Het donkere ongewisse

De duivel reisde met de trein, daardoor was het benauwd en overvol.

In een schilderachtig bergstadje stapte hij uit voor een korte vakantie. Hij liep door de hoofdstraat naar het hotel. De mensen stoven uiteen en vluchtten hun huizen in. Er viel een doodse stilte.

Om niet langer herkend te worden, verborg de duivel zich achter een schutting, deed zijn kleren uit, verwijderde het ijzeren beslag onder zijn hoeven, lispelde een geheime formule en veranderde in een draak.

Nu kon hij rustig over straat lopen zonder herkend te worden. Wel kreeg hij een eigenaardig soort honger en na het vallen van de avond rammelde zijn maag zo erg dat het wel op onweer leek. Als hij een boer liet kwamen er rokende bliksemschichten uit zijn bek.

In het donker dreef zijn griezelige honger hem naar de slaapkamers van de stadsbewoners.

Telkens als een vrouw eerder naar bed ging dan haar man drong de draak de slaapkamer binnen en slokte de vrouw in een keer op. Dan kwam zij in het donkere ongewisse terecht. De draak legde zijn staart op de plaats waar de vrouw had gelegen. Wanneer nu de man even later naar bed ging en zich tegen de vlezige staart aan vlijde, in de veronderstelling het lichaam van zijn geliefde te beroeren, viel hij onmiddellijk in een diepe slaap.

De draak klom de hele nacht over daken en balkons en hapte alle vrouwen uit hun bed.

Bij het aanbreken van de dag verstopte hij zich buiten het stadje. Daar pompte hij zich op tot een reusachtige berg, zodat hij leek op de bergen om hem heen. Zijn huid was door de spanning van het opblazen zo strak en dun geworden dat de zon erdoor in zijn binnenste scheen.

Daar wandelden veel vrouwen door het vreemde landschap en kwamen elkaar tegen.