Wat is zijn ware aard?; LICHTGEVENDE VERF

Tien jaar geleden bood de Nederlander M. mij voor een paar maanden zijn tweede huis aan.

Hij prees het uitzicht. Het huis lag in een dorp bij Carcassonne, zeventig kilometer ten noorden van de Pyreneeën, en toch waren de toppen van de bergen bij helder weer goed te zien. Op de eerste en tweede verdieping was het licht buitengewoon helder, omdat in twee muren hoge ramen waren geplaatst. Gelijkvloers was de woonkeuken die de afmetingen van een royale grachtenkamer had en die uitkwam op een tuin bij een dal.

M. had de vrouw die er sinds de jaren twintig had gewoond goed gekend. Ze was getrouwd geweest met de Franse schilder en criticus L., die haar vlak voor de oorlog had verlaten. Toen ze op hoge leeftijd was gestorven kocht M. van de erven het huis met de volledige inboedel. Later wilde zijn dochter er misschien gaan wonen. Als dat niet doorging zocht hij er wel een andere bestemming voor. Zelf woonde hij in het laagland bij de Middellandse Zee, dicht bij de Spaanse grens.

Ik reisde in de nazomer van 1986 naar het dorp. M. kon mij niet ontvangen; de sleutel moest ik bij een buurman ophalen. Mijn afwezige gastheer had niets te veel gezegd: de bergen in het zuiden waren goed te onderscheiden. Ik keek snel in de verschillende kamers. Van het huisraad was nog steeds niets weggehaald. Er stonden vele meubels uit vervlogen eeuwen.

In de keuken had M. naast de schouw houtblokken op elkaar gestapeld. Aan het eind van de middag begon ik steeds een groot vuur te maken. 's Avonds werd het kil. Na een week merkte ik dat de architect hier een knappe vondst had gedaan of misschien was die wel kenmerkend voor de meeste huizen van de streek. In de planken vloer van elke verdieping zaten gaatjes. De hitte trok door die openingen naar boven, zodat alle kamers werden verwarmd. Boven was de rode gloed van het vuur te zien.

Dit geleende huis moest voor zes, zeven weken mijn onderkomen worden. Ik probeerde de meubels en voorwerpen te temmen. Maar het interieur wilde geen genoegen met mij nemen. Het doorkruiste mijn aanwezigheid en wachtte, nog altijd, op de komst van een onbekende vrouw, die mij niet had uitgenodigd.

Op een morgen was de spanning tussen mij en alles wat me omringde zo hoog opgelopen dat ik voor de keus stond: vertrekken of op onderzoek uitgaan. Het was nauwelijks een dilemma. De boekenkast had ik al eerder ingekeken met als belangrijkste ontdekking de eerste druk van Les enfants terribles met een opdracht van Jean Cocteau, voorzien van een paar voor hem zo karakteristieke sterretjes, aan de schilder en zijn vrouw.

Een hele plank stond vol met de profetieën van de zestiende-eeuwse ziener Nostradamus en de studies over diens werk. De verdwenen bewoonster had zich grondig in zijn boeken verdiept. In sommige exemplaren zaten velletjes met aantekeningen. Het belang van een bepaalde alinea was met een vertikaal streepje aangegeven.

De erven hadden zich niet eens om de foto's en persoonlijke documenten van mevrouw L. bekommerd. In een witte kartonnen doos bewaarde ze een verzameling kiekjes met een gekartelde rand. Het waren voorstellingen van een vrouw die bij een rivier lag. Ze rookte een sigaret en keek met geloken ogen in de camera. Ze was een jaar of dertig; aan het kort geknipte haar viel te zien dat de foto's uit het begin van de jaren twintig stamden.

Nu sloeg ik geen la of doos meer over. In het kastje van een bureau zat een pak papieren, dat door een touwtje bijeen werd gehouden. Het waren met carbonpapier gemaakte kopieën van brieven.

De correspondentie had een vast thema. Ze schreef aan de Franse president dat het dienstmeisje de kunstenaar L. zonder dat hij het merkte verschillende malen had betrapt "terwijl hij niet schilderde maar met zijn model op een sofa lag'. De door het dienstmeisje ondertekende getuigenis was aan de brief gehecht.

L. had ze de deur uitgezet. Ze vroeg de president te bemiddelen in een rechtszaak die moest leiden tot de hoogste alimentatie. Ambtenaren schreven haar terug, daarop antwoordde zij weer en na jaren had de briefwisseling voor haar toch nog een bevredigend slot.

In het plaatselijke café wilde ik mevrouw L. terloops bij een paar oudere dorpsbewoners ter sprake brengen. Het belangrijkste wist ik, maar hoe liep ze, wat dronk ze en met wie was ze bevriend? Het antwoord op die vragen zou misschien een bekoorlijk tegenwicht vormen voor het gestrande huwelijk dat het huis, omdat er sindsdien binnen nooit meer iets was veranderd, zo sterk tekende.

Het vriendelijk begonnen gesprek nam, zodra ik haar naam noemde, een onverwachte wending. Een man zei zacht dat mevrouw L. met dertig katten in het huis woonde en liep meteen het café uit. Volgens een vrouw, die iets toeschietelijker was, werden er in het huis, nadat de schilder was vertrokken, altijd besloten bijeenkomsten gehouden. Meer wilde ze er niet over zeggen, maar het hele dorp meed de bewoonster als de pest.

Ik zou de volgende dag vertrekken, maar besloot die avond toch nog de zolder te bekijken. Alleen daar had ik nog niet gezocht. Het licht deed het nog. Vermoedelijk was zelfs M. hier nog nooit geweest, zo stoffig zag het eruit. Onder een klein raam stonden tien ouderwetse radio's in een halve cirkel op een tafel. Als er een kapot was kocht ze vast telkens een nieuwe.

Op een plank van een kast zonder deur lag een halsketting, een ring en een armband. Naast die sieraden stond een grote doos. Ik schoof de deksel er voozichtig af. Op de bodem lag een rode lap stof. Doordat er vloeipapier omheen zat kon ik niet zien of het een deken of een kledingstuk was. Toen ik het papier loswikkelde kwam een jurk van rood satijn te voorschijn, die er zo goed als nieuw uitzag. Die was lang geleden bij een huwelijk of een andere plechtige bijeenkomst gedragen en daarna nooit meer.

Onder de jurk lag een kleine doos van eboniet. Ik tipte het deksel omhoog en nu werd een zwarte crucifix zichtbaar. Christus ontbrak. De plaats waar zijn gezicht hoorde te zitten werd ingenomen door een heel nauwkeurig gesneden wit doodshoofd met gekruiste beenderen.

Het lichtte witgroen op in het donker van de doos, alsof het van dezelfde fabrikant kwam die vroeger een scheepje, een ballon of een ander kinderspeldje met lichtgevende verf beschilderde.

De duvel en zijn moer, zei ik, ik weet niet waarom. Ook niet waarom de man tegenover me plotseling kwaad werd. Hij zat aan de andere kant van ons tafeltje bij het raam. Hij keek me aan op een manier alsof hij het meende en ik zei: Natuurlijk. Zo bedoel ik het ook. Want hij zag er uit als iemand, die bij ruzie meteen mijn neus zou pakken om die flink om te draaien. Maar hij deed dat niet. Hij vroeg iets. Ben je wel eens in Salamanca geweest?

Ik zat hem aan te kijken, terwijl ik naar een antwoord zocht. Nee zeggen was natuurlijk het makkelijkst en nog de waarheid ook. Maar ik kreeg geen kans. Hij zei: Doet er niet toe. In de Harz geweest? Doet er niet toe. Ik zal de echte plek niet noemen, maar het is een berg en daar worden de idiootste verhalen over verteld. Heb je wel eens, wat zeg ik, talloze malen over de aarde gezworven in gezelschap van iemand, met je wie een overeenkomst hebt gesloten om aan elke gril, die in hem opkomt, te voldoen? Hij wil alles zien. Hij wil alles hebben. En hij ziet het allemaal. Hij krijgt het allemaal. Een tijd, dat zoiets kost. Nou ja, tijd speelt geen rol. En een geld weggesmeten. Bedragen om van te huiveren. Gelukkig huiver ik niet gauw. En dan? Dan moet hij ook eindelijk aan zijn kleine verplichting voldoen. Hij heeft er voor getekend. En dan? Hij staat stom te lachen. Hij zegt, hij doet het niet of hij wil het niet of hij mag het niet. En dan? Hij verscheurt zijn contract, mijn contract. Hij sleept me van rechter naar rechter tot in de hoogste instantie. Hij mij, notabene. Niet ik hem, maar hij mij! En ik verlies het proces. Altijd verlies ik het proces.

Hij stak zijn hand op naar de man achter de kist. Een ogenblik dacht ik, dat hij een eed aflegde, maar dat was niet zo. Het ging om twee bier, die overigens met een verwonderlijke snelheid werden gebracht.

Ik zei: Maar dat is toch te gek? Met die processen, bedoel ik. Krijgt u nooit te maken met een fatsoenlijk mens?

Hij keek naar buiten, maar omdat de ruit een beetje weerspiegelde, kon ik zien wat er met zijn gezicht gebeurde. Het lachte. Even. Hij draaide zich weer naar me toe en zei: Een heel enkele maal. Laatst heeft iemand me gevraagd om een vat bier, dat nooit leeg raakte. Ik zei: wordt voor gezorgd, maar als het je begint te vervelen, moet je wel even bij me langskomen. Die man zei: Was ik toch van plan. En hij heeft het gedaan. Maar dat blijven uitzonderingen.

En die hoogste instantie? vroeg ik. Laat die u ook in de kou staan?

Dit keer kon ik het echt zien. Hij lachte. Hij zei: Ach, koud zou ik het niet willen noemen. Er is trouwens nog een allerhoogste instantie.

En? vroeg ik.

Die heb ik nog nooit een uitspraak horen doen. Een oude heer. En, als ik het heel eerlijk moet zeggen, geen beroerde kerel. Als we elkaar tegenkomen, maken we altijd een praatje. Nog niet lang geleden. Ik vertelde hem van mijn laatste mislukking. Een heel kostbare zaak. De rechter had me gevraagd - en op een heel gemene manier - hoe ik toch aan al dat geld kwam. Of het hem aanging. Maar ik bleef beleefd, onderdanig bijna. Ik zei: Door mijn natuurlijke aanleg en door mijn geestkracht. Toen schreeuwde de rechter: Natuur is zonde en de geest is duivels! Wat moet ik daar nou mee? vroeg ik aan de oude heer.

Weet je wat de oude heer deed? Die van de allerhoogste instantie? Hij lachte. Hij zei: Doorgaan. Gewoon doorgaan. Je hebt te maken met mensen. Mensen maken fouten en ze proberen altijd iets te bereiken. Of het een van het ander komt of het ander van het een, ik zou het niet weten en ik weet toch een heleboel. Maar, zoals ik al zei, gewoon doorgaan. Wie weet, misschien doe ik toch nog eens een uitspraak.

De man tegenover me keek weer door het raam. Ik kon het niet goed zien, maar volgens mij lachte hij niet. Eerder een nadenkend gezicht. Hij schoof zijn stoel wat rechter en zei: Weet je, wat de oude heer gezegd heeft? Hij heeft gezegd: Ik zou het het eens met die proberen. En toen heeft hij me iemand aangewezen. Wil je weten wie hij me heeft aangewezen?

Ik stond op en liep weg. Ik weet nog altijd niet of ik ja of nee had moeten zeggen.