Onrust in Opec over olieprijs

ROTTERDAM, 27 DEC. Algerije heeft de Organisatie van olie exporterende landen (OPEC) om een spoedvergadering gevraagd om een halt toe te roepen aan de daling van de olieprijs. De olieprijzen zijn de afgelopen dagen gezakt tot bijna 4 dollar onder de richtprijs van de Opec.

De stemming op de oliemarkt is door een tegenvallende vraag, mede als gevolg van nogal mild winterweer, en meevallend aanbod zeer flauw.

De verminderde olie-export uit de Russische Federatie heeft nog geen krapte op de wereldmarkt veroorzaakt terwijl Koeweit zijn produktie sneller herstelt dan enkele maanden geleden werd verwacht.

Gisteren daalde de prijs van de toonaangevende Noordzee-olie op de termijnmarkt in New York met 60 dollarcent en vanochtend opende de notering voor februari-levering in Londen nog 0,35 dollarcent lager op 17,50 dollar. Oliehandelaren verwachten dat het einde van de prijsdaling voorlopig nog niet in zicht is.

De Algerijnse minister voor energie en mijnbouw, Nordine Ait Laoussine, zei woensdag in een interview met de New York Times dat OPEC de gezamenlijke produktie onmiddellijk met 10 procent of 2 miljoen vaten per dag moet verminderen “om deze dramatische prijsdaling te stoppen.” Hij meent dat de olieprijs de komende weken kan dalen tot 10 dollar per vat.

Volgens bronnen in de olie-industrie wordt Laoussines pleidooi gesteund door Iran en Nigeria. Maar de grootste olieproducent van OPEC, Saoedi-Arabië, wil zijn export niet verminderen en heeft zich steeds tegen een spoedvergadering verzet.

OPEC rekende tijdens zijn laatste ministersvergadering, vorige maand in Wenen, nog met een vrij sterke seizoenmatige stijging in de vraag naar olie gedurende het vierde kwartaal van dit jaar en de eerste drie maanden van 1992. Daarom werd, onder sterke druk van Saoedi-Arabië, het produktieplafond van 23,65 miljoen vaten per dag gehandhaafd, met een minimum-richtprijs van 21 dollar per vat.

Pag.13:

Olie-export van Irak hangt als dreiging boven markt

De olieprijs op de termijnmarkten in Londen en New York ligt thans op het laagste niveau in tien maanden. De gemiddelde prijs voor OPEC-olie daalde eind vorige week volgens OPECNA, het OPEC-persbureau, naar 17,15 dollar, van 17,29 dollar per vat de week daarvoor, bijna 4 dollar minder dan de richtprijs van het kartel.

Op de termijnmarkten wordt nu ook rekening gehouden met een spoedige hervatting van de olie-export door Irak. De Iraakse olieminister Usama al-Hiti kondigde dinsdag in een gesprek met de New York Times aan dat zijn land nu een compromis met de Verenigde Naties nastreeft over de strikte voorwaarden waaronder een beperkte export ter waarde van 1,6 miljard dollar wordt toegestaan voor een periode van maximaal een half jaar. Eventueel zou Irak kunnen instemmen met een grens van 2,4 miljard dollar, zei Al-Hiti.

“Eigenlijk hopen we op meer”, aldus Al-Hiti in een gesprek met het persbureau Reuter. “Ergens tussen 1,6 miljard en het dubbele daarvan.” Behalve voor de aankoop van noodvoedselvoorraden en medicijnen heeft Irak honderen miljoenen dollars nodig om onderdelen, chemicaliën en computers aan te schaffen die het land in staat moeten stellen weer op de wereldmarkt te opereren, zei de minister.

De gesprekken tussen Irak en de VN over een mogelijke wijziging van het VN-voorsstel dat geldt tot maart, beginnen op 6 of 7 januari in Wenen. Behalve een hoger plafond voor de olie-export wil Irak vragen om lange termijncontracten, toestemming om zijn olielaadstation Al-Bakr aan de Golf en de export-pijpleiding door Saoedi-Arabië naar de Rode Zee te gebruiken en armslag om in plaats van betaling voor de olie in geld ruilhandel toe te passen.

Waarnemers bij de Verenigde Naties wijzen op een rapport van de secretaris-generaal waarin een hogere exportwaarde dan de 1,6 miljard dollar van resolutie 706 wordt bepleit, in verband met de noodsituatie onder de Iraakse bevolking. Daarvoor zal echter een nieuwe resolutie nodig zijn. Om dat te bereiken zal het regime in Bagdad eerst meer concessies moeten doen. Nog steeds bestaat de verdenking dat Irak massavernietigingswapens en een deel van zijn atoomwapenprogramma voor de VN verborgen houdt. Bovendien hebben invloedrijke VN-leden scherpe kritiek op de behandeling door Bagdad van de Koerdische minderheid in het noorden van Irak. Toestemming van Saoedi-Arabië, dat tijdens de Golfoorlog door Irak werd aangevallen, om de pijpleiding door dit land te mogen gebruiken achten de zegslieden bij de VN in dit stadium hoogst onwaarschijnlijk.