Einde aan het Joegoslavische drama is niet in zicht

Het jaar 1991 bracht het weerzien met een oude bekende uit de Europese geschiedenis: de oorlog als "oplossing' voor politieke conflicten.

De strijd in Joegoslavië kostte duizenden levens, veroorzaakte tienduizenden gewonden en honderdduizenden vluchtelingen. De oorlogvoerende partijen hebben geen gebruik gemaakt van de van buiten, door de EG en de VN, aangereikte instrumenten om hun conflict door onderhandelingen te regelen. Een einde aan het drama is niet in zicht. De strijdende partijen lijken steeds minder tot een compromis bereid, en verwachten heil van hun krijgskansen.

De belangstelling in de buitenwereld voor de strijd in Joegoslavië is bescheiden, omdat de ideologie erachter, nationalistische rivaliteit, alom als een anachronisme wordt ervaren. Voor de oorlogvoerenden in Joegoslavië is deze relatieve onverschilligheid zeer frustrerend, en draagt bij tot de inzet van steeds drastischer, militaire middelen en groter fanatisme. Het is van harte te hopen dat de strijd in Joegoslavië ook een anachronisme zal blijven, en niet een model blijkt voor toekomstige, soortgelijke conflicten in en tussen de vele andere instabiele staten in Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie.

Om de kwade kansen op dit gebied te kunnen berekenen, is het van belang te weten waarover de oorlog in Joegoslavië nu eigenlijk gaat. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan: betrokkenen zijn meesters in het afleggen van misleidende verklaringen en goochelen met historische antecedenten voor de door hen gewenste staatkundige- en territoriale ordening. De Kroaten willen zichzelf als "Europeser' voorstellen dan hun Servische broeders, de Serviërs stellen de Kroatische republiek voor als een herleving van een vroeger bestaande vazalstaat van een herleefd nazi-Duitsland.

Beiden hebben gemeen dat ze hun natie als superieur aan de ander willen zien, en in het verloop van de krijg mogelijkheden zien, deze stelling te bewijzen. Het verloop van de oorlog bevordert zeer de verbreiding van de nationalistische ideologie, die door de bevolking weliswaar in 1989 massaal is verwelkomd als een dankbaar substituut voor de zekerheden van communisme en titoïsme, maar tegelijkertijd - met name onder intellectuelen - toch ook zeer veel reserves ontmoette. Die tijd lijkt voorbij: zowel in Kroatië als Servië kan men nauwelijks meer in het openbaar vraagtekens plaatsen bij de oorlog en de rechtvaardiging ervoor, zonder met represailles van overheidswege, of van informelere aard rekening te moeten houden.

Toch zijn deze vraagtekens zeer op hun plaats, want de nationalisten in Joegoslavië pretenderen weliswaar oude, te lang onderdrukte nationale verschillen wakker te roepen, maar in werkelijkheid schept hun oorlog nieuwe nationale geschillen en belangentegenstellingen. In een land waar tot voor kort dertig procent van alle huwelijken werden gesloten tussen mensen van verschillende naties, waren velen zich van hun nationale identiteit nauwelijks bewust, laat staan van problemen met een buurman met een andere nationaliteit. Die situatie was tot voor kort nog zichtbaar in menig dorp of stad in Kroatië, waar de nationale kwestie nauwelijks iemand leek te kunnen enthousiasmeren. Een uitgekiend propagandabombardement en vooral het daadwerkelijk uitbreken van de gevechtshandelingen hebben op dit gebied echter wonderen gedaan. Men brengt niet maandenlang in de schuilkelder door, of slaat op de vlucht voor vijandelijke troepen, zonder daarbij een zekere ideologische beïnvloeding te ondergaan.

De strijd tussen de nationalisten neemt de vorm aan van een gevecht om territorium, waarbij de Servische kant, op grond van nogal twijfelachtige, demografische kriteria, delen van het vroegere Joegoslavië waar in meerderheid Serviërs wonen als een Servische staatkundige eenheid wil voortzetten. De Kroaten daarentegen beschouwen, op grond van niet minder twijfelachtige historische criteria het territorium van de Joegoslavische deelrepubliek Kroatië als de historische Kroatische staat. Daarnaast kijken beide partijen begerig naar gebieden in Bosnië-Herzegovina waar van oudsher veel Serviërs of Kroaten wonen.

Het laten samenvallen van etnische- en staatkundige grenzen is van oudsher het fundamentele streven van nationalistische politici. En altijd weer is er die ene storende factor dat er op het territorium van de eigen nationale staat nog anderen wonen, aan wie het heilig recht op een eigen staat, dat men voor zichzelf als een vanzelfsprekendheid claimt, tot elke prijs ontzegd moet worden.

De zogeheten "nationale minderheden' worden nu, mede als gevolg van buitenlandse druk, bedacht met fraai klinkende verklaringen over hun rechten. De mate van repressie in werkelijkheid, lijkt vooral afhankelijk van de kracht van het eigen nationalisme onder deze bevolkingsgroepen. Met name Servië heeft hier, na de botte repressie van het Albanese bevolkingsdeel in Kosovo, slechte papieren. Maar ook de Kroatische nationalisten hebben, sinds hun verkiezingsoverwinning in 1989, geen gelegenheid voorbij laten gaan het Servisch bevolkingsdeel tegen zich in het harnas te jagen.

Als binnenkort de oorlog zich uitbreidt tot de republiek "Bosnië en Herzegovina' - en er lijkt nauwelijks nog iemand die denkt dat deze ramp kan worden voorkomen - zal het boeiend zijn te zien hoe Servische en Kroatische leiders omgaan met de moslims in die republiek. Nu doen beiden nog aardig, in de hoop deze bevolkingsgroep aan hun zijde te krijgen als een toekomstige "nationale minderheid'. Maar anders dan in de jaren van de Tweede wereldoorlog, waaraan Serviërs en Kroaten bij hun strijd veelvuldig refereren, weten de moslims in Bosnië zich inmiddels deel van een grotere moslim-wereld, met een in de afgelopen decennia duidelijk gegroeid zelfvertrouwen en zonodig ook materiële mogelijkheden om de geloofsgenoten op de Balkan van oorlogsbenodigdheden te voorzien. Het moslim-nationalisme in Bosnië zou wel eens een noviteit binnen een anachronistische oorlog kunnen worden.

In zekere zin draagt het verloop van deze afschuwelijke oorlog bij tot de oplossing van het probleem, en wel op de manier waarop vroeger ook Hitler en Stalin hun bijdrage hebben geleverd aan het voorkomen van nationale problemen: door het verdrijven danwel uitmoorden van bevolkingsgroepen. Die etnische homogenisering is een oorlogsdoel, waarover tot nu toe alleen de extremisten aan beide zijden in de oorlog openlijk durven spreken. Toch is zij het voornaamste doel, en in ieder geval het effect van de meeste artillerie-bombardementen, slachtpartijen onder dorpelingen, bomaanslagen en sluipmoorden achter het front.

Staatsvorming op etnische grondslag is niet langer populair in het rijke Westen, en dat is misschien wel de voornaamste reden waarom dat Westen niet directer heeft willen interveniëren in de Joegoslavische crisis. Joegoslavië is een arm land: dat geldt voor de vluchtelingen die met niet veel meer dan een plastic zeiltje, een deken, een theepot en haat een ellendige toekomst tegemoet gaan en het geldt - sprekend in termen van politieke cultuur - ook voor de Joegoslavische politici. Met hun historische ressentimenten, irrealistische toekomstverwachtingen en gebrekkige inschatting van de internationale context, blijken zij met ontstellende lichtvaardigheid bereid hun land, één van de ontwikkeldste in Oost-Europa, in moreel en economisch opzicht tientallen jaren terug te plaatsen.

Misschien is hun oorlog meer aandacht waard, dan hij over het algemeen krijgt: als een afschuwwekkend voorbeeld voor iedereen die denkt door militaire middelen politieke onmacht te kunnen compenseren. Want lichtvaardigheid - daaraan ontbreekt het niet onder de vele oude en nieuwe politici in Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie. Reservisten van het federale leger in het Kroatische Vukovar. (Foto Christopher Morris-Transworld)