Kuijer en Schuitemaker forceren een kinderidylle

Emiel. Ned.3, 18.35-19.05u

De titel van Ruud Schuitemakers korte jeugdfilm Emiel is niet de enige overeenkomst met Emmy, twee jaar eerder door dezelfde regisseur eveneens voor de NOS vervaardigd als bijdrage aan een internationaal uitwisselingsproject van de European Broadcasting Union (EBU). In beide gevallen vertelde Schuitemaker in hoog tempo en in een elliptische, om niet te zeggen cryptische stijl een door Guus Kuijer geschreven verhaal over de kloof tussen de wereld van kinderen en die van volwassenen. Emiel berust ook weer op een merkwaardige, moeilijk te accepteren premisse.

De eenheid van tijd, plaats en handeling wordt streng gerespecteerd in dit verslag van een kinderpartijtje in een appartement in Amsterdam-Zuid. Het jongere zusje van Emiel is jarig; hij wordt geacht de poppenkastvoorstelling van zijn vader op keyboard te begeleiden. Intussen ziet de jongen echter door het raam beneden op straat een veel spannender spektakel: een gewapende overval met gijzeling, arrestatieteam, gillende sirenes en slachtoffers door pistoolschoten. Steeds opnieuw probeert Emiel vergeefs zijn ouders en de andere kinderen te wijzen op dit niet alledaagse schouwspel. Maar moeder is niet weg te branden van de telefoon en vader gaat zo op in zijn spel, dat hij zich tegen elke afleiding verzet. Misschien willen deze ouders hun eigen en de tijdelijk aan hun zorg toevertrouwde kinderen ook wel beschermen tegen informatie uit de boze buitenwereld. Op zeker moment kijkt het hele gezelschap even met Emiel door het raam, totdat een ieder weer tot de orde van de dag geroepen wordt. Het gordijn gaat dicht, maar het blijkt door een samenloop van omstandigheden niet mogelijk de realiteit helemaal buiten te sluiten.

Zelfs als dichterlijke vrijheid valt het fanatieke isolement van deze kunstmatig gekoesterde kinderidylle moeilijk te verstouwen. Op z'n minst zouden de ouders zich toch zorgen moeten maken over het ophalen van de gasten, nu de hele straat afgezet is.

Het gebrek aan realisme van het duo Schuitemaker-Kuijer begint echter aan herkenbare eigen wetten te voldoen. De film is een hyperbool, een dolgedraaide fantasie over de doof- en blindheid van volwassenen voor wat kinderen zien en horen. Met enige goede wil valt er een symbolische persiflage op de beschermingsdrang van bijvoorbeeld de Nederlandse Filmkeuring in te ontdekken.

Wat Emiel vooral interessant maakt, en een veel betere film dan Emmy, is de stijl, een mitrailleurvuur van beelden en geluiden, waarin de gesproken taal een zeer ondergeschikte rol speelt. In verband met de internationale doelgroep koos Schuitemaker voor dialoogflarden, die ook voor Griekse en Finse kinderen gemakkelijk zonder ondertitels te begrijpen zijn. Er zijn maar weinig Nederlandse filmers die het Amerikaanse scenarioschrijversadagium "Don't tell them, show them' zo consequent in praktijk kunnen brengen. Af en toe herinnert het nerveuze, lawaaiige ritme van Emiel aan het fysieke filmgeweld in de latere films van Godard. Ook daarin hindert het gebrek aan traditionele logica meer cerebraal ingestelde kijkers. Het zou interessant zijn te peilen hoe kinderen erop reageren; de generatie die opgroeit met clips en soap-series zal in ieder geval minder moeite hebben met de snelheid van de montage en het fragmentarische exposé.