"ALL ABOARD!'

We Took the Train door H. Roger Grant (red.) 212 blz., geïll., Northern Illinois University Press 1990, f 65,60 ISBN 0 87580 156 0

Nog steeds is het eigenlijk een raadsel waaròm de Amerikanen na de komst van het vliegtuig en de personenauto zo massaal hun treinen de rug hebben toegekeerd. Overal ter wereld heeft de motorisering weliswaar tot de opheffing van een groot aantal minder belangrijke spoorlijnen ingeluid, maar op de hoofdlijnen daarentegen heeft het personenvervoer over rails juist een wedergeboorte beleefd. In de Verenigde Staten daarentegen dus niet, met uitzondering van de lijn New York-Philadelphia-Baltimore-Washington, hoewel één trein in de twee uur tussen die miljoenen-agglomeraties niet bepaald een zeer frequente verbinding mag heten.

Tientallen Amerikaanse steden ter grootte van Eindhoven of Utrecht hebben hun stations al in de jaren zestig gesloten. De nationale maatschappij voor reizigerstreinen, Amtrak, onderhoudt op enkele trajecten een soort noodverbinding met één trein per dag. Los Angeles Union Station bijvoorbeeld, met veertien perrons toch groter dan Amsterdam CS, ziet per dag minder treinen dan Lochem of Hindeloopen.

En dat terwijl ooit veel maatschappijen in de VS juist apetrots waren op hun prachtige passagierstreinen. Al sinds vorige eeuw waren Amerikaanse langeafstandstreinen complete reizende steden, met alle soorten accommodatie: bars, restaurants, uitzichtwagens, kappers, dokters, winkels, uitleenbibliotheken, strijkjes, bruidsuites en geestelijke verzorgers. Het vertrek van een supertrein als de "Twentieth Century Limited' ("Limited' staat voor: "alleen toegankelijk voor reizigers die een bed hebben besproken') van New York naar Chicago was een ritueel dat wel is vergeleken met het opdragen van een mis: rode lopers, muziek, speciale verlichting, conducteurs in gala-uniformen, en de stationschef van de Grand Central-kathedraal in de rol van aartsbisschop.

Hoe dan ook, het is er allemaal niet meer, en het boek We Took the Train zal in de VS dan ook wel als een nostalgie-uitgave worden geschouwd. Voor de Europese lezer die in Amerika is geïnteresseerd, biedt dit boek echter iets nieuws. Samensteller is de historicus H. Roger Grant, die naast universitair docent hoofdredacteur is van een wetenschappelijk tijdschrift over de geschiedenis van de Amerikaanse spoorwegen. Hij bundelde eenentwintig zeer uiteenlopende verslagen van een treinreis door de VS.

Het scala aan auteurs dat hij laat instappen, reikt van naamloos tot wereldberoemd (Robert Louis Stevenson, Charles Dickens). We rijden mee als krijgsgevangene in de Amerikaanse Burgeroorlog, als verstekeling op het dak van een goederentrein tijdens de Depressie, als soldaat in een troepentrein richting Korea, als machinist van de "Century' in 1928.

Wat de reisverslagen zo leesbaar maakt, is dat ze bijna allemaal onopgesmukt zijn. De meeste auteurs willen gewoon vertellen wat ze hebben meegemaakt. Spoorwegtechniek komt in het boek vrijwel niet voor. Het gaat om wat en vooral wie de reiziger onderweg tegenkomt. Charles Dickens observeert in de trein van Boston naar Lowell, Massachusetts, dat Amerikanen zo vreselijk veel praten, en dat de mannen zonder uitzondering roken als schoorstenen.

Dat laatste zal men nu niet meer meemaken, maar toen ik enige jaren geleden de VS per trein doorkruiste, viel ook mij op hoeveel er aan boord werd afgekwebbeld. Terwijl het grandioze natuurschoon achter de ramen niet méér aandacht kreeg dan een tv-toestel dat maar niet wordt afgezet. De enigen die weleens hun mond hielden, waren de meereizende Indianen.

De meest "aparte' relazen in het boek zijn de verslagen van een reis als "hobo'. Tot aan de Tweede Wereldoorlog kende Amerika een hele subcultuur van "hobo's': tienduizenden losgeslagen mannen zwierven op, onder en in de eindeloos lange goederentreinen door het land op zoek naar werk en warmte. De spoorwegpolitie joeg op hen, martelde hen en schoot hen zelfs wel dood als dat zo uitkwam, want de "hobo' was vogelvrij.

Daarom moesten de soms honderden illegale reizigers in één en dezelfde trein zich verschuilen op het dak of onder de lading, of balancerend op een koppeling tussen twee wagons. Velen vroren onderweg dood. Maar langs elk Amerikaans emplacement stond ergens wel een huis waarop een hobo onopvallend een kruisje had gekalkt of gekrast: daar kon een lotgenoot rekenen op mensen die weleens een kop koffie of een bord warm eten gaven.