God

De afgelopen dagen heb ik veel over God horen preken en spreken. Een paar opmerkingen heb ik voor u genoteerd.

1. De aftakeling van het geloof is begonnen bij de Reformatie. Daarvoor gingen de mensen trouw naar de kerk en beleden zij hun zonden in de biechtstoel. Dat was allemaal van hogerhand opgelegd. De vanzelfsprekendheid van het geloof werd verstoord, toen het protestantisme een gevaarlijk atheïstisch element binnenbracht: de persoonlijke beleving.

Vanaf dat ogenblik kon je God ervaren als je langs het strand liep bij een ondergaande zon. Je was in gesprek met God of je hield een dialoog met Hem. Samen, met zijn tweetjes. Soms openbaarde God zich zelfs in het contact met de medemens, dat was het toppunt van profaniteit. Logisch dat de gelovigen niet meer naar de kerk gingen, maar liever naar het strand of naar het café.

In de twintigste eeuw wendde de persoonlijke beleving zich steeds meer af van God, maar daar kwam een nieuw object voor in de plaats: de beeldende kunst. De kerken lopen leeg, maar voor de musea staan tegenwoordig lange rijen wachtenden. Zelfs bij het goedkoopste bustochtje naar Parijs zit nog een kaartje voor het Louvre inbegrepen. De mensen gaan voor een schilderij staan en zeggen: “Dat vind ik nou mooi”. Vraag hun niet waarom ze dat mooi vinden, want dat kunnen ze nauwelijks uitleggen. Over smaak valt wel te twisten, maar evenals bij het geloof valt er nooit iets beslissends over te zeggen.

Evenals het geloof is de beeldende kunst inhoudelijk leeg. Je begrijpt onmiddellijk wat ik daarmee bedoel als je bij voorbeeld een jaargang van het Museumjournaal doorbladert. Daar staat eigenlijk nooit iets zinnigs of concreets in. Het is een taalspel voor ingewijden, vooral bedoeld om indruk te maken op de grote gemeente van onwetenden. Moderne kunstkritiek is het kerklatijn van nu. Vertaal het nooit in begrijpelijk Nederlands, want dat zou het einde van het geloof betekenen. In deze kerk zijn de museumdirecteuren de bisschoppen. Fuchs en Beeren zijn de pausen. Begrijpt u nu waarom Beeren blijft zitten, als een van zijn schilderijen onherstelbaar wordt gerestaureerd? Hij is immers onfeilbaar.

2. Een dezer dagen vertelde iemand mij een mop, die ik vroeger ook al eens had gehoord, maar die ik - zoals bijna alle moppen - weer was vergeten. (Een interessante vraag voor onderzoek: waarom worden moppen toch zo snel vergeten?). Toen ik de mop voor het eerst hoorde, ging er een wereld voor mij open.

Een pastoor, een dominee en een rabbijn bespreken met elkaar hoe zij het kerkegeld moeten verdelen. De pastoor zegt: “Ik teken een lijn op de grond en dan gooi ik het geld omhoog. Wat rechts van de lijn valt is van God, wat links valt is van mij.” De dominee zegt: “Ik doe net zoiets, maar een tikje anders. Ik teken een cirkel op de grond. Wat in de cirkel valt is van God, wat daarbuiten terecht komt is van mij.” Dan neemt de rabbijn het woord. Hij zegt: “Ook ik doe bijna precies zoals jullie, maar met één klein verschil. Ik gooi het geld omhoog en wat God dan pakken kan, is voor hem. De rest is voor mij.”

3. Mulisch vertelde mij eens dat hij bij het schrijven van De compositie van de wereld wilde weten wat de eigenschappen van God zijn. Hij ging naar de bibliotheek van de theologische faculteit en legde uit wat hij zocht. “De eigenschappen van God?”, vroeg de bibliothecaris met paniek in de ogen, “daar vraagt nooit iemand naar.” Tot de eigenschappen van God zou je kunnen rekenen: almachtigheid, eeuwigheid en aanwezigheid. Almachtigheid is de middeleeuwse term, eeuwigheid het woord van de Renaissance en aanwezigheid tref je vooral aan in de moderne theologie. Het wordt wel steeds een onsje minder in de loop der eeuwen.

4. Vaak wordt het woord van Xenofanes aldus samengevat: “Als paarden een God hebben, dan is het een paard.” Zelf zei Xenofanes het iets anders: “Zo zouden de ossen, leeuwen en paarden, als zij handen hadden om afbeeldingen te maken, zich goden maken naar hun eigen gedaanten en hun lichamen geven zoals hun eigen lichaam.”

Spinoza schreef iets soortgelijks: “Ik geloof dat de driehoek, zo hij spreken kon, zou zeggen dat God volmaakt driehoekig is, en de cirkel zou zeggen dat de goddelijke natuur volmaakt cirkelvormig is. En zo zou ieder zijn eigen eigenschappen aan God toeschrijven.”

In het verlengde hiervan zou je de volgende vraag kunnen stellen. Hoe wordt God bezien door een moordenaar? Is God voor een moordenaar iemand die perfecte moorden pleegt? Ik bedoel: als de mensen zo slecht zijn, waarom is hun projectie dan niet een slechte God? Maar God is liefde, zeggen ze, terwijl ze Auschwitz inrichten tot een museum.

5. Met de feestdagen heb ik American Psycho van Bret Easton gelezen. Het gaat over een yup, die zijn leven heeft ingericht volgens de laatste mode. Hij draagt de mooiste Armani-pakken, drinkt de beste wijnen, de oudste whisky's, en zijn huis is ingericht met de meest verfijnde smaak. 's Nachts verandert hij in een seriemoordenaar.

Maar ook dan blijft hij de mode en de goede smaak trouw. Als een van zijn slachtoffers opengereten neervalt tegen de bumper van een auto, vertelt hij dat het gaat om het laatste model-BMW, Italiaans vormgegeven volgens de nieuwste wetten van de aërodynamica. Het woord God komt in het boek niet voor, maar de hoofdpersoon bezoekt een museum en koopt af en toe iets in een galerie. Een indrukwekkend boek, want het vertelt je iets over de wreedheid als persoonlijke beleving. Het vertelt je bij voorbeeld waarom een land vluchtelingen terugstuurt, niet omdat dat land te vol zou zijn, maar omdat de verantwoordelijke regeerders daar een gevoel van genot aan ontlenen.