Tritonus' zegetocht; De gemene wanklank

De dissonant in de muziek moest wel een uitvinding van de duivel zijn, zo dachten de middeleeuwers. De diatonische wetten vertegenwoordigden immers een goddelijke orde en daar hoorde de dissonant niet in thuis. Toch dook hij telkens op doordat de westerse muziek invloeden van buitenaf verwerkte. De duivelse dissonant won terrein, hij klonk ook eigenlijk zo slecht nog niet. En nu? De twintigste-eeuwse muziek heeft de duivel aan haar hart gekoesterd en is zich van geen kwaad bewust.

Muzieknoten zijn net mensen, ze sluiten vriendschap of maken ruzie. Ze leven in een harmonieuze relatie met elkaar of tonen openlijk hun wrange verhouding. Een maatschappij ontwerpt regels om het geruzie enigszins binnen de perken te houden. Zo kent ook de samenleving van noten zijn eigen etiquette, want als er geen afspraken bestaan over hoe ze zich tegenover elkaar moeten gedragen, ontstaat er een chaos. Noten die zich niet aan de regels houden, worden daarom ook wel vals genoemd of, iets beschaafder, dissonant. Hun vredelievende soortgenoten heten consonant.

Als twee noten, die samen een interval vormen, een meningsverschil hebben, treedt het oor op als rechter. Het zal proberen om conflicten volgens de regels van de wet op te lossen, om gespannen verhoudingen te neutraliseren. Want dissonanten klinken over het algemeen minder "prettig' dan consonanten, ze vormen een bedreiging voor ons gevoel van harmonie. Maar wetten veranderen, etiquettes zijn niet eeuwig. Wat vroeger verboden was, vinden we inmiddels de gewoonste zaak van de wereld. Sommige dissonanten waar in het verleden nog een taboe op rustte, althans volgens de letter van de wet, kunnen in moderne oren heel acceptabel klinken.

Een rechtssysteem ontstaat meestal pas als het echt uit de hand dreigt te lopen. De vroegste, nog anonieme componisten dachten niet lang na over hoe het hoorde, ze verzonnen gewoon muziek. Pas toen hun melodieën genoteerd moesten worden, vooral omdat de kerk graag wilde dat ze overal hetzelfde zouden klinken, diende er orde te worden geschapen. Middeleeuwse theoretici gooiden gedurende een paar eeuwen de religieuze gezangen op een hoop en destilleerden daaruit met zorg een aantal reeksen die ze kerktoonsoorten noemden, en die samen de nieuwe, zogenaamde diatonische wetten van de muziek vormden. Later ontstonden daaruit onze grote- en kleine-terts toonladders.

List

Helaas sloop er een akelige onvolkomenheid in de muzikale rechtsorde, een dissonant van de ergste soort, die onvermijdelijk bleek te zijn. En omdat wereldse orde en harmonie in de ogen van de brave middeleeuwers van God gegeven waren, moest deze misvorming wel een list van de duivel zijn. De dissonant, die bestond uit twee noten die precies drie hele toonsafstanden van elkaar verwijderd waren en daarom ook wel tritonus werd genoemd, kreeg al gauw de bijnaam diabolus in musica. De tritonus had zich stevig genesteld tussen twee perfecte consonanten, de reine kwart en de reine kwint. Hij verscheen de ene keer in de gedaante van een zogenaamde overmatige kwart en de andere keer als verminderde kwint. Een bekend versje in die tijd luidde: "mi contra fa, est diabolus in musica'. Dat is zoiets als: twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen.

De middeleeuwse theoretici deden hun best om de diatonische rechtsorde op te leggen aan alle oude gezangen. De zogenaamde Cantus falsi, waarin de diabolus of een andere onwelvoeglijkheid voorkwam, werden "gecorrigeerd' en kregen na een grondige revisie het Kema-keur Cantus emendatus. In de praktijk betekende dat vooral een kruistocht tegen Arabische en joodse muzikale invloeden, die in veel westerse melodieën te horen waren en die vanwege hun onchristelijkheid vanzelfsprekend met de duivel geassocieerd werden.

Maar de mens is zwak en het kwaad onuitroeibaar. Componisten die de geneugten van de muzikale duivel ontdekten, voelden er niets voor om hem te negeren. In de vijftiende eeuw moest Johannes Tinctoris in zijn Liber de arte contrapuncti dan ook toegeven dat veel componisten, onder wie de allerberoemdsten, zich niet hielden aan het verbod op de tritonus. Er werd een nieuw wapen in stelling gebracht. De diatonische orde was eigenlijk een natuurlijk gegeven, zo zei men, dus wie zich daartegen verzette, ging in tegen de wetten van de natuur en werkte mee aan de ondergang van de wereld. Dat bleek ook wel, vond men, omdat de tritonus onzingbaar was (wat overigens wel meevalt, want zelfs in een eenvoudig sinterklaasliedje als Zie, ginds komt de stoomboot komt de diabolus voor, tussen "uit' en "Span').

Nuchtere denkers geloven niet in duivels. Met de groeiende invloed van het rationalisme, zagen componisten in de late renaissance dan ook steeds minder reden om de tritonus uit de muziek te weren. Johannes Galliculus vond het interval in de zestiende eeuw weliswaar nog een vergissing, maar zeker geen doodzonde meer. Johann Mattheson heeft het in zijn boek Der vollkommene Cappelmeister (1739) over "die liebe kleine Quint, die durchdringende grössere Quart'. Hij begrijpt niet hoe theoretici hierin ooit de duivel hebben kunnen zien. Dat moet wel in de heksentijd geweest zijn, aldus Mattheson.

Overwinning

Het pleit is inmiddels definitief beslecht ten gunste van de tritonus. De Matthäus Passion van Bach zit er vol mee, bij voorbeeld in het openingskoor (op de tekst "Helft mir Klagen') en in het alt-recitatief "Ach Golgatha' (op "unseliges Golgatha', "Der Herr der Herrlichkeiten muss schimpflich hier verderben' en "der Segen und das Heil der Welt wird als ein Fluch ans Kreuz gestellt.'). Als Mozarts Don Giovanni angstig roept "Che grido indiavolato' (wat een bezeten schreeuw), laat de componist diens stem een tritonus-val maken, en Beethoven begeleidt de kerker-scène in Fidelio met paukenslagen waarvan de toonhoogtes een tritonus uit elkaar liggen. Wagners reus Fafner uit Das Rheingold, die later terugkeert in Siegfried heeft een voorkeur voor de tritonus, net als Mephistopheles in Berlioz' Damnation de Faust.

De componisten raken aanvankelijk hun geloof in de duivelse associaties van de tritonus nog niet kwijt. Dat gebeurt pas definitief in L'après-midi d'un faune uit 1892 van Debussy. De prachtige, vage fluit-introductie golft op en neer tussen twee tonen die precies een tritonus van elkaar verwijderd zijn, als een fluisterende aankondiging van de overwinning van de duivel. L'après-midi d'un faune wordt niet voor niets vaak gezien als het begin van de "moderne' muziek. De duivel heeft zijn werk volbracht. De middeleeuwers hadden gelijk, de tritonus bleek in staat om het eeuwenoude muzikale rechtssysteem in de wortels aan te tasten.

De verrotting van de diatonische toonladder was niet meer tegen te houden. De twintigste-eeuwse componisten zworen het oude geloof af en maakten van de diabolus in musica hun credo. Ze werden gefascineerd door zijn merkwaardige plaats precies in het hart van de diatonische toonladder. De "natuurlijke' orde, waarin het ene interval het andere vanzelfsprekend domineerde, maakte plaats voor mathematische principes en pure symmetrie. Schönberg en de zijnen proclameerden de emancipatie van de dissonant. Het kwaad is niet uit de wereld verdwenen, het is domweg goed verklaard.