Het einde van het jaar

Aan kleine Karl werd door de duivel "de hele wereld en een paar nieuwe schaatsen' beloofd als hij het woord eeuwigheid zou kunnen vormen. Hamlet ziet een geest en vraagt zich af of het de duivel is. In Amsterdam kan men soms een geheimzinnig lachen horen. Wat is het kwaad dat de duivel je berokkent? “Daar zit je en je voelt de warmte van de anderen die niet bij jou zijn en je voelt de leegte om je heen en niets weet je - een zandkorrel heeft meer verstand dan jij.”

Ik zal nu een verhaal vertellen, zoals het mij werkelijk vergaan is en er zal geen woord van verzonnen zijn. Het vertelde kent vijf episodes, geen een meer of minder dan er waren. Hier schrijft iemand die oprecht is en de waarde kent van een moraal, maar niet van een geschiedenis.

1

Op een karige maandagmorgen, kort na Allerzielen, belde de krant die ik lees op, met de vraag of ik niet een verhaal wilde schrijven over de duivel. Ik zei onmiddellijk ja. Geld ontvangen van de duivel, dankzij hem als het ware - ik had geen moment bedenkingen. Integendeel. Na mijn volmondige toezegging was het of de kamer lichter werd, alsof er al gestoft en gestreken was en onbekommerd wijdde ik me aan andere bezigheden, die me nu licht en makkelijk toeschenen. Geen taak was meer onoverkomelijk, de zon brak door en met een glimlach betaalde ik mijn werkster haar gage.

Die hele maand, "grijze als een emmer' zoals onze grote dichter zei, stond in het teken van een arbeidzame opgewektheid, een gewichtsloosheid bijna, die mij tot drie keer toe lijn zes op het nippertje liet bespringen, zonder dat er sprake was van ademnood of hartkloppingen. Dat had ik wel anders meegemaakt, bedacht ik tevreden, terwijl op dat moment in lijn negen een onschuldige werd neergestoken. Ik herinner me dat ik op de Overtoom een verlichte maar verlaten huiskamer binnenkeek.

Zo nu en dan liet ik tegenover een intieme vriend of vriendin doorschemeren dat ik bezig was aan een artikel over de duivel dat op die-en-die datum diende te worden ingeleverd. Waarom ik "artikel' zei, weet ik niet meer. Misschien was het om het allemaal wat doordachter te laten klinken, om hen van het begin af aan niet in twijfel te laten over het gewicht dat ik het onderwerp toedichtte, om ze te doordringen van de ernst waarmee ik de opzet benaderde. Het is niet onwaarschijnlijk dat ik daarmee succes oogstte, want de gezichten tegenover mij vertoonden zonder mankeren eerst een uitdrukking van weergaloze domheid, die na een paar tellen overging in een glazige, diepe somberte. Het was alsof ik hun pijnlijkste zenuw had blootgelegd, hen herinnerde aan iets dat ze op een verloren plank hadden gestald, iets dat aan niemand kado was te doen en ook niet kon worden weggegooid.

In het begin maakte ik me over die reacties geen zorgen. Er was niemand die me het onderwerp benijdde, zo leek het, maar ook niemand die de geldigheid ervan bestreed. Wat me opviel was dat geen van hen informeerde naar de hoogte van het bedrag dat ik zou opstrijken. In andere gevallen was dat altijd een kwestie van overweging geweest, of ten minste aanleiding tot hoon of razernij.

Het vreemde was dat door de manier waarop ze reageerden, die bestond uit tweemaal knikken met het hoofd en er verder het zwijgen toe doen, mijn aanvankelijk opgewekte stemming begon te tanen. Welaan, hield ik mezelf voor, zo moeilijk was de opdracht nu ook weer niet. De krant had me verzekerd dat ik me om het cultureel-historische gedeelte geen zorgen hoefde te maken; dat zou een geleerde voor zijn rekening nemen. Ik mocht me bepalen tot een hoogst persoonlijke stellingname. Die kant van de uitnodiging bracht me langzaam maar zeker tot wanhoop.

2

Halverwege de maand leek de tijd stil te staan. De ene dag leek op de andere, de dagen konden hun eigen getal niet meer lezen. En ook het weer kende geen enkele beroering. Bomen en lantarenpalen spiegelden zich kaarsrecht in het roerloze water; een flauwe nevel maakte de geluiden hol, maar onbelangrijk. Ik vroeg me af, terwijl ik het veer van Vlissingen naar Breskens opliep, hoe iemand uit het mediterrane zuiden die voor het eerst de oranjebestraalde nachtelijke nevel- en watermassa om zich heen voelde, dat in zijn beeld zou passen van wraak en verlies.

Maar het was er de tijd niet naar om lang bij kleinigheden stil te staan. De kou van de winter kondigde zich aan en de duivel wachtte roerloos ergens in de mist op het moment dat ik hem aan zou pakken. Gelukkig besefte ik bijtijds dat ik het karwei niet in mijn eentje hoefde te klaren. Ongetwijfeld waren er in mijn jeugd beelden opgeroepen van zijn gestalte en betekenis, die niet hadden nagelaten mij afkeer en angst in te boezemen. Stank en rottenis moesten toch hun plaats gevonden hebben in de verhalen? Er bestond, in mij opgeslagen, toch wel een beeld van de Duivel?

Ongetwijfeld, maar de waarheid was ook dat het beeld dat canoniek uit de verhalen opdook, mij nooit ook maar in het minst geïmponeerd had. Hoogmoed en naïeveteit, dacht ik toen het veer zich van de kade losmaakte en zich hoog op het water naar Breskens begaf. Door de wind- en waterdichte ruiten keek ik negen meter diep naar het zwart-oranje kolkende water tussen de scheepswand en het houten beschot - hoogmoed en naïeveteit, waren dat niet de eigenschappen die mijn bestaan het meest schade berokkenden? Naast mij sliep een jong hondje in zijn reistas.

Zodra ik van mijn reis thuisgekomen was, besloot ik een van de vijf boeken open te slaan, die mij de richting moesten wijzen waarin ik zoeken moest. Opgewekt begaf ik mij op het ijs van het eerste boek, De sneeuwkoningin van Hans Christiaan Andersen. Daar was hij, de Duivel, meteen in de eerste geschiedenis "die gaat over de spiegel en de scherven'. Hij draagt horens en heeft bokkepoten, maar wie is daar nog bang voor, die niet meer in een stal hoeft te slapen? Bij Andersen gaat het om 's Duivels kunststuk, de spiegel die alles wat waardevol is omkeert in zijn tegendeel. Van de schepping Gods kon ik me daarbij nog wel een voorstelling maken en bedroefd overdacht ik van alles.

Hoe hoger de spiegel in de ruimte van de geschiedenis wordt gedragen, des te gruwelijker de grijns die je eruit tegemoet komt. Totdat de spiegel het rijk van de engelen nadert en van trillende verschrikking uit elkaar springt. Dan vliegen miljarden splinters over de aarde en nestelen zich in het oog en het hart van de mensen.

Een van die mensen is de kleine Karl, die al in breuken rekenen kan. Zijn verblind oog en versplinterd hart laten hem de sneeuwkoningin volgen, ver naar het hoge noorden, waar alles koud en harteloos is. Daar wordt hem beloofd dat hij zijn eigen heer en meester zal zijn, dat hij “de hele wereld en een paar nieuwe schaatsen” zal krijgen, zodra hij het woord "eeuwigheid' kan vormen. Maar hij kan het niet.

Maar hij kan het niet.

Drie keer las ik de zin over voordat ik begreep dat ik te vroeg gejuicht had. Duivelspoten hadden mij dan wel niet kunnen imponeren, hier struikelde ik toch over een eenvoudig zinnetje in een sprookje. Wat deed het ertoe of de kleine Karl ontdooit door de inspanningen van het kleine Gretchen en op het eind van het sprookje met haar een eeuwige zomer mag beleven? Dat verwijst naar het privatio-boni principe: de duivel wordt geformuleerd als de afwezigheid van het Goede. Zodra het Goede aan de poorten van het ijspaleis klopt, is het leed geleden. Maar zo makkelijk is het niet. Over dat simpele zinnetje had ik al die jaren heengelezen. Wat ik begeerde was “de hele wereld en een paar nieuwe schaatsen”. Maar het woord "eeuwigheid' vormen - dat kon ik niet.

Het was vijf uur. Het uur waarop de scherf van de spiegel in hart en oog terechtkomt. De novemberavond viel als een deken over de huizen en de tuinen. Ik liet de lichten aan en schoot in mijn jas. Toen ik de deur achter mij dichttrok, meende ik de Duivel te horen grinniken.

3

De rest van de maand bestond uit nachten vol kabaal en liefde. Elke deur die ik opendeed, vertoonde een pandemonium. Het was alsof het evenwicht dat we met z'n allen na veel inspanning hadden weten te bereiken, door ongekende krachten teniet werd gedaan. Overal werd wel een begrafenis gehouden of een bruiloft gevierd en vaak wist ik niet in welke partij ik was beland.

Intussen drong de tijd. Ik begon precies uit te rekenen hoeveel geheel vrije dagen ik kon overhouden voor mijn artikel, waar ik steeds minder raad mee wist. De geest moet vrij zijn, hield ik mijn spiegelbeeld voor. Daarom was het het beste dat ik eerst alle andere dingen opschreef, waar ik mijn hand niet voor omdraaide. Zo schreef ik overdag achter mijn bureau lange vellen vol over uiteenlopende onderwerpen, waarvan ik nooit had vermoed dat ik er verstand van had. Het was, eerlijk gezegd, opmerkelijk hoe makkelijk me dat afging. Wat had ik vroeger toch gezucht over dingen, die goed beschouwd helder en ondubbelzinnig waren! 's Morgens wachtte ik vol ongeduld op de postbode en als ik het pakje aangenomen had, opende ik het, las de inhoud en schreef ongezouten op wat het allemaal voorstelde. Steeds sneller dienden de pakjes zich aan, steeds enthousiaster schreef ik mijn vellen vol. Hoe eerder mijn hoofd vrij was hoe beter.

Over mijn artikel durfde ik tegenover vrienden niet meer te praten. In eerste instantie was hun reactie lauw, bijna bang geweest en ik kreeg, zonder daar bewijzen voor te kunnen aanvoeren, de indruk dat ze het liefste zagen dat ik in mijn opzet niet zou slagen. In hun aanwezigheid hield ik nog wel een glimlach op, die moest verraden hoe hun verachting om zou slaan in schrik als ze het artikel eenmaal onder hun neus hadden, maar thuis schrompelde ik meer en meer ineen achter mijn volgeschreven vellen en steeds vroeger in de middag was het licht in de kamer zo diffuus geworden, dat de inkt op het papier onleesbaar werd.

Op een van de bruiloft- en begrafenisavonden waagde ik het mijn nood te klagen bij een jonge Bulgaar. “Geen nood”, zei die opgeruimd, terwijl hij zijn jas aantrok en zijn hoed opzette en mij tussen het glasgerinkel door resoluut naar de uitgang geleidde. “Je moet een titel hebben, daar komt het op aan. Ik stel voor: "Europese schrijvers in perspectief; Metamorfose der onwetendheid.' Dan kun je verder beweren wat je wilt, geen hond die nog naar je luistert, de titel slokt al hun aandacht op en hun onnozele oren zijn doof voor enige inhoud. Voilà!”, zei hij en liet me verbluft op de hoek staan. Ik zag zijn zwarte hoed en jas in de mist verdwijnen en hoorde nog lang de echo van zijn lach tegen de huizen. Ik keek omhoog. Een bleke maan hing boven de gevel van de kerk De Duif. Uit het water van de Prinsengracht steeg nevel op. Op het Amstelveld hoorde ik van verschillende kanten een fluitje, gevolgd door een kort bevel. Het kleine klokje van de Amstelkerk sloeg tingelend twaalf korte slagen.

Eén december. De wintermaand was begonnen. Ik moest haast maken. Ik moest iets te weten komen over de andere kant van het Steen. In mijn kamer sloeg ik gauw Shakespeare op, mijn tweede en derde boek. En ja, mijn intuïtie had me niet bedrogen. Ook op de eerste bladzijden van de Hamlet was het twaalf uur 's nachts en als de geest van Hamlets vader verschijnt, zijn er drie getuigen op de tinnen van Elsinore: de ongeletterde wachten en de scepticus van Wittenberg, Horatio. En wat te denken van Hamlet zelf, de nacht daarop, als hij gesproken heeft met de geest van zijn vader en uitroept: “The time is out of joint”? Lach ik om Hamlet die zich laat leiden door een geestesverschijning? Lach ik zoals Lady Macbeth, die tegen de ontdane moordenaar Macbeth ter geruststelling zegt: “'Tis the eye of childhood That fears a painted devil.”?

Let op! zegt Hamlet-commentator Dover Wilson. Wij kunnen het begin van de Hamlet wel beschouwen als een achterhaalde traditie, waarin men geloofde dat de doden konden opstaan uit hel of vagevuur. Wij kunnen wel roepen dat we niet in die dingen geloven, maar je doet het stuk, de dramatische opbouw ervan, onrecht als je je niet verplaatst in de Elisabethaanse toeschouwer van die tijd. Die zag de verschijning als echt, evenals Hamlet zelf, die overigens als student de modernste theorieën eromtrent kende. Evenals Horatio, de sceptische filosoof die roept: “Stay Illusion!”. Juist de kentering in het geloof omtrent verschijningen, zegt Dover Wilson, maakt het zo aktueel dat Hamlet twijfelt of wat hij gezien heeft juist is, of slechts een spiegeling van de geest. De openingszinnen op de transen van Elsinore zetten de tragedie van de twijfelende Hamlet in gang. “Oh, my prophetic soul!”

En moeten we niet acht slaan op de brave Marcellus, een van de wachten in die nacht, die hoopvol te berde brengt dat sommigen zeggen dat in het seizoen van de geboorte van Christus de haan de hele nacht kraait, zodat geen geest zich durft te roeren? Dan zijn de nachten “wholesome, no planet strikes (. . .) no witch has power to charm.” Deze stad kent geen hanen, ook niet in de maand december. De nachten staan stil. De hanen zijn de nek omgedraaid.

4

Ik ging er toe over de ramen en deuren te sluiten, de postbode te negeren en legde mij geheel toe op studie en gedachte. De beschreven vellen gooide ik weg. De Duivel - ik had hem nooit gevreesd, mijn hart klopte normaal, vergewiste ik me, mijn bloed kookte niet. Vraag mij waar ik bang voor ben en ik zal zeggen: voor geldgebrek en knellende schoenen. Vraag mij waarin ik geloof - nu, toe maar -: in onrechtvaardigheid en onverschilligheid. Zo negatief! berispte ik mezelf, zo negatief, het is alsof de Duivel in je rondwaart.

Moedeloos raadpleegde ik het vierde boek waarin Jezus van Nazareth na een verblijf van veertig dagen in de woestijn bezocht wordt door de Duivel; werp jezelf naar beneden en de engelen zullen je dragen; maak van deze stenen brood als je hongerig bent; kniel voor me en de aarde is van jou. Maar golden die drie verzoekingen mij? Ik had geen honger, ik stond niet op grote hoogte en ik knielde slechts om mijn veters te strikken. Mijn verlangen was gereduceerd. Van de hele wereld wilde ik alleen nog maar een paar nieuwe schaatsen.

5

De vijfde december brak aan. Helaas had ik uitnodigingen moeten afslaan. Ik had uitgekeken naar deze geheimzinnige avond, waar bij mij om de hoek linzen op tafel zouden komen met zoet-hete worstjes en er hevig gediscussieerd zou worden over de Bulgaarse volksmuziek. Ik dacht aan de ogen van de kinderen Jonathan en Elisabeth als ze het gestommel op zolder zouden horen. Ik herinnerde me van vroeger hoe die avond boos en donker was en alleen het lamplicht bescherming bood.

En de aanwezigheid van anderen.

Maar ik was alleen met de spiegel, de transen van Elsinore en de woestijn. Hoe was ik in deze onhoudbare positie verzeild geraakt? Met bitterheid dacht ik terug aan de maandagochtend na Allerzielen. Een stem door de telefoon vraagt je over de Duivel te schrijven; je loopt wekenlang glimlachend om het probleem heen en kijk nu eens, kijk nu toch eens: daar zit je en je voelt de warmte van de anderen die niet bij jou zijn en je voelt de leegte om je heen en niets weet je - een zandkorrel heeft meer verstand dan jij.

Ten einde raad nam ik een klakkeloos besluit. Ik klom op de ladder naar de bovenste boekenplank. Ik zou een boek van Jorge Luis Borges pakken, ongeacht welk en ik zou een bladzijde openslaan, zonder voorbedachten rade. Welk stuk tekst ik ook onder ogen kreeg - het moest op de een of andere manier het antwoord geven dat ik nodig had om mijn artikel te schrijven. Er zou niet gesjoemeld worden, hield ik mezelf streng voor. Het boek dat mijn hand pakte, heette Het geheimschrift.

Nu begon mijn hart wel degelijk te luid te kloppen. Met trillende vingers hield ik de opgeslagen pagina onder het lamplicht. Ik las het gedicht "De woestijn'. Ik las het met stijgende verbazing: “Als ik de eenzaamheid in moet,- ben ik al alleen.- Als de dorst me toch zal verzengen,- laat het dan meteen gebeuren.” Dit zijn parabels, zegt de dichter Borges.

Ongelovig keek ik in het midden van de kamer om me heen. In Madrid klonk op dat moment donderend het "Dies irae, Dies illa' uit het Requiem van Mozart, die om één uur diezelfde nacht zou sterven. In een lucide seconde begreep ik de opzet van het moment. Verslagen ging ik aan mijn bureau zitten om op te schrijven wat er gebeurd was de afgelopen tijd. Wanneer ik opkeek en het donkere vensterglas mijn gezicht weerspiegelde, zag ik hoe achter mijn schouder de Duivel grinnikend mijn cheque ondertekende.