ERNST KRENEK 1900 - 1991; Avantgardist in de schaduw

Ernst Krenek, de op 23 augustus 1900 in Wenen geboren componist, is afgelopen maandag op 91-jarige leeftijd na ademhalingsproblemen overleden in Palm Springs, Californië.

Krenek, die in Wenen studeerde bij Franz Schreker en in 1938 naar Amerika uitweek, schreef een gigantisch oeuvre dat begon bij een dubbelfuga voor piano uit 1918 (opus 1a) en dat tot bijna aan zijn dood werd uitgebreid. Zijn muziek is te onderscheiden in zes perioden: tonaal (1918-'20), vrij atonaal (1921-'23), neo-klassiek (1924-'27), romantisch (1926- '31), gebonden atonaal in dodecafonische zin (1951-'56) en gebonden atonaal in streng seriële zin (vanaf 1957).

Krenek was een zeer spitsvondig en origineel componist, die zijn eigen seriële systeem ontwikkelde. Maar getuige zijn beroemdste werk, de door de jazz beïnvloede opera Jonny spielt auf (1926), interesseerde hij zich ook voor het lichtere genre, zoals hier Jan Wisse eens wilde aantonen dat een twaalftoons operette zeer wel mogelijk is. Het opmerkelijkste van Krenek was zijn veelzijdigheid en het benutten van alle genres. Daarin herinnert hij enigszins aan Hindemith, maar Krenek heeft zich voortdurend geweerd tegen de atonaliteit en wilde zelfs een computer laten bouwen bij de Verenigde Naties om te bewijzen hoeveel mogelijkheden het tonale systeem nog biedt!

Voor Nederland was Krenek vooral belangrijk door zijn Lamentatie Jeremiae Prophetae voor gemengd koor a-capella uit 1941-"42. Het werk werd onuitvoerbaar geacht, maar bleek door het NCRV-koor wel degelijk te kunnen worden gezongen. Nog een gebeurtenis in Nederland was eind jaren "80 tijdens een NOS-concert een uitvoering van zijn Eerste Symfonie opus 27.

Krenek is te vergelijken met componisten als Dallapiccola en Hartman met wie hij veel gemeen had. Deze kunstenaars, geboren aan het eind van de vorige eeuw, vormden in de terminologie van de mystiek expressionistische dichter Georg Trakl de apocalyptische generatie. Tragisch zou men kunnen noemen dat Krenek er niet bij was op het moment dat de belangrijkste ontwikkelingen zich afspeelden in Darmstadt, waar de seriëliteit doorbrak door middel van de generatie van Nono, Boulez en Stockhausen. Tussen 1950 en 1958 werkte hij wel vijf maal als compositieleraar in Darmstadt, maar juist in het gedenkwaardige jaar 1952 gaf hij les in de Verenigde Staten. Ook ontbrak hij het jaar daarop en in 1957, toen Boulez de richting wijzende “Alea-lezing” hield. De belangrijkste gebeurtenissen vernam hij dus uit de tweede hand en daardoor had Krenek niet die belangstelling waardoor hij werkelijk van betekenis had kunnen zijn als belangrijke stimulator voor de jongere componisten. Een echte kans heeft Krenek in feite niet gehad, achter al die grote expressionisten verbleef hij in de schaduw.