Een tomaat van zwavel

De eerste ontmoeting is beslissend. Soms weet je dat meteen, dikwijls besef je het pas later, veel later.

Toen ik een jaar of vier was, zag ik voor het eerst de Hel op een plaatje in een sprookjesboek waaruit mijn moeder voorlas. Nog altijd zou ik het kunnen tekenen. Het was een zeer groot zwart gebouw waaruit tientallen rokende schoorstenen opstaken. Kinderen zien beelden die zo intrigerend zijn dat ze er nooit genoeg van zullen krijgen, ook niet als ze allang geen kind meer zijn. "Wat is de Hel?' vroeg ik. "Daar woont de Duivel,' zei mijn moeder. "Wie is de Duivel, hoe ziet die eruit?' Voorzover ik me herinner heb ik er toen geen zekerheid over gekregen. "Tja,' zei ze. "De Hel bestaat niet, en de Duivel... dat weet ik niet, hoor.' Ze las verder het verhaaltje voor dat me niet interesseerde. Het plaatje des te meer. Als ik dit sprookjesboek nu op zijn rug leg, valt het daar open.

Ik denk een halve eeuw later ging ik met de trein naar Warschau. Ergens tussen Frankfurt aan de Oder en Poznan zat ik opeens weer bij mijn moeder op schoot. De trein reed langs de Hel, een zwart complex met hoge rokende schoorstenen, zo nauwkeurig alsof mijn lievelingsplaatje als bouwtekening was gebruikt. Na Proust weten we het eigenlijk wel: de macht van de geuren, de snelle herinnering aan bestreken, bevoelde, beaaide, betaste, vluchtig besnuffelde oppervlakten. Bij sommige mensen werken beelden het best: de beelden met de smaak van vroeger. Het treft je een fractie van een seconde in het vroeger-centrum van je hersenen en als je het wilt bewaren is het al onoproepbaar vervluchtigd. Trucjes helpen niet.

Maar je destilleert er een begrip uit en dat wordt in ieder geval in een bereikbaar compartiment opgeborgen omdat het verwoord is. Een schrijver over de Industriële Revolutie heeft gerept van de dark satanic mills, bij Liverpool, Manchester en Leeds. De laatste worden door de industriële archeologen als monumenten geconserveerd, maar er ontbreekt iets aan: er komt geen rook uit.

De uitvoerigste reportage van de Hel is, voorzover ik weet, van Gustave Doré: bij Dante. Niet zo lang geleden was in het modern antikwariaat voor een habbekrats een herdruk met alle gravures te koop. In de Nederlandse vertaling door J.J.L. ten Kate is er een selectie uit opgenomen, ook intrigerend. Doré, toch al niet van verbeeldingskracht gespeend, heeft er zijn onderbewustzijn voor leeggehaald. Uit mijn hoofd zou ik niet kunnen zeggen wat de verdoemde in alle hellekrochten kan overkomen, maar één behandeling staat me duidelijk voor de geest. We zien een van die kale glooiingen waarin Doré expert was. Daarin is een soort putjes gemetseld. Uit die putjes steken spartelende benen terwijl terzijde daarvan rook ontsnapt. Hier wordt de eeuwige straf aan de roddelaars voltrokken.

't Is een gruwelijk lot, maar behalve dat valt het op hoe nauwkeurig Doré het metselwerk van de putjes heeft weergegeven. Zijn leven valt samen met de vruchtbaarste periode van de industriële revolutie. Het is niet onmogelijk dat de nu gangbare voorstellingen van de Hel in de tijd van de kolen, de stoom en het gietijzer zijn ontstaan. Denk trouwens ook aan de hoogovens.

De Duivel zelf heeft me nooit aangesproken; in al zijn gedaanten heb ik hem altijd als een carnavalspaljas gezien. Maar zijn huis, of zijn fabriek, bevalt me nog steeds goed. Dat is een bouwwerk van esthetisch onheil.

Ik veroorloof me een anekdote. Kort na de oorlog stond ik iedere dag om zes uur op en liep dan al vroeg langs het huis van een katholiek vriendje dat veel met de Duivel te maken had. Hij sliep aan de straatkant, het was zomer, het raam stond open. Week na week heb ik een tomaat meegenomen en die bij hem naar binnen gegooid. Jaren later heeft hij me verteld dat hij die tomaten toen heeft beschouwd als de voorboden van een verschrikkelijke straf. Maar waarvoor? Dat heeft hij me nooit willen vertellen.

Misschien is het een geluk als je hebt geleerd dat het kwaad alleen op aarde wordt bestraft, en daarna nog uit jezelf hebt begrepen dat zelfs dit kan worden vermeden. Daartegenover staat dat er dan ook geen tegenstander van de Duivel is die je goedheid beloont. Al het goede doet de mens op eigen risico, en het kwade ook trouwens.