondergang, maar ook een aanschouwelijke les over de band tussen mens, aarde en plant. Als op zijn feest zijn verwanten een stukje menselijk vlees op een schotel van gedroogde mais in hun mond namen, leerden zij dat die twee ogenschijnlijk zo verschillende substanties in werkelijkheid deel hadden aan één cyclus.

Hier vindt Clendinnen de diepste zin van de rituelen die op de pyramiden werden voltrokken. De Azteken hadden met zorg hun samenleving geconstrueerd, met scherpe onderscheidingen tussen mannen en vrouwen, tussen heren en volk, tussen henzelf en de anderen. Ze wisten dat het typisch iets voor de mens is om zijn wereld zo te ordenen. Ze wisten ook dat het heilige zich van zo'n menselijke orde niets aantrekt.

Onder de oppervlakkige boodschap van de grote rituelen die in Tenochtitlan werden opgevoerd - zie hoe glorieus de Azteken heersen! - werd een veel ontwrichtender boodschap verkondigd. De talrijke slachtoffers waren ontdaan van de onderscheidingen en de aanduidingen van hun rang waarvoor ze hun leven op het spel hadden gezet. Hun nog resterende individualiteit ging verloren in het massale karakter van de slachting. Voor de toeschouwer was ieder afzonderlijk slachtoffer niets dan nog een lijk dat van de pyramide naar beneden gleed.

Op de pyramiden werd getoond hoe het goddelijke, de eigenlijke werkelijkheid, al de onderscheidingen van rang en stand en geslacht verwoest waarop iedere menselijke samenleving berust. De mensen zijn deel van een eeuwige cyclus van transformaties tussen plant en mens. De mens heeft daarin geen bijzondere status. Iedere menselijke samenleving is niets anders dan een constructie, een manier om die cyclus te leren aanvaarden.