Een staartje met een split

Otfried Preussler: Meester van de zwarte molen. Uitg. Lemniscaat. Prijs ƒ 24.90

James Krüss: Tim Daalder die zijn lach verkocht. Uitg. Bzztôh. Prijs: ƒ 8,95 (De Slegte)

Nathalie Babbitt: The devils storybook - The devils other storybook. Uitg. Farrar, Straus and Giroux. Prijs: ƒ 13,50 per deel.

Onder kinderboekenschrijvers is de duivel niet populair. Heksen, tovenaars en spoken liggen goed in de markt en vooral de bloeddorstige praktijken van de vampier zijn de laatste jaren met animo beschreven, maar voor de duivel moet de doorgewinterde kinderboekenlezer diep in het geheugen graven. Het eerste Nederlandse duiveltje dat opduikt, is van Annie Schmidt en afkomstig uit het theebusje van de Barones van Manderen, dat de gedienstige Magoggeltje niets vermoedend open maakt: Daar sprong opeens een duveltje uit, heel klein en zwart als git,- het had twee echte horens en een staartje met een split.''

Het wezen trekt een spoor van zwavel en salpeter en verandert de gehele adellijke familie in ooievaars, maar gelukkig laat het zich vangen met een glaasje rode bessen.

Dan is er onze folklore, waarin de duivel zeker een plaats heeft, zoals de titels uit verzamelingen van bijvoorbeeld Tjaard de Haan en Yge Poortinga laten zien: Het boertje van Wakelslag en de duivel, De duivel en de smid, Hoe de duivel aan zijn bokspoot kwam. Veel van deze verhalen gaan over het pact met de duivel dat jarenlang geld oplevert, terwijl de uitgekookte Hollanders wanneer het erop aan komt hun deel van de overeenkomst te voldoen, proberen de duivel te slim af te zijn. En vaak met succes. Eenzelfde volksgeloof speelt een rol in de jeugdromans die zowel Anton Quintana als Ton van Reen schreven over de Bokkerijders, roversbenden die in de achttiende eeuw Limburg onveilig maakten en daarbij volgens de getroffenen hulp van de duivel kregen.

Ook in het werk van de Duitser Otfried Preussler spelen volkse verhalen en motieven een rol. Duister zijn de praktijken van de molenaar uit Meester van de zwarte molen (1971). Zijn twaalf leerjongens onderwijst hij in de zwarte kunst. In de gedaante van een raaf dreunen zij de "Regels van de Hel' op, waarmee ze hagelbuien en opgedroogde bronnen kunnen organiseren, onzichtbaar kunnen worden of anderen hun wil opleggen. In ruil voor deze krachten eist de duivel elke oudejaarsnacht het leven van één der gezellen, voor wie weglopen onmogelijk is: altijd weer komen ze uit vóór de poort van de molen. De enig mogelijke redding ligt in de toewijding van een goed Christelijk meisje, dat tijdens de Paaswake uit volle borst 'Halleluja' zingt, terwijl haar verdoemde geliefde de woorden van het Onze Vader zijn ontschoten. Preusslers suggestieve beschrijving van nachtelijke uitstapjes naar een graf, rode kaarsen in een schedel en van de raadselachtige zakken vol rammelend materiaal waar in het diepste geheim meel van gemalen moet worden, maken Meester van de zwarte molen tot een boek, dat veel kinderen vanaf een jaar of elf op waarde weten te schatten. De vertaling is inmiddels toe aan een elfde druk.

In dit select duivels gezelschap hoort zeker ook Tim Daalder die zijn lach verkocht (1962) van de eveneens Duitse James Krüss. Krüss verwijdert zich verder van de volkse traditie in de richting van de literatuur en schreef een soort Faust op kinderhoogte. Tim Daalder is een klassiek zielig jongetje: afkomstig uit een arme buurt, lieve ouders die doodgaan en een kreng van een stiefmoeder. Bij de paarderennen ontmoet hij de heer Levi Ud, aan wie hij zijn lach verkoopt in ruil voor het vermogen elke weddenschap te winnen. Levi Ud is grootindustrieel met een wereldimperium . Hij toont Tim als Mephistopheles de genietingen van het leven, die bestaan uit champagne ontkurken, oesters leegslurpen en goede gesprekken over preferente aandelen, reklamecampagnes en winstdeling. Tim ziet en hoort het vreugdeloos aan en smeedt onafgebroken plannen om zijn lach terug te krijgen. Krüss schreef een veelomvattend, knap gecomponeerd en bij vlagen spannend verhaal, waarin de "vertaling' van de ziel met de lach een mooie vondst is: “Lachen is je vrijheid vanbinnen.” Met z'n lach verliest Tim zijn argeloosheid en de mogelijkheid normaal te kunnen communiceren, terwijl de duivel er handig gebruik van maakt “om macht over alle harten te krijgen”. Soms is het allemaal wat traag er wordt wel erg breed uitgemeten hoe slecht en zielloos de wereld van materialisme en macht is. Herlezing van dit soort boek maakt nog eens duidelijk hoe de opvattingen over verhaaltempo en moralisme in dertig jaar veranderd zijn.

De grappigste, mooist geschreven en helaas onvertaald gebleven duivelsverhaaltjes zijn van de Amerikaanse Nathalie Babbitt: The devils storybook (1974) en The devils other storybook (1987). Babbitts duivel voldoet aan de gangbare ideeën: hij heerst met vaste hand over de Hel en mag in vermomming de wereldse zaken graag een beetje in de war schoppen. Hij verafschuwt liefde, vrede en rozengeur en kan brave kinderen niet uitstaan. Tóch schrijft hij ook gedichten, wil graag wat gruwelijke schilderijen aan de hellemuur en grauwt: “I like things peaceful in Hell.” Met zichtbaar plezier morrelt Babbitt aan de vaststaande opvattingen over goed en kwaad en ze is een meester in het malle verzinsel, waaraan ze binnen het bestek van enkele bladzijden de vorm van een volwaardige vertelling met een pointe weet tegeven. Zo volgt er na de intrigerende openingszin “There are no camels in Hell” een soort kerstverhaal, waarin de duivel, ernstig verontrust door een bijzondere ster, verkleed als Arabier poolshoogte gaat nemen. Krankzinnig is de geschiedenis van de man wiens as uit de urn op de schoorsteen (!) per ongeluk vermengd raakt met die van een afgekloven varkenskarbonade. In de hel is de man nu min of meer met het varken aaneengeklonken, wat hem de klacht ontlokt: “I really don't want to spend Eternity stomach to stomach with a pig!” Het is te hopen dat er in deze donkere dagen ergens een Nederlandse uitgever met duivelse plannen rond loopt.