Mijn wapens treffen altijd doel

De duivel is talloze malen afgebeeld op schilderijen, als eenman met horentjes en bokkepoten, maar ook in moeilijk herkenbare vermommingen. Onze beeldende-kunstredactie zocht drie schilderijen uit waarop de duivel onmiskenbaar aanwezig is.

Marlene Dumas: Het Kwaad is banaal (1984)

Een geschilderd portret speelt de hoofdrol in Oscar Wilde's roman The Picture of Dorian Gray. Het is het verhaal van de dandy Dorian Gray die in zekere zin van plaats verwisselt met zijn beeltenis in olieverf. De levende man blijft, zijn misdaden ten spijt, altijd jong en mooi terwijl zijn schaduwbeeld geleidelijk verandert in een gruwelijk monster. Dit zelfportret van Marlene Dumas herinnert me aan dat beangstigende verhaal. Dumas schildert zichzelf met vlammend rode haren die als een dreigend aureool rond het dooodsbleke gezicht hangen. In haar ijsblauwe ogen lichten katachtige lichtplekjes op, geaccentueerd door de klauwende hand waarop de kin rust. In deze vrouw gaat het Kwaad schuil, het zit in haar blik, in haar houding, het straalt uit alle poriën. Wat wil de maakster ons met dit portret vertellen? Onthult het iets over Dumas zelf, over de zwarte zijde van haar persoonlijkheid? We weten het niet, want we kennnen haar niet. Voor ons toeschouwers is het niet van belang of het portret "lijkt', wij zien een vrouw. Een vrouw die zwijgt en je observeert, die verleidt en je tegelijk altijd op afstand houdt. Een she-devil is ze die een man te gronde kan richten. Dumas portretteert hier niet zomaar een vrouw, ze roept een vrouwbeeld op: De Slechte Vrouw, de vleesgeworden zonde. Met haar rake portret ontmaskert ze dit archetype als een cliché, juist doordat we het zo makkelijk herkennen: Het Kwaad is banaal.

RENÉE STEENBERGEN

Goya: Hekserij (1798)

Dit kleine doek (43 x 30 cm) maakt deel uit van een serie van zes schilderijen met heksen- en duiveltaferelen die Goya in 1798 maakte in opdracht van de hertogin van Osuna. Ze was een opmerkelijke vrouw die - in tegenstelling tot de meeste van haar landgenoten - de ratio hoog in het vaandel droeg. Op haar landgoed "La Alameda', vlakbij Madrid, omringde ze zich met schrijvers, intellectuelen en andere verlichte geesten. Ook Goya (1746-1828), die vanaf 1792 stokdoof was, behoorde tot dit selecte gezelschap.

In deze serie van zes schilderijen hekelde hij de onwetendheid van de Spaanse clerus en het barbaarse bijgeloof dat nog altijd sterk verbreid was onder de arme bevolking van Spanje.

In "Scène de Sorcellerie' heeft Goya de duivel weergegeven in de gedaante van een flinke bok met een festoen om zijn horens. Zo werd ook de Griekse god Pan wel afgebeeld. Op het Spaanse platteland werd Pan nog altijd vereerd, ook al stelde de kerk hem gelijk aan de duivel. Boven zijn horens cirkelen vleermuizen. Hij is het stralende middelpunt van een kring van heksen, die hem bij het licht van een wassende maan kinderen offeren. Magere scharminkeltjes lijkt hij af te wijzen. Met zijn linkervoorpoot kiest hij de molligste baby in het gezelschap, die hem wordt aangereikt door een idolaat kijkende vrouw. De voorstelling laat ondanks het spottende karakter een wrange nasmaak achter voor wie bedenkt dat Goya bekend stond als een groot kindervriend en dat van de twintig kinderen die hij verwekte op één na allen een vroege dood gestorven zijn.

"Scène de Sorcellerie' is een vroeg voorbeeld van Goya's interesse in heksen- en duiveltaferelen. Zo'n vijfentwintig jaar later schilderde hij een veel groter doek van een heksensabbath. Een onafzienbare hoeveelheid heksen zit met wijd opengesperde ogen waaruit doodsangst spreekt rond een in silhouet afgebeelde duivel. Van enige spotternij met het onderwerp is geen sprake meer in dit duistere bijna expressionistisch geschilderde doek, dat gerekend wordt tot Goya's zogenaamde zwarte schilderijen. Verbitterd en gedesillusioneerd als hij was door de onafhankelijkheidsoorlog waarin zijn land verzeild was geraakt en het reactionaire bewind van Ferdinand VII, die in 1814 op de troon was teruggekeerd, nadat de "verlichte" Joseph Bonaparte het veld had geruimd, was er in zijn schilderijen geen plaats meer voor de rede.

MARK PEETERS

Francis Bacon: Studie voor de verpleegster in de film De pantserkruiser Potemkin (1957)

Het is een "hij'. Je komt hem af en toe buiten, maar meestal binnen tegen. Hij huist linksonder bij de ribbenkast. Hij schrijnt en steekt, en hij verwondt graag als je wraak wilt nemen of verdriet hebt. Laten we zeggen; wraak op bedrog, en verdriet om verlatenheid. Ze verkeren soms in elkaars gezelschap.

De eerste klop op de deur doet hem al grijnzen. Hier ben ik weer! U bent wat van slag? Wacht maar tot mijn tromgeroffel losbarst, schampert hij tegen zijn huisbaas. Ik zal verwarring en onmacht zaaien tot u erbij neervalt. Ik zal uw ziel platwalsen tot een slagveld waar gifdampen elk uitzicht vertroebelen. Een slagveld waar geen erekruis overeind blijft staan. Alles wat u nodig heeft zal ik u geven. Mijn wapens treffen onvoorwaardelijk doel. Ze hebben een levenslange garantie. Ziezo, waar wachten we op? U kunt als een serpent tekeer gaan. Laat dat bloed maar kolken! Brand maar los!

Hallo? Ik wacht! Bent u daar nog? Gebeurt er nog wat? Of zijn we nu ineens weer braaf? Denkt u beter en liever te zijn dan de ander? Is het angst, schijnheiligheid, de cache-misère van uw beschaving? Deinzen we terug nu het er op aan komt?

Ik zie het al. U durft mij niet recht in het gezicht te kijken. Bij zoveel stank gaat u liever een straatje om, is het niet? Nee? U wacht stilletjes tot de bui is overgedreven? Ook goed! Want als ik ben uitgeraasd, laat ik u met lege handen achter, uitgeput en radeloos. Praten heeft geen zin, niemand zal het kunnen begrijpen. Dat geschreeuw van u levert geen troost op. Geen sterveling die het zich aantrekt als u uzelf of de wanden kastijdt. Uw zelfbeklag is mij een genoegen. Elke traan doet me verlangen naar de volgende. Ik maak u tot een vleesklomp in een teerzwarte cel. Het bezoek bestaat voorlopig alleen uit uzelf. Zelfs geuren gaan aan uw deur voorbij. Een zakspiegeltje in uw rechterhand is uw enige steun en toeverlaat. Kijk er maar in, net zolang tot u weer goede maatjes bent geworden met die aanblik. En is het eenmaal zo ver, dan kom ik af en toe weer eens om de hoek kijken. U kent me toch! Ik ben niet weg te branden.

Het is een knap schilder die een mens op duivelse gedachten brengt. Daar zijn er niet veel van. Francis Bacon is zijn naam.

MARIANNE VERMEIJDEN