Betreft: Mestoverschot

Zeer geachte mr. Koning,

Vorige week zijn we voor u op stap geweest met Guy Smeets. Hij is een gezonde Limburgse boerenzoon van 33 jaar, die bij de Algemene Inspectiedienst (AID) van het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij een van de ongeveer veertig controleurs is die zich - het moet hier alvast maar worden gezegd - met gemengde gevoelens bezighouden met de uit 1987 daterende Meststoffenwet. Die wet is samen met de Wet Bodembescherming bedoeld om te voorkomen dat er teveel van de in mest aanwezige fosfaat in het milieu terechtkomt.

Ongeveer drie keer per week begeeft Smeets zich ten plattelande. Hij is dan gewapend met indrukwekkende vellen computeruitdraaien, die het cijfermatige doopceel van de te bezoeken boeren bevatten, plus een zakrekenmachientje en een dikke bundel met alle bepalingen van de Meststoffenwet.

Smeets is een inschikkelijke man, die huiselijke praatjes met de boeren houdt en zegt dat hij niet voor elke vastgestelde "oneffenheid' processen-verbaal opmaakt “want dan kun je wel blijven schrijven”. Door gebrek aan mankracht moet de AID prioriteiten stellen. Men komt alleen bij verdenking of na het ontvangen van tips in actie.

De Meststoffenwet schrijft voor dat de boer een mestboekhouding moet voeren, waarin hij maandelijks soort en aantal dieren bijhoudt. Aan de hand daarvan wordt de mestproduktie, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, berekend. Komt een boer boven de toegestane hoeveelheid, dan moet hij een overschotheffing betalen die hem door het Bureau Heffingen in Assen wordt opgelegd. Die heffing ligt op ongeveer 50 cent per kilo. De Meststoffenwet is weer gekoppeld aan de Wet Bodembescherming, die bepaalt hoeveel mest er per hectare op de grond mag worden uitgereden. Op geknoei met de boekhouding staan boetes. “Maar als blijkt dat het economisch voordeel van overtredingen groter is dan de boete, dan zit de kans er in dat de boer blijft doorgaan met malverseren”, zegt Smeets.

De controles van Guy Smeets hadden plaats bij een varkenshouder in Stramproy en een kippenhouder in Maasniel bij Roermond. Tegen beiden was verdenking gerezen omdat hun eigen gegevens en die van het Bureau Heffingen over 1990 niet met elkaar klopten. Er was, zo te zeggen, een hoeveelheid mest zoek.

De varkenshouder heeft per ongeluk, naar hij zegt, cijfers in een verkeerde kolom ingevuld. Spoedig ligt de keukentafel vol met paperassen. Zijn verhaal blijkt te kloppen.

De kippenhouder, die voor het eerst sinds de invoering van de Meststoffenwet een AID-controle krijgt, heeft in de afgelopen jaren nauwelijks iets aan zijn mestboekhouding gedaan. Hij krijgt daarvoor een proces-verbaal. Smeets houdt per jaar ongeveer tweehonderd controles, waarbij het in de helft van gevallen tot processen-verbaal komt. Te uwer informatie, mijnheer Koning, de controle op de beide bedrijven was puur administratief. In beide gevallen werd de stal wel geroken, maar niet bezocht.

Tussen de twee controles lunchten we in een restaurant in Horn. Daar zat, naar herhaaldelijk werd verzekerd puur toevallig, ook de heer J. Jirka, chef van de zeven controleurs van de Meststoffenwet in het district Limburg. Hij klaagde dat de controle moeizaam, soms zelfs onmogelijk is en dat veertig controleurs te weinig zijn om op verantwoorde wijze toe te zien op de handhaving van de Meststoffenwet. Bovendien gebeurt alles altijd achteraf. Dus pas dit jaar wordt gecontroleerd, wat een boer vorig jaar mogelijkerwijze aan onoirbaars met zijn boekhouding of overtollige mest heeft gedaan. Daardoor wordt het leveren van het bewijs vaak buitengewoon moeilijk omdat de bewijsstukken weg zijn en men niet meer op getuigenverklaringen kan terugvallen.

“Het komt vaak voor dat er een gat zit tussen de officiële registratie en wat de boer op schrift heeft gesteld”, houdt Smeets ons gedurende de dag herhaaldelijk voor. “Dan wordt het moeilijk alsnog te achterhalen wat er met dat gat is gebeurd. Is de mest clandestien verhandeld? Of is ze wellicht op het eigen land gedumpt? Voor de rechter moet je bewijzen hebben. Als je de boer ernaar vraagt, dan zegt die: zoek het zelf maar uit, want de omgekeerde bewijslast is er niet.”

Volgens zijn chef Jirka is het daardoor heel goed mogelijk dat er mest op een verkeerde plaats in het milieu terechtkomt. “Maar”, zo zegt hij, “misschien is het ook wel de bedoeling van de regelgeving omdat, als alle gaten voor honderd procent gedicht zouden worden, men met een gigantische hoeveelheid mest zou komen te zitten, die men op legale wijze niet kwijt zou kunnen raken.” Bij het ministerie van Landbouw, waar deze brief aan U voor verzending gelezen werd, zegt men overgens dat de suggestie van opzettelijke lekken in de regelgeving nonsens is.

Maar de mensen van de AID hebben meer klachten. Bijvoorbeeld over het feit dat er volgens de regelingen maar liefst 75 verschillende soorten mest bestaan, die allemaal een code hebben. “Die grote verscheidenheid maakt de zaak extra gecompliceerd omdat je bij elke soort een andere berekening moet maken om uiteindelijk aan de fosfaatproduktie te komen. De boer kan dus 75 keer een verkeerde code gebruiken waardoor hij de opgegeven fosfaatproduktie in zijn voordeel kan beïnvloeden”, zeggen Smeets en Jirka. Bovendien komen er per 1 januari nieuwe afleveringsbewijzen. Daarop zullen, tot teleurstelling van de AID-controleurs, minder gegevens worden opgenomen waardoor de mogelijkheid om te controleren waar de mest heengaat nog kleiner wordt.

We kunnen, kortom vaststellen, geachte heer Koning, dat de mestwetgeving redelijk ingewikkeld, moeilijk te handhaven en op verschillende punten fraudegevoelig is. En dat het gewenste resultaat, namelijk dat de mest geen schade toebrengt aan het milieu, daardoor maar ten dele wordt bereikt.

Met gepaste hoogachting, MAX PAUMEN