Jovaisa krijgt kippevel van Litouws shirt

HAARLEM, 27 DEC. Verbaasd was Sergejus Jovaisa wel een beetje toen hij, ervaren basketballer van 37 jaar met maar liefst 254 interlands achter z'n naam, tijdens het omkleden voor de openingswedstrijd van de tiende Haarlemse Basketbalweek opeens kippevel kreeg en stond te bibberen op z'n benen.

Het zouden toch niet de eerste tekenen van een opkomend griepje zijn? Jovaisa keek naar het shirt dat hij in zijn handen hield. Nee, het was geen opkomend griepje, wist hij. Het shirt was groen van kleur. Een mooie kleur groen. En de stof voelde ook goed aan. Veel beter (of verbeeldde hij zich dat slechts) dan die rode shirtjes met die vier vermaledijde letters er op, CCCP, waarin hij voorheen altijd speelde. Maar het mooiste was wat er op het groen, in witte letters, stond gedrukt: Luthenia, Litouwen. Zijn land. En nog even en dan zou Jovaisa, na een lange carrière aan de absolute top van het mondiale basketbal (hij speelde voor de Sovjet-Unie op de Olympische Spelen van 1980), zijn eerste wedstrijd in het nationale team van zijn land spelen. Dan mag je toch zeker wel een beetje zenuwachtig zijn?

Eerder dit jaar, na de onafhankelijkheid van de Baltische republiek, werd een begin gemaakt met het samenstellen van een nationale basketbalselectie. Sindsdien heeft Litouwen twee wedstrijden gespeeld. Nooit in de sterkste samenstelling, want de beste spelers staan onder contract bij topclubs in de Verenigde Staten, Joegoslavië en Spanje en hebben tot nu toe geen vrijstelling gekregen voor oefenwedstrijden. Die spelers (onder andere Sharunas Marchulenis, die voor Golden State in de NBA uitkomt) zullen wel van de partij zijn bij het pré-Olympische toernooi dat in juni volgend jaar in Spanje wordt gehouden en waar Litouwen een startbewijs voor de Spelen hoopt te verdienen. Er zijn slechts weinigen die twijfelen aan het niet slagen van die missie. Sterker nog: insiders in met name de Verenigde Staten voorspellen dat de finale in Barcelona een onderonsje zal worden tussen de veelvoudig Olympisch- en wereldkampioen en het nationale team van Litouwen.

Een voorspelling die best eens uit zou kunnen komen, want hoewel Litouwen maar 3.690.000 inwoners heeft, wordt er op zeer hoog niveau gebasketbald. Zo waren vier van de vijf spelers die in 1988 voor de Sovjet-Unie aan de (gewonnen) Olympische finale als starters begonnen, afkomstig uit Litouwen. En wie de geschiedenisboeken van het basketbal induikt kan zien dat het in die jaren eveneens onafhankelijke Litouwen in 1937 en 1939 kampioen van Europa was. Die titels waren vooral te danken aan de vanuit de Verenigde Staten teruggekeerde zonen van Litouwse emigranten, die het spelletje van Amerikaanse vriendjes hadden geleerd. Basketbal werd door de internationale successen al gauw de populairste sport van het land, wat het tot op de dag van vandaag nog steeds is.

Trainer van de nationale ploeg is Raimundas Sargunas, een man met veel ervaring (35 jaar coach van verschillende Litouwse jeugdteams, waar hij de meeste internationals van nu reeds onder zijn hoede had) die een ding in ieder geval niet hoeft te doen: het motiveren van zijn spelers. “Want”, zegt Jovaisa, “alle spelers zijn zo blij eindelijk voor Litouwen uit te kunnen en mogen komen dat we ons voor tweehonderd procent geven. Ook ik met mijn 37 jaar. Sinds kort voel ik me weer 29.”

Een probleem voor de trainer is dat het niet eenvoudig is al zijn topspelers voor het pré-Olympische toernooi bij elkaar te krijgen. Zo'n veertig potentiële internationals spelen sinds de onafhankelijkheid voor een goed belegde boterham in het buitenland en hebben daar clubverplichtingen. Sargunas ziet dat echter niet als een onoverkomelijk probleem. “Het is natuurlijk niet ideaal, maar als onze spelers voor de absolute topclubs in de absolute toplanden kunnen uitkomen, dan is dat alleen maar bevorderlijk voor hun eigen ontwikkeling. Daar zal het nationale team ook van profiteren.”

Een ander probleem is de gebrekkige financiële situatie van de nationale ploeg. Zelfs voor centrale trainingen in eigen land is momenteel nauwelijks geld beschikbaar. Sargunas' hoop is gevestigd op sponsoring, want van de Litouwse regering verwacht hij, wegens de slechte economische situatie waar het land in verkeert, geen geld: “Al wat er voor sport op de begroting stond, is al opgegaan aan de kosten van het IOC-lidmaadschap.” Een pas getekende sponsor-overeenkomst tussen een Duitse fabrikant van sportschoenen en het Litouwse nationale Olympische comité, waar ook de basketbalbond van zal profiteren, is voor Sargunas en zijn spelers in ieder geval een eerste stap in de goede richting.

Zowel Sargunas als Jovaisa weet dat de verwachtingen bij het eigen publiek voor wat betreft de Olympische Spelen hooggespannen zijn. Op succes (lees: een medaille) bij de Spelen van Barcelona wordt stilletjes gerekend. Want succes zal eindelijk de internationale erkenning betekenen van wat de Litouwers al jarenlang weten: dat in hun land op topniveau wordt gebasketbald en dat de gouden medaille van Seoul voor de Sovjet-Unie eigenlijk, of dan toch ten minste voor tachtig procent, aan Litouwen had moeten worden toegeschreven. “In de communistische landen was sport altijd een politiek instrument”, zegt Sargunas. “Met uitmuntende prestaties werd erkenning nagestreefd.” De coach denkt dan ook dat er vooralsnog niet veel is veranderd. “Een Olympische medaille voor Litouwen will put this country on the map en zal de nationalistische gevoelens versterken. Je merkt het nu al. De mensen zijn trots als een Litouwer internationaal succes boekt. En het maakt hen weinig uit of het een basketballer betreft of een musicus.”

Jovaisa, die in Duitsland speelt, denkt er net zo over als zijn coach. “Dingen als eigen shirtjes en de vlag, onze vlag, zijn niet alleen belangrijk voor de spelers, maar ook voor de man in de straat en voor Litouwen als onafhankelijk land. Voor de spelers speelde het politieke aspect nooit zo'n dominerende rol. Toen ik voor de Sovjet-Unie uitkwam wilde ik ook gewoon winnen. Het was overigens heus geen slechte tijd. Ik ben Europees- en wereldkampioen geweest en sommige spelers uit Rusland, met wie ik in de Sovjet-selectie zat, zijn goede vrienden geworden. Maar ja, ik heb 254 keer het Sovjet volkslied aan moeten horen en even zovele keren deed het me absoluut niets. Nu, bij het horen van ons volkslied, is dat anders. Het is hetzelfde als met dat shirtje. Ik krijg het koud en begin te bibberen.”