Ik neem het kwaad voor lief; Willem Brakman over het alzijdig wantrouwen

Het boze ligt overal op de loer, in de mens zelf, maar ook buiten hem. Schrijver Willem Brakman heeft een uitzonderlijk scherp oog voor beide soorten kwaad. Hij ziet het in de geestloosheid van deze tijd, en in zijn eigen hoofd als hij zich verheugt in andermans ongeluk. “Wie het verleert zichzelf met opeengeklemde tanden te bezien, die is verloren.”

De romans en essaybundels van Willem Brakman verschijnen bij uitgeverij Querido.

De duivel in eigen persoon komt maar zelden voor in het werk van Willem Brakman - en dan nog ligt het satanische er niet dik bovenop. In de roman Inferno moet hij het zonder hoeven en horentjes stellen. In de novelle De reis van de douanier naar Bentheim kreeg hij nog wel een bokkepoot, maar vaker is hij onzichtbaar. Toch is de Boze altijd wel op een of andere manier aanwezig, voorzien van mooie namen als de Grote Eunjer of de Heer der influisteringen. In Inferno, dat zich in zijn geheel afspeelt in het voorgeborchte, wordt hij intiem aangeduid met ”ons Heer'. Het is een bizarre, enigszins in verval geraakte hel, waar nog wel wat verdoemden gemarteld worden, maar waar de tijd van het grote weeklagen voorbij is. Geen wonder dat de hel hier dient als opstapje, als voorportaal naar de hemel, waar die andere Heer zetelt, die trouwens óók ”ons Heer' wordt genoemd en die verdacht veel lijkt op een gewone sterveling. Tussen de twee Heren is bij Brakman niet veel verschil. De Allerhoogste, de grote Verborgene, ons Va, De Here Hod, de Almachtige is al net zo'n merkwaardig personage als de Boze. Lang niet altijd heeft Hij het beste met zijn schepselen voor. Ook God ziet meer heil in narigheid dan in devotie. Handenwrijvend deelt de kardinaal die optreedt in de novelle Een heiligverklaring mee: “Dat is bestaan voor God: gevoelloze voeten, kippevel, de uitzichtloosheid, het te dun gekleed gaan, bemoste treden, bealgde heraldieke leeuwen, scheefgezakte grafzerken en geen koffie of taxi in zicht.” Degene die in het Brakmanuniversum werkelijk de touwtjes in handen heeft, dat is niet God of de duivel, maar iemand die wel eens ”de vreeswekkende en sterke' is genoemd. De identiteit van deze figuur, die een onmiskenbaar satanische inslag heeft, wordt nergens onthuld, maar het kan er maar één zijn en dat is de schrijver zelf. In zijn essay over eigen werk, Een wak in het kroos (1982) dichtte Brakman zichzelf al een Mefisto-kant toe, omdat hij de lezer probeert te verleiden, tot medeplichtigheid zou je kunnen zeggen. Met mooie woorden hoopt hij hem een wereld binnen te lokken waarin niets is zoals het lijkt, en niets blijft zoals het is. Hitte kan er bijna ongemerkt overgaan in bittere kou. In het hartelijke woord klinkt de akelige brul al door en in de vriend herkent men de trekken van de vijand. Een wrede, maar soms ook wonderschone wereld is het, waarin alles ertoe neigt in zijn tegendeel te verkeren.

Hebt u wel enig vertrouwen in de mensheid?

“De donkere ondertonen in mijn werk geven vaak aanleiding tot die vraag. Er is geen eeuw geweest die zo'n striptease van de beschaving te zien heeft gegeven als de onze. Nee, mijn blik op de mensheid is niet bijzonder rozig. Ik blaas het weliswaar op, maar in de vertekening ligt volgens mij meer waarheid dan in het volgen van de contouren van wat wij de werkelijkheid noemen. Als ik zo om me heen kijk, dan hebben we er niet veel van gebakken. ”Alles was ist, ist falsch', zei Adorno, die Auschwitz heeft overleefd. Berkeley, de leermeester van Eliot, zei het ook mooi: “In a world where everything is bad, it's good to know the worst”. Prachtige uitspraken vind ik dat en erg waar.

“Ik leef in een wereld van het alzijdig wantrouwen. De blik over de kraag, zo noem ik dat. Al mijn boeken zitten daar vol mee, met van die wonderlijke figuren die nog eens eventjes achterom kijken, wegschieten uit een portiek, of op de loer liggen in de bosjes. Het is een detective-achtige wereld die mij erg dierbaar is.”

Was is dat eigenlijk, het boze?

“Het boze, dat is de onderkant van de menselijke geest. Het is iets zeer wonderlijks, dat voor veel interpretaties vatbaar is. Neem nu zoiets als vriendschap. Opeens hoor je dat het niet goed gaat met een van je vrienden. Dat is niet prettig om te horen, maar ergens ook wel. Dat vaag morbide gevoel dat je niet uitsluitend het beste voorhebt met je vrienden, behoort volgens mij ook tot de vriendschap. Wie dat gevoel ontkent, kent zichzelf niet.”

Hoe moet je zo'n boosaardig gevoel verklaren?

“Als een vriend iets overkomt, dan heeft dat voor mij een bezwerend karakter. Wat wij van de dood vrezen, dat is het geniepige pootje haken. De horror waaraan wij dag in dag uit blootgesteld zijn, dat is de gedachte dat je uit de volle kracht van het leven kunt worden weggemaaid. Dat is het angstbeeld, het Dante-visioen. Alles wat zich aan een ander voltrekt, dat overkomt mij bij wijze van spreken niet, en maakt dus de soep dunner.

Het maakt verschil of je over dit kwaad in jezelf kunt nadenken of niet. Als je erover na kunt denken, dan kun je het ook in de hand houden.''

Het lijkt me niet eenvoudig om jezelf op dit soort slechtheid te betrappen

“Het is inderdaad gemakkelijker gezegd dan gedaan, dat ”ken u zelf'. Toch zou iedereen ernaar moeten streven. Want wie niet op het beslissende moment ook een hekel heeft aan zichzelf, die ontkent volgens mij de waarheid. De waarheid hangt altijd ergens uit waar je hem niet hebben wilt. Vooral bij oude mensen zie je die verdringing. Het enge van oude mensen is vaak dat ze zo lief zijn voor zichzelf. ”Zo. Even m'n hoedje. Stokje. Tasje om. En nu even oppassen voor het stoepje'. Dat haat ik als de hel. Dat infantiele zich verzinken in dat ikke lieve ikke. Gruwelijk. Wie het verleert zichzelf met opeengeklemde tanden te bezien, die is verloren.”

Bent u zich deze dingen altijd bewust geweest?

“Meer dan een ander, vermoedelijk. Dat komt door iets dat ik op een geheimzinnige wijze bezit en waar ik veel aan geleden heb. Ik ben een onaangepaste. Ik ben een vierkante pin, terwijl er alleen maar ronde gaten zijn. Op de een of andere manier wek ik altijd de indruk er niet bij te horen en roet in het eten te gooien. Zo heb ik bijvoorbeeld een keer of drie op moeten komen voor een herhalingsoefening. Dan sta je met mensen van alle rangen en standen in een lange rij. Daar is ook de commandant, eveneens gerecruteerd uit het burgerleven. Hoopvol en vol genegenheid spreekt hij zijn manschappen toe, want met deze mensen zal hij het zes weken moeten stellen. Glimlachend overziet hij de rij, maar bij mij staat hij stil. Ik zie zijn ogen verdonkeren. Dat is altijd zo geweest. Het Kaïnsteken hè. Het is een van de demonen die me m'n leven lang nooit hebben verlaten.

“Als kind had ik het al. Mijn moeder, die het geloof in mij nooit helemaal verloren heeft, vond dat ik op een gymnastiekvereniging moest. Ik kreeg een mooi pakje aan, dat wel, maar op het moment dat ik mee ging doen, gebeurde er iets in de kosmos. Iets kraakte en knarste eventjes. Iedereen voelde meteen: hier klopt iets niet. Padvinderij, idem dito. Op zichzelf al wonderlijk. Ik was nog geen twee keer geweest of hopman Deuschen kwam al bij ons thuis om met mijn ouders te praten. Gemompel achter de deur over mij, dat ken ik maar al te goed, dat heeft me ook mijn leven lang achtervolgd. Mijn broer was een heel ander type, een vlugge en lenige jongen. Ik bewonderde hem zeer, vooral met voetballen. Niets is onoverzichtelijker dan zo'n veld, maar hij stond altijd op de goede plek. Nee, dan ik. Waar ik ben, daar komt de bal niet en daar zál hij ook nooit meer komen. Het zijn geheimzinnigheden die je eigenlijk niet ten nadele van het leven of van jezelf zou moeten uitleggen. Deze wanverhouding tussen het ik en het andere, dat is ook het zout in de pap.”

Het is dus niet alleen vervelend om een onaangepaste te zijn?

“Nee, want de geest is voor mij veel belangrijker dan het lichaam. En waaraan ontwikkelt zich een geest beter dan aan wanhoop, een rotbehandeling of aan onbegrip? Geest en stoornis hangen altijd samen. Nietzsche zegt: ”Wo Geist ist, da ist das Pathologische'. ”Genie ist Krankheit', zegt Thomas Mann. Gezondheid spreekt voor zich, daar hoef je het niet over te hebben. Alleen de zieke, de onaangepaste, hypergevoelige, neurotische, psychopathische of depressieve mens heeft iets te vertellen. Het is mijn overtuiging dat het alleen de afwijkende mens gegeven is om tot de werkelijkheid door te dringen.”

Toch is het mij nog niet helemaal duidelijk welke plaats het boze nu inneemt in uw leven en werk

“De zonde in mijn leven, het duivelse en demonische, dat is de fascinatie voor het eigen geestesleven. Het houdt een zeker gevaar in om je af te wenden van de zichtbare werkelijkheid, om je vooral te verdiepen in jezelf. Maar het is een verleiding waaraan ik nooit weerstand heb kunnen bieden. Ik heb me altijd aangetrokken gevoeld tot mensen die dat ook hadden: Kierkegaard, Kafka, Proust, Mann. Het kwaad zit ingebakken in deze schrijvers en ook in mij. Want het is in zekere zin ontoelaatbaar en hoogmoedig om je eigen gedachtengangen belangrijker te vinden dan al het andere. Als je, zoals Kierkegaard deed, van een werkelijke geliefde dé geliefde maakt, een abstractie, dan doe je daarmee die ene vrouw groot onrecht.

“Maar ik zou niet weten hoe het anders moest en neem daarom het kwaad voor lief. Want de geest, dat is voor mij de grondtoon van het bestaan. Wat heeft het voor zin om binnen de onmiddellijkheid te leven? Wat heb je aan het leven als je niet reflecteert? Als je in een museum niet verder komt dan ”Fantastisch zeg' en ”Moet je daar eens kijken'. Wie niet nadenkt, doet geen ervaringen op. Tenzij die van de dressuur. De geest wordt niet gevoed door koolhydraten, eiwitten en vetten, maar door verworven ervaringen.”

Hoe zou u uw karakter omschrijven?

“Ik ben een zachtmoedige. Het is een zwaar lot als je werkelijk talent hebt voor de zachte dingen. Ik en dieren bijvoorbeeld, dat is een bron van ergernis voor iedereen. Als ik een bij in een plas water zie liggen, dan ga ik hem redden. Als ik een hengelaar een worm aan de haak zie frummelen, dan kan ik hem wel de vaart intrappen. Je kunt wel zeggen dat er genoeg vliegen zijn, maar dit, dit is mijn vlieg, die zie ik in een spinneweb en die haal ik eruit. Ik Almachtige, sta tegenover iets dat absoluut prooi is. Die situatie vind ik niet evenwichtig en dan red ik zo'n beest. Het zijn vermoedelijk identificaties, die je niet al te positief moet zien. Ik ben geen heilige.”

Voelt u zich als schrijver op juiste waarde geschat?

“Deze tijd tendeert naar het geestloze, naar onverschilligheid voor literatuur waarin werkelijk wordt nagedacht over het leven. Misschien ligt daar nog eerder het boze op de loer dan in mij. Een boek schrijven is niet niks. Zin voor zin komt het tot stand. Een eindeloos dubben, aarzelen, wikken en wegen. Denk aan wat er in de bijbel staat. Christus zegt ergens: ”Ik heb tot jullie gesproken en jullie hebben niet willen luisteren, ik heb fluit gespeeld, maar jullie hebben niet willen dansen.' Ik wil mezelf natuurlijk niet met Christus vergelijken, maar een formele overeenkomst is er. Ik klaag niet over gebrek aan erkenning. Ik heb de P.C. Hooftprijs gekregen en nu is onlangs die Brakmankring opgericht. Tja. Welke schrijver zou daar niet zowel warm als koud van worden? Ik ben alleen geen man van festiviteiten. Door het gematigde succes dat ik altijd had, heb ik altijd ten volle en in alle rust degene kunnen zijn die ik werkelijk was. Denk niet dat openbare loftuitingen zo onschuldig kunnen zijn. Camus was vernietigd na de Nobelprijs en heeft geen letter meer geschreven. Ik ben blij met de boeken die ik heb geschreven, niet met geld of roem. 't Is net zoiets als de dansvloer opgaan. Daar hoor ik ook niet. Ik ben motorisch zwak begaafd. Als ik word geprezen ten overstaan van een zaal vol feestelijke figuren, dan voel ik mij ridicuul.”

Maar u bent wel een begenadigd spreker.

“Jawel, maar ik weet me meestal niet goed raad met mijn figuur. Mijn broer had een diabolisch inzicht in die dingen. Op een gevoelige leeftijd zei hij tegen mij, met zo'n peinzende blik: ”Je hebt te korte benen. Een te groot hoofd ook.' Ik hoor het hem nóg zeggen. Het is een literaire uitspraak, want opeens herken je de waarheid ervan. Wat nu, denk je dan. Nog een heel leven voor je, met te korte benen en een te groot hoofd.”

Waarin onderscheidt zich een schrijver van een gewone sterveling?

“Een schrijver is iemand die uit kleine gebeurtenissen grote ervaringen put. Een gewoon mens put kleine ervaringen uit grote gebeurtenissen. Daar kies je niet voor, dat ben je. Vooral de hevigheid van de ervaring, het enorme geluksgevoel dat ik van vroeger ken, is bepalend voor een leven. Om je heen verbrokkelen de dingen, maar degene die zich herinnert, ziet alles in een groot verband, tot in de laatste arabeske. Steeds is er het verlangen naar de beleving van vroeger, de hongerige blik over lege velden, vijvers en eendjes. In dat intense, maar onstilbare verlangen om samen te vallen met het kind dat je ooit was, ligt een gruwelverhaal met alle mogelijkheden voor de Boze.”

Stammen de demonen in uw werk allemaal uit uw jeugd?

“Jazeker. In de jeugd voltrekt zich iets onherstelbaars en mijn vader was daar niet geheel schuldeloos aan. Van hem heb ik de figuur van de Boze. En van hem weet ik ook dat God alles ziet en dat hij hoger woont dan de sterren. Maar ook leverde hij het voedsel voor andere schijngestalten. Demonen zijn de natuurkrachten in de mens die zich niet weg laten verklaren en waartegen geen verweer mogelijk is. Begraven, dat is er zo een, dat is levend in de kist. Begraven is diep in de kuil neergelaten worden, levend en wel, terwijl iedereen het kerkhof verlaat met de hoed in de hand. De absolute en afgrijselijke eenzaamheid die daarin schuilgaat, die heb ik ervaren toen de moeder van kruidenier Breure begraven werd. Mijn broer, twee jaar ouder dan ik, en een satanische figuur in dit opzicht, zei: ”Daar ligt ze in'. Het ijzingwekkende dat er mensen lagen in die zwartgelakte kisten! Die schoven ze dan op zo'n koets. Allemaal bedroefde mensen erachter. ”Ja', zei Frans Schilts, jonger dan ik - hij had een grote en indrukwekkende, metalige stem en hij sprak met veel overtuigingskracht want hij had astma - ”ja, we gaan allemaal dood'. Ik was verpletterd en daar kwam het commentaar van mijn broer nog eens bij: ”Maar eerst hebben we nog heel lang heel erg veel pijn.' Vreselijke uitspraken, die me nooit meer hebben verlaten. Ook zijn er gruwelijke beelden van toen ik als jongetje in de kamer een keer ”godverdomme' mompelde. Opeens spatte mijn vader uit de muur. Uit het niets, ik zweer het. Hij riep krijtwit: ”Weet je wel wat je daar zegt? God verdoem mij!' Ik schrok me te pletter. Ik geloof dat ik zelfs een plasje heb laten lopen. Dat zijn natuurlijk zware klappen.”

Hebt u een religieuze opvoeding gehad?

“Dat kan ik niet zeggen, maar mijn vader leed wel aan religieuze insulten. Dan begon hij aan tafel sonoor uit de bijbel voor te lezen. Wij, mijn moeder, broer en ik zaten er altijd met gekromde tenen bij. Mijn broer vond het alleen maar gênant, maar mij bracht het in grote verwarring. Toen mijn grootvader, die bij ons inwoonde, op een nacht een hartinfarct kreeg en het uitschreeuwde van pijn, wist ik me geen raad. Voordat ik het wist zat ik op mijn knieën op bed en smeekte God in uiterste ontzetting om bijstand. Daartussendoor hoorde ik het gegiechel van mijn broer. Bizarre gebeurtenissen zijn het, waarvan het stempel sissend de was in gaat.

“En dan de Julianakerk. Altijd als ik er voorbij ging, werd er net een kist uitgedragen, alsof de duivel ermee samenhing. Ik zeg wel eens: als ze niet aan een echte begrafenis bezig zijn, dan is een lege kist al voldoende. Die gooi je gauw in een auto, een paar bloemen erop en daar hobbelen ze weer voorbij. Hier in Boekelo ook. Daar ligt het crematorium. Ik kan de stad niet ingaan of daar komen ze alweer aan, verdomme. Dan hoor ik weer de stem van mijn moeder die als ze zo'n stoet zag altijd zei: Heer, laat deze ziel in vrede gaan.”

Hoe staat u nú tegenover het hogere?

“Ik heb er minder lol in dan vroeger om grappen te maken over het geloof en ik ben nu zelfs blij dat er in het leven van alledag nog een besef is van verticaliteit, ook al zijn het maar restanten. Af en toe ga ik naar die prachtige Dom van Münster, die op raadselachtige wijze, vermoedelijk voor mij, gespaard is gebleven. Een Kafka-dom, met regenachtig groenig licht, duistere hoeken, mooie goed afgestemde galm, oud hout. Nooit zal ik in de Dom van Münster zijn, of ik steek kaarsjes aan voor allen die mij dierbaar zijn. Dat meen ik serieus. Het zijn randgebieden. Ik kan niet bewijzen dat daardoor het licht in kosmische zin over mijn familie ontstoken wordt, maar ik stel dat het zo is en dat geeft de burger steun. Hoe troosteloos deze werkelijkheid ook is, hoe uitzichtloos, hoe beroerd het zich ook allemaal ontwikkelt, toch kan het geluk er nooit door worden weggestreept. Ik geloof erin en waarom? Ik heb het meegemaakt. Als je het ervaren van geluksmomenten niet als mogelijkheid handhaaft, dan kun je niet langer leven.”