Van Seth tot Satan, van Mefisto tot metafoor

Al eeuwen lang leeft de mens met de duivel. In het oude Egypte blies hij zandstormen door de woestijn, in Iran veroorzaakte hij sodomie en menstruatie. De joodse mythologie spreekt terughoudend over hem, in de Bijbel komen wij hem tegen als de Draak en de Slang, de Islam kent de Sjeitan die in het boze rebellerende mensenhart zetelt. Wat moeten wij nu met hem? Bestaat hij nog, en hoe dan?

“Als je lang in de spiegel kijkt, komt de duivel achter je staan en geeft je een draai om je oren.” Aldus de waarschuwing van sommige speelkameraadjes in mijn geboortedorp. Hun ouders waren de gereformeerde godsdienst toegedaan en de duivel was voor hen een vertrouwde, bijna huiselijke figuur. Hij spookte om huis en haard, bracht soms de boel in 't honderd, maar vervulde ook het bestaan met een zekere huiverige avontuurlijkheid. Hij kon door de struiken of de ramen vuil en gemeen op mensen loeren en stond in duister verband met heksen. De laatsten waren in de Friese Wouden ook ruimschoots te vinden, wat dan droevig genoeg op menig braaf oud vrouwtje het odium legde een "tsjoenster' te zijn.

Bij mijn ouders, doopsgezinden met hoogst liberale en rationele skepsis ten aanzien van het bovennatuurlijke, wekten deze duivelsverhalen alleen een glimlach, wat het luguber duivelsbeeld voor mij wel temperde, maar toch zou ik de duivel niet graag zijn tegengekomen op een van de doodstille zandwegen... je wist maar nooit in wat voor vermomming hij je benaderde. De duivelsfolklore was in de Friese gewesten wijd verbreid; het uitspreken van zijn naam: de âldfeint (vrijgezel) de grizegrauwe, koarthakke (korthak, boks- of paardepoot) en ús maat - hield doorgaans dank zij de komische noot een poging tot afweer in, zo goed als de duivelsnamen elders in de Lage Landen: blikskater en droes, heintjepik en koekoek, nikker en drommel. De befaamde 19de-eeuwse volksschrijver Joost Hiddes Halbertsma, zelf doopsgezind predikant, heeft vanuit zijn in ruige humor wortelende verbeelding een pakkend relaas geschreven over Friese duivelarij, Het heksershol (1854), waarin spotzucht en vertellerssentiment elkaar in fraai evenwicht houden. Ze moeten ook hem vertrouwd zijn geweest, de vele spreekwoorden over de duivel die spontaan uit de volksmond rollen. “Het ziet er hier zo smerig uit of de duivel gejongd heeft.” - “Dat is er weer een, zei de duivel, en hij schopte een Mof in de hel.”

De halve wereld heeft spreekwoorden, geboren uit duivelgeloof. De Russen: “Waar de duivel niet kan komen, stuurt hij een pope.” - De Engelsen: “Wie soep eet met de duivel heeft een lange lepel nodig.” - “Waarom moet de duivel alle goeie deuntjes hebben?” vroeg Charles Wesley zich in 1740 af en hij gebruikte de melodie van populaire straatliedjes voor zijn methodistisch gemeentegezang.

Een geziene verschijning

De duivel is in Europa een geziene, goed ingeburgerde verschijning. Hij heeft zijn naam gegeven aan het kaartspel ("'s duivels prentenboek'), aan reeksen planten en gewassen, aan de inwoners van Hoorn ("duiveldragers'), aan de universiteit van Salamanca ("de duivelsschool'), waar door de duivel zelf les zou zijn gegeven in toverij. Onze calvinistische voorvaderen scholden een danspartij voor duivelsmis. Vlaamse en dus katholieke bestrijders van de dansduivel dachten er net zo over. Zij bevorderden de verspreiding van bonte oleografieën, die de naam huiszegen kregen. Onder het beveiligend beeld van Jezus of Moeder Maria was op de plaat een duivelsorkest geconterfeit met dansers, drinkers en andere zwierbollen die de gruwel van het dansplezier afschrikwekkend uitbeeldden.

In Engeland is de duivel ook al een gemoedelijke gast. Men noemde de klerken van de openbare aanklager devils, zo ook vanwege hun vingers vol drukinkt de leerjongens van de drukkerij. Drie Engelse steden worden om hun scandaleuze zeemansuitspattingen betiteld als duivelsbruidsschat: Deal, Dover and Harwich, The devil gave his daughter in marriage. Deze dochter brengt ons op de zegswijze "de duivel en zijn moer'. Het laatste woord, zo leren ons filo- en demologen, kan ook eega betekenen, zoals in egel- of konijnenmoer. Dit doet dan weer denken aan het experiment van de duivel Belphegor, een heerschap van Assyrische afkomst, die er door lagere hellebroers op uitgestuurd werd om een "moer' te zoeken. Men had immers in de onderwereld geruchten gehoord over de zaligheden van het huwelijk op aarde; Belphegor zou de proef op de som moeten nemen. Hij vond ook werkelijk zijn moer en ging de huwelijksboot in. Een week na de bruiloft vluchtte hij gillend uit de echtelijke woning, om voortaan in de hel te leven als speciale demon van de misantropie, maar ook van losbandigheid en obsceniteit, kennelijk de gevolgen van zijn vrouwenhaat.

Ofschoon de iconografie van de duivel rijk is, kennen wij hem toch het beste als de variant op de Griekse sater: gehoornde kop, bokspoot, staart, daarbij doorgaans omgeven door een vunze, verdachte zwavellucht. Als vader van monsterlijke eigenschappen is hij ook de verwekker van monsters, behaarde heksen, wanstaltige reuzen, weerzinwekkende dwergen, van lynx-, hond- en tijgermensen. Met hazelip, horrelvoet en "wolfsbek' merkt hij zijn slachtoffers; volgens Shakespeare kreeg Richard III van de duivel bij zijn geboorte een mond vol scherpe tanden. Als monster vocht de duivel tegen de protestantse Luther (wat in de war door magere kost en onthouding), hetgeen een indrukwekkende inktvlek op de wand van zijn Wartburgse cel opleverde. De katholieke pastoor Van Ars daarentegen bleef passief, terwijl de duivel het meubilair door zijn huis smeet. De vrome geestelijke werd dank zij zijn standvastigheid in 1835 als patroon van de dorpspastoors heilig verklaard. In ons eigen Eindhoven is een parochie naar hem genoemd.

De kosmische duivel

Er is ook een duivel van grotere, kosmische afmeting. De Egyptenaren die even bijgelovig als pragmatisch en geniaal de eerste hoog geciviliseerde despotie opbouwden, hadden het kwaad een gestalte gegeven die zij vereenzelvigden met de brandende leegte van de woestijn, de razernij van de zandstorm en de destructie van de aardbeving. Deze Seth wordt afgebeeld met een magerscherp mannelijf, een schrale kop, een roofvogelbek en gepunte oren. Hij is een van de vijf kinderen van oermoeder Noeth, de lelijkste, meest jaloerse die zijn lichtende broeders Osiris en Horus met de laaghartigste aanslagen vervolgt - een eeuwig onbesliste strijd. Zijn standplaats is in "het noorden' en in zijn worsteling om de hegemonie heeft hij alle monsters op aarde, hippo's, reptielen en stekende insekten tot zijn beschikking. Dat hij later werd vereenzelvigd met de Semitische drekgod Baäl en door de Grieken met het afgrondmonster Typhon vloeit voort uit de gebruikelijk priesterlijke annexatielust. In wezen is Seth, rampen verwekkend, een eerste monumentale belichaming van de duivel.

De grootste kosmische voorstelling van het kwaad is geboren op de hete hoogvlakten van Iran. Het dualisme, dat Zoroasters wereldconcept beheerst, reikt tot diep in alle omringende godsdiensten. De duivel verschijnt er als sombere tweelingbroer van de lichtende Ahoera-Mazda; hij, de verfoeilijke Ahriman, heerst als de Egyptische Seth vanuit het rijk van duisternis en winter, padden, slangen en vlerkende monsters. Waar hij optreedt woekeren misdaad en zonde; hij is het die sodomie en menstruatie (!) op aarde heeft gebracht. Het wezenlijk grootse concept van het dualisme trekt een langgerekt spoor door de wereld van Oudheid en Middeleeuwen: het werd de leer van de Gnostieken en de ketter Marcion, van de Manicheeën tot wier sekte Sint-Augustinus in zijn jeugd heeft behoord, van de Paulicianen in Klein-Azië tot de Bogomilen in de Balkan en de Katharen in Zuid-Frankrijk, die hun laatste rampzalige strijd hebben gestreden in Montségur... De duivel was bij hen allen de onafwijsbare anti-god die de schepping onder vele namen, waaronder die van Jahve, regeert en tegen wie moet worden gevochten, opdat de ziel haar verlossende zoektocht uit de materie naar het licht kan volbrengen.

Hier hebben wij dan de duivel met status: een machtig element van de schepping. Aan de wereld van het oude Oosten met zijn etnisch-mythologisch gedrang van stamgoden en mysteriën ontstijgen de Baälsgoden, met wie het volk Israël en zijn profeten het zo zwaar te stellen hebben gehad, Belial, Beëlzebul en de ons al bekende Belphegor. Belial is een niksnut, een leugenaar en gifmenger, daarbij een smeerlap, wat hij gemeen heeft met zijn collega Belphegor. Hij bezet niet de hoogste troon en is eerder een adjudant van de werkelijke duivel. In Vondels Lucifer behoort hij dan ook tot de "weerspannige oversten', al heeft hij in het Nieuwe Testament carrière gemaakt en het daar tot opperduivel gebracht. Zijn spiegelfiguur is Beëlzebub, die in de bijbel Beëlzebul heet. Beëlzebub zou betekenen "heer van het hoge huis' (de tempel), wat joden noch christenen konden waarderen, weshalve zij de b van zijn naam veranderden in een l, en daarmee tegelijk van hem een "heer der vliegen' maakten, wat ook al een bijnaam was van de Egyptische Seth.

Via deze "drekgoden' belanden wij dan eindelijk bij onze onvervalste duivel, de Satan, de Widersacher zoals zijn Duitse naam heel treffend luidt. De joodse mythologie spreekt ietwat terughoudend over hem; men moet hem niet te veel “aan de wand schilderen”.

De islam, die bij zijn aantreden al een flink aantal afzichtelijke woestijndemonen aantrof - dzjinns, ifriets en marids - heeft zich vervolgens ruimschoots bediend van de duivelsuggesties uit het jodendom, en kreeg aldus zijn eigen Sjeitan. Ook hij is de weerstrever Gods, de vijand, die alleen tijdens de Ramadan in ketenen geklonken wordt. Verder mag hij, uitgekookt en machtig, de mens met zijn vuige kunsten kwellen en vervolgen. In zijn meest spirituele vorm zetelt de Sjeitan symbolisch in het boze, rebellerende mensenhart. Maar volgens de islam kan het ook de Sjeitan zijn die dichters hun mooiste verzen inblaast, wat er op zou wijzen dat elk mens zijn eigen speciale Sjeitan bezit... De Profeet was ten slotte, in tegenstelling tot joodse en christelijke duivelsopvattingen, de mening toegedaan dat de Sjeitan bekeerbaar was!

Exorcisme

Het christendom heeft de Satan geruisloos aan de joodse overlevering ontleend, maar toch door een lange historie en gedetailleerde cultus een nieuwe wending aan het duivelsgeloof gegeven. De verschijning van Jezus, zijn kruissymbool, zijn eenvoudig stoïcisme breken de macht van Gods tegenstrever. Van alle exorcisten die in negentien eeuwen van christendom zijn opgetreden was de Stichter zelf de beste: na hem te hebben "verzocht', eerst op de berg en later “op de tinne van de tempel” volgens Mattheüs (volgens Lukas “op een hoge berg”), had deze Oude Slang weinig meer te vertellen. De onderwereld was bang voor de profeet uit Nazareth, demonen verlieten op zijn gebod het lichaam van zieken of geesteszieken, of voeren in de balg van varkens die zich vervolgens in zwijnsdolheid in zee stortten.

Daarenboven gaf de wonderrabbi, die al eens had verklaard dat hij “de Satan als een bliksem uit de hemel had zien vallen”, ook aan zijn discipelen de macht "slangen en schorpioenen' te bezweren, wat de Oude Draak behoorlijk moet hebben geërgerd. Zo zelfs dat hij de discipel Judas Iskarioth de gedachte inblies om zijn Meester te verraden, waarmee Judas dan een van de raadselachtigste, want schijnbaar motiefloze figuren uit het Nieuwe Testament wordt, een onverklaarbare "zoon van het verderf'. De dialectiek van de "heilsgeschiedenis' zou eigenlijk de vromen moeten doen juichen om Judas' verraad, dat immers bijdroeg tot de kruisdood van Jezus en zo tot de gewenste verlossing van het mensdom. De christelijke theologie was vroeger in dit soort zaken vaker ad rem: de zondeval van Adam - o felix Adae culpa! - werd door spitsvondige middeleeuwers in zijn tegendeel verkeerd en tot een akte van genade verheven. Tot op heden bleef de exorcistische formule in het katholieke doopformulier bestaan: de priester vraagt aan de boreling “Verzaakt gij de duivel?” waarop de peetvader namens het onnozel wicht toestemmend antwoordt.

De Antichrist

Het christendom heeft enorm aan de duivel geleden. Het gaf hem in de apocalyptische geschriften, waaronder de openbaring van de apostel op Patmos, de eschatologische functie van Antichrist. Een nieuwe niet geringe rol voor deze bovenmenselijke tegenspeler van de Verlosser, die nu ook nog eens de uitvinder van dwaalleren en ketterijen wordt.

De christelijke apocalyptiek heeft de duivel als aanvoerder van de gevallen engelen grote speelruimte gegeven, ze heeft tegelijk een oude verzuchting van het mensdom (“hoe komen we van het kwaad af?”) vorm gegeven: de duivel mag zich in nog zoveel bochten wringen, zijn ondergang staat vast, en na veel plagen en verschrikkingen, die de ziener op Patmos met schrille kleuren schildert, wordt "de draak' in de afgrond geworpen, worden de bozen gestraft, de rechtvaardigen aan Gods rechterzijde geschaard voor een eeuwigdurend geluk. Een prachtige wensdroom, waarmee verdrukten en vervolgden zich konden troosten, omdat hij tevens het einde was van de tijd, van alle tijden, en daarmee van alle leed.

Dit kosmisch-grootse vooruitzicht voor gelovigen kon niet wegnemen dat de duivel zich vóór zijn val nog eens duchtig te goed doet aan het corrumperen en ronselen van christenzielen. Het eerste voorbeeld van een duivelspact vinden wij in de legende van Theophilus, rentmeester van een bisschop op Sicilië, die wordt ontslagen, maar zijn ambt en welstand terugkrijgt nadat een joodse(!) tovenaar hem in contact brengt met de duivel. Zijn val en daarop volgende redding door de Madonna vindt men uitgebeeld op gebrandschilderd glas in Chartres en de Parijse Notre Dame. Hij staat aan het begin van een lange reeks duivelspacten, waarvan dat van Faustus met de geraffineerde Mephistopheles de apogee zal vormen. De duivel blijft de grote protagonist in de bloedige en barbaarse processen van de Inquisitie en in het heksengeloof, dat niet alleen de katholieke kerk, maar ook de protestantse Puriteinen tot ongekende wreedheden jegens onschuldigen heeft aangehitst. De duivel inderdaad..! Het was voorbehouden aan de Verlichting om het bestaan van de duivel en demonen überhaupt te loochenen, wat als onvermijdelijk gevolg had dat men ook het bestaan van hun tegenhangers, de engelen, moest ontkennen: duivels en engelen, zo zou de Duitse theoloog Günther schrijven, “vervluchtigden tot een poëtische arabeske”... Een arabeske die nog lang zou bloesemen in kunst en literatuur!

Satanisten

De duivel danst door de middeleeuwse kluchten, vult hele chapiters in de kroniek van wonderen en visioenen van Caesarius van Heisterbach, of van De Voragine's Legenda aurea, waarin stevig met de duivel gevochten wordt. Dantes Commedia is uiteraard vervuld met duivelarij, hij kent een hele reeks van deze diabolische heerschappen, die ook de vreemdste namen dragen: Scarmiglione (gifspuiter), Grafficane (het hondemonster), Alichino (de verleider) en zo nog een achttal. In Marlowe's Doctor Faustus draaft voor het eerst Mephistopheles op, de "lichtschuwe', al figureerde hij onder deze naam (Mephistophilos) ook al in het beroemde poppenspel.

Men zal ze de kost geven, de romantici, naturalisten en realisten van de vorige en de huidige eeuw die in verhalen en toneelstukken de duivel in een of andere gedaante gebruikten om de macht van het boze, niet in het minst in de vrouw, te openbaren. Tegenover hen die van Barbey d'Aurevilly tot Bernanos, van Leo Tolstoj tot Leonid Andrejev het duivelse in hun mensbeschouwing betrokken, staat een andere, veel curieuzere stroming. Inzonderheid rond de eeuwwisseling waren er auteurs die de satan vanuit een pessimistische of satirische levenshouding begonnen te zien als een object dat meer waardering verdiende. Zij deden of zij de satanslegende ernstig namen en verhieven de duivel uit pure rebellie tegen de christelijke tradities tot een lichtbrenger, een bijna miskende figuur, met wie een groot menselijk mededogen op zijn plaats was. Dat deden, elk in zijn eigen karakter, Carducci (Inno a Satana), Strindberg (Lucifer of God), Shaw (Man and superman), maar ze zijn slechts drie uit velen. Het spelen met het satansmotief had nog andere consequenties. Het gaf aan het oud heksengeloof (ook al geen te verwaarlozen literair motief) een nieuwe, emancipatorische wending. In de moderne horrorliteratuur neemt de duivel naast de vampier een ereplaats in. Een vrouwelijke opperduivel heeft zich nog niet aangediend. De naarstigste helpsters van Hansje Pik hebben onder invloed van het feminisme een gedaanteverwisseling ondergaan; als schrijfsters haar tot heldinnen kiezen, zijn ze niet langer lelijk, maar veelal beeldschoon en wijs, al blijven ze wel in verband staan met hogere en lagere machten...

Driemaal Satan

Emancipatie allerzijds! De figuur van de duivel kon niet achterblijven in de algehele wetenschappelijke en technologische voorwaartse sprong van het mensdom. Het is kenmerkend voor de Europese geesteshistorie dat de duivel in de literatuur driemaal is opgeroepen met een superieur verisme: eens aan de vooravond van de Verlichting, als een afscheid van het oude geloof, eens aan de vooravond van de technische revolutie, en ten slotte eens als de schrijnende napijn van de fascistische aëra.

John Milton heeft in Paradise lost (1667 en 1674) een satan opgeroepen, die door velen wordt beschouwd als de ware held van het epos. Het drama van de ongehoorzaamheid en de val van de engelen wordt door de 17de-eeuwse dichter in schitterende blank verse bezongen als het eigenlijk treurspel van de mens: het verlies van de oerharmonie tussen God en zijn creatie, dank zij de betreurenswaardige, verdoemde zinnelijkheid van Eva. De Zoon wordt naar de aarde gezonden om de zondeval goed te maken, al is Miltons verzuchting duidelijk: het natuurgebeuren (seks en dood) had niet gehoeven, was het maar bij de engelen gebleven... Het is de satan die in vrijwel profetische, kosmische energie tegen Gods wereld opstaat. Hij is niet meer het monsterwezen met de bokspoten en de stank, hij is van een huiveringwekkende, demonische schoonheid, een gevallen engel die vol fierheid kan zeggen: The Son of God I also am. Milton maakt van hem de tragische heros die - toen de volmaakte God het boze, de zonde, het lijden van zich stiet - met dit zieke erfdeel werd opgescheept. Hij verdient vrijwel onze sympathie, en Milton weet deze voor hem te wekken.

De Mephistopheles van Goethe (1797 en 1832) blijft waarschijnlijk de meeslependste van alle in de literatuur losgelaten duivels - een elegante schobbejak, all-round man van kennis en magie, een fat en een nihilist, en op zijn tijd een smeerlap, vooral als hij achter de heksen aanzit, die ondanks al zijn mondaine allures zijn lekkerste hapjes blijven. Goethe's bronnen mogen teruggaan tot zijn kindertijd (het poppenspel), de meest verlichte van alle Duitse poëten maakte van de duivel een grandioze wedder, die een lang duel met Faust begint, waarvan de goede afloop vooral van Faust zelf blijkt af te hangen. De marxist Lukács heeft er terecht op gewezen dat deze "Tragoedie' zich op aarde afspeelt, en zich voltrekt ten overstaan van menselijke problemen. Zij het dan dat ze eindigt in een briljante barok-opera met hemelse perspectieven.

Mephistopheles is vooral de belichaming van satanische eigenschappen, in de eerste plaats een vretend, alles ondermijnend intellect. De doorgaande dialoog die hij voert met Faust, is de dialoog in Goethe's eigen borst, ketterschap, scepsis, morele dilemma's. Het is de moderne Europeaan die hier beurtelings door mens en duivel spreekt. Enerzijds wordt de draak gestoken met de nieuwe wetenschap die mensen kan maken (Homunculus in de reageerbuis), anderzijds behoort het tot Mephistopheles' vermogens om na de "Krieg, Handel und Piraterie' van het oude, accumulatieve kapitalisme met nieuwe financiële trucs voor de dag te komen: de invoering van het papiergeld en het krediet aan het keizerlijk hof, waar men alras in de schoonste illusies zwelgt. Het monter cynisme van de moderne geldhandel wordt grimmiger voortgezet, als Mephistopheles zijn pupil en vermeend offer helpt bij het aanleggen van havenwerken en het bewind over de zee... Het imperialisme daagt aan de horizon! De middeleeuws begonnen tragedie van het duivelspact eindigt in de schijnbaar nuchtere begrafenis van de verliezer. En inmiddels is bij Goethe de duivel, een weliswaar liederlijk personage, tot instrument geworden van morele rijping en verlossing van de bedreigde menselijke persoonlijkheid.

Demonie en humaniteit zijn de twee uitersten, waarin Thomas Manns Dokter Faustus (1947) zich beweegt - in West-Europa de derde magistrale evocatie van de duivel, die in deze roman over de Duitse "toondichter' Adrian Leverkühn net als bij Milton en Goethe lijfelijk optreedt. Hij belichaamt dit keer de cultuurcrisis van het uitgeputte avondland, wat ook de crisis betekent van de kunst, bij Mann gedemonstreerd aan het fenomeen van de moderne muziek. Als een kus van de duivel loopt Adrian, die als componist geen toekomst meer ziet, syfilis op. Het is de aankondiging van 's duivels uur: de oude vijand komt in een limousine met chauffeur, een "Weltmann' ook hij, geciviliseerd, corpulent en met een hoornen bril, zich aankondigend als Saul Fitelberg, muzikale arrangementen (!). Er volgt een hoogst geraffineerde dialoog tussen duivel en toondichter, het pact wordt gesloten, Adrian zal de hoogste, volmaakte inspiratie verkrijgen, maar ook eeuwig zielekoud en liefdeloos blijven. Zijn leven eindigt in een hartverscheurende weeklacht en paralyse. De grootse symboliek van Manns roman raakt veel meer dan het proces van de uitgeputte kunst, ze is betrokken op de historie van nazi-Duitsland, opkomst, verschrikking en verwoestende ondergang. Immers ook de Hitlerij was gegrondvest op een duivelspact: het Duitse volk verkocht zich blind aan de barbarij. Manns geniale duivelsbeeld zal waarschijnlijk niet meer worden overtroffen, ook al omdat onze moderne rede met zo'n veristische duivel heeft afgerekend.

Goed en kwaad

Terzake dan eindelijk! Wat doen we met de duivel? Bestaat hij, bestaat hij niet? Agatha Christie laat haar Hercule Poirot zeggen: “De duivel is temidden van ons, maar hij blijft onzichtbaar.” Hier vergiste Hercule zich. De duivel is wel degelijk zichtbaar, vele miljoenen malen: hij is in elk mens. De duivel - dat is de mens zelf. Althans ten dele.

Het probleem van het boze heeft het mensdom steeds op mismoedige wijze vervolgd. De veelzijdige Leibnitz die ook al aan de realiteit van het boze geleden heeft, meende in zijn Theodicee het juiste antwoord op het probleem te hebben gevonden. Voorop stond bij hem dat de goede en volmaakte God van alle schuld aan het kwaad moest worden ontlast. Satan, de afvallige engel, heeft onze best mogelijke aller werelden met zijn misdadigheid bevlekt. God is onaantastbaar, de duivel krijgt van alle ellende de schuld. Maar: “Het boze is geen substantie, het is slechts het ontbreken van het goede in alle dingen.”

Het goed en het kwaad! De wagen van de ziel, zei de grote Plato, is bespannen met twee paarden, het ene vol schoonheid en zuivere glans, het andere grauw, halsstarrig en rood van oog. Wij rijden levenslang met twee paarden. Twee zielen wonen, ach, in onze borst. “Het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik.” Aldus de klacht van de apostel Paulus. De klacht is in vele toonaarden in alle tijden herhaald. Het goede is herkend, maar ook het kwade. In de lange biofysische emancipatie van de homo erectus is er in ons een instrument ontwikkeld dat wij geweten noemen. “Het goede wordt door niets anders bepaald: het getuigt van zichzelf en wordt uit zichzelf begrepen”, meende Romano Guardini. Hetzelfde zou men kunnen zeggen van het kwaad; het wordt innerlijk herkend.

There is some soul of goodness in things evil, stelt Shakespeare vast, en verwees daarmee naar de morele dialectiek die - als werktuig van de beschaving - in ons al sterker naar de overwinning op de slechte instincten dringt. Maar wat als bij mensen het geweten zo verminkt en gedegenereerd is dat deze dialectiek zelf is afgestompt? Dan krijgen we de werkelijk duivelse naturen die hun medemensen “een hel op aarde” bereiden, immoreel, tiranniek, gewelddadig. Iets van deze ontmenselijking was in inquisiteurs als Bernard Gui en Torquemada, meer ervan in Nero, Attila, de bestiale Fredegonde, de kindermoordenaar Gilles de Rais of de gifmengster de Brinvilliers. Tot wij de hedendaagse duivelopenbaring aantreffen bij Stalin en Pol Pot, maar bovenal bij de Duitse nazi's en hun opperduivel Adolf Hitler, in wie zich een waar satanisch maaksel manifesteerde: ijskoude onverschilligheid gepaard aan hete destructielust. Hij is gevolgd door een uitgebreide actuele duivelarij: de beraamde criminaliteit, de drugshandel, de laaghartigheid van kidnappers en terroristen, het geweld en de stupiditeit van de jongste burgeroorlogen.

Diabolus exit

Freud heeft in Der Mann Moses betoogd dat het ons niet langer mogelijk is het geloof aan een Opperwezen vol te houden; daarentegen werkt het boze zo breed en brutaal in ons - agressie, wreedheid, vernietigingslust - dat ter verklaring daarvan de duivel er nog steeds bijgehaald wordt als verontschuldiging tegenover het goede. Hier is de duivel inmiddels de volledige metafoor geworden, onder welke gedaante hij natuurlijk al lang in de kunst en vooral in de literatuur was opgetreden. De duivel is een belichaamd principe geworden, een idee, voor zover men misdaad en menselijke ontaarding met zulke grote begrippen mag aanduiden. Met het teloorgaan van de "metafysische plek' waar de duivel zich eens ophield, hebben zowel hij als God hun existentie buiten ons verspeeld. Dat "hij' in ons voortwoelt hebben de duivelbanners van alle tijden tot aan vandaag toe zich ten nutte gemaakt. Voor hen is de duivel met zijn vuige streken nog een realiteit die men met een paar toverspreuken buiten werking kan stellen. Was het maar zo eenvoudig!

Maar - nemen wij aan, op esthetische en theologische gronden, dat de boze met de wijde zwarte vlerken, die vliegend ons halve luchtruim bestrijkt, als realiteit bestaat. Arme donder! Hij heeft niets meer te zoeken op aarde, waar voldoende satanisme aanwezig is om hem overbodig te maken. Zo waart hij dan rond door een modern empyreum en probeert ergens nog wat te verdienen. Een zwerftocht waarbij hij van een koude kermis thuiskomt. Verward tussen oneindig opgloeiende en uitdovende sterrenstelsels zou hij in de kosmos van Einstein, sir James Jeans en Stephen Hawking al spoedig verdwalen, om vroeger of later in een zwart gat voor altijd te verdwijnen.