Agressie in psychiatrie nog in taboesfeer; Verpleegkundigen weten zich soms geen raad met een patiënt

CASTRICUM, 28 DEC. Zelf heeft hij het een keer meegemaakt. Zo'n 20 jaar geleden werkte hij voor de St. Jorisstichting in Delft, een psychiatrische instelling. Hij draaide die nacht in zijn eentje dienst. Met een ziekenauto werd een agressief patiënt met een delirium binnengebracht. Het ambulancepersoneel had niet gecontroleerd of hij spullen in zijn jaszak had. “'s Ochtends om vier uur stond hij met een revolver voor me. Ik schrok me dood. Natuurlijk heb ik hem laten gaan.”

L. Regeer, die tien jaar in de psychiatrie werkte, beseft dat zijn ervaring een extreem voorbeeld is van agressie van psychiatrische patiënten. Hij geeft sinds kort cursussen aan psychiatrisch verpleegkundigen hoe te handelen in het geval een patiënt hen agressief benadert. “Een verpleegkundige leert wel hoe hij om moet gaan met een injectiespuit, maar niet met gewelddadige handelingen”, aldus Regeer.

Geweld van psychiatrische patiënten zit nog steeds in de taboesfeer, zegt J. Nijhof, hoofd verplegingsdienst van het Algemeen Psychiatrisch Ziekenhuis "Duin en Bosch' in het Noordhollandse Castricum. “Verpleegkundigen vinden dat agressie bij hun beroep hoort en dat ze het dus moeten incasseren.” Hij stelt vast dat geweld een onderdeel van het beroep is. “Maar dat betekent niet dat we het over ons heen moeten laten komen. We moeten leren er met een professionele manier mee om te gaan. Met alleen extra portofoons redden we het niet.” Vandaar dat hij meewerkte aan een onderzoek naar de mate van geweld binnen zijn instelling.

Uit een onderzoek van drs. N.E. Oud onder verpleegkundigen van "Duin en Bosch' bleek dat twintig procent van de verpleegkundigen wekelijks betrokken is bij een geweldssituatie en tien procent maandelijks. Twee à drie procent krijgt te maken met ernstig fysiek geweld. Bij agressie moet volgens Oud, die afstudeerde aan de faculteit Verplegingswetenschappen van de Rijksuniversiteit Limburg, gedacht worden aan naar de keel grijpen, slaan, bijten, krabben, worstelen, haren uit het hoofd trekken en schoppen. Zestig à zeventig procent van de geweldsdelicten wordt overigens gepleegd door twee à drie procent van de patiënten. Ook verbale agressie zoals vernederende opmerkingen, jennen, uitschelden, kleineren, discriminerende opmerkingen over sekse of seksuele geaardheid, spugen, negeren, bedreigen van de persoon of huis en haard komt voor. Twaalf procent van de verpleegkundigen zegt zich wekelijks verbaal bedreigd te voelen. Leeftijd en ervaring spelen daarin geen rol.

De gevolgen van agressie jegens verpleegkundig personeel variëren van ziekmelding, een verzoek tot overplaatsing tot ernstige psychische aandoeningen, of tot volledige arbeidsongeschiktheid.

Regeer richtte deze zomer samen met Oud een Verpleegkundig Management Bureau op dat adviezen en praktische tips geeft over het voorkomen en registreren van agressie. De specifieke techniek, die gehanteerd kan worden bij acuut fysiek geweld, noemt Regeer "Controle en Fysieke beheersing'. Het uitgangspunt van de techniek die hij met nadruk omschrijft als "geen gevechtssport of zelfverdediging', is dat noch de cliënt, noch de verpleegkundige er schadelijke gevolgen van mag ondervinden. “Het zijn veilige, voor iedereen te leren handgrepen, die toe te passen zijn in een één-op-één situatie en in een groep.”

In het eerste geval gaat het er om zelf zo snel mogelijk te vluchten en hulp te halen. Bij een wurggreep spreidt de verpleegkundige zijn armen, balt zijn vuisten en door zijn armen als een molenwiek te bewegen, laat de belager los. Bij het groepsdeel wordt de patiënt door identieke handgrepen onder controle gehouden. “Wij gaan uit van preventie”, legt Regeer uit. “Hoe vaak komt het niet voor dat verpleegkundigen zich geen raad weten met een agressieve patiënt. Ze liggen dan te rollebollen over de grond. Soms moet er zelfs een arrestatieteam aan te pas komen.” De in Engeland erkende interventiemethode zou volgens Regeer ook in Nederland algemeen verplicht moeten worden gesteld op de opleidingen voor verpleegkundigen. Iemand die de methode onder de knie heeft zal zekerheid uitstralen, meent hij. “Daardoor gaat er een preventieve werking vanuit, al is ook deze techniek geen garantie dat er nooit iets zal gebeuren.” Met een instructieteam geeft hij inmiddels tien trainingen in instituten. A. Sijp, inspecteur beroepen in de psychiatrie, zwakzinningenzorg en vrouwenhulpverlening, noemt agressie "een gegeven'. “Wij vragen een directie van een instelling wat er gedaan wordt aan beheersing van geweld. Dat aspect verdient meer zorg, want helaas heeft het in veel gevallen niet steeds prioriteit. Het is in psychologisch en sociaal opzicht van belang dat een instelling laat zien dat ze hecht aan de veiligheid van het personeel.” Sijp meent dat agressie een "zeer omvattend' probleem is, dat uitstijgt boven een eenvoudige verdedigingstechniek. “Door alleen een traininkje wordt agressie als een apart iets benaderd en wordt het probleem op die manier een lappendeken.” Ook aan andere kanten moet daarom volgens haar aandacht worden besteed. “Sommige verpleegkundigen leggen patiënten te veel aan banden en roepen daarmee agressie op. Daar komt bij dat veel mensen in de psychiatrie belanden juist doordat ze hun agressie niet konden uiten. Bovendien moeten we uitkijken dat bij wijze van spreken niet elke polsgreep van een patiënt wordt opgevat als een agressieve handeling.” Nijhof toont zich enthousiast over de methode van Regeer, die volgend jaar op twee afdelingen geïntroduceerd wordt. “Je zekerheid is afhankelijk van fysieke zekerheid. De cursus sluit goed aan op de problemen in de dagelijkse praktijk.” Maar het toepassen van een techniek alleen is niet voldoende, stelt hij. Nijhof is voorstander van hantering van een crisismanagement model, dat duidelijkheid moet geven over de te doorlopen reactiefasen op een gewelddadige ervaring. “De oorzaken, gevolgen en verschijningsvormen van agressie moeten onderkend worden, zowel door de betrokkene als de organisatie. Een goede opvang van verpleegkundigen door collega's, het diensthoofd, kortom het hele management is daarbij van belang.”