Een heerlijk beest

De componist Konrad Boehmer schreef enkele jaren geleden de opera Doctor Faustus. Daarmee schaarde hij zich in een reeks componisten die zich door het Faust-thema lieten inspireren. Hoe kan muziek het duivelse tot uitdrukking brengen?

Volgens de componist Ernst Bloch stellen de meeste mensen zich god voor als een 'meer dan levensgroot gasvormig gewerveld dier'. De fantasieen omtrent de duivel hebben van oudsher ietwat duidelijkere contouren, zeker sinds Augustinus, de ijdelste blaaskaak onder de kerkvaders, er in zijn De civitate dei de meest potsierlijke onzin over vertelde. In boek 10 wordt de 'demonen macht verleend' (door wie dan wel?) om op 'geregelde tijden (....) door hun bezeten mensen' tegen het rijk van god op te jutten, hetgeen uiteindelijk 'bevorderlijk is voor de kerk, want hierdoor neemt het aantal martelaren toe'. Door de duivel 'bezeten' zijn sinds die oude tijden alle outcasts van de christelijke beschaving, bij voorkeur seksballen en intellectuelen. Sinds zijn intrede in de literatuur is de duivel allebei. Hij is een soort Michel Foucault, die overdag zijn sublieme, alle vanzelfsprekendheden van de samenleving omverwerpende boeken verzint om 's nachts in strak zwart leer op jacht te gaan naar de engelen van de onderwereld. Die duivel is in mijn ogen gewoon een heerlijk beest, hij is Dionysos, terwijl in mijn opvatting de zedenmeesters van de samenleving (voorop de Kerk) de werkelijke duivels zijn: 'sine ecclesia non scelus' (zonder kerk geen misdaad).

Voorzover de Kerk ons sinds 2000 jaar de lust en het denken tracht te verbieden, zijn we genoodzaakt onze toevlucht bij de duivel te zoeken, zeker wanneer we muziek componeren, dus: de kunst bedrijven die - meer dan alle andere kunsten - mikpunt van kerkelijke betutteling en banvloeken is geweest. Zij werd door de oude kerkleraren als 'canticum obscoenum' afgedaan en door pausen bedreigt met 'uitdrijving uit het huis van God" (paus Johannes XXII). Ook Augustinus meende een 'onvergeeflijke zonde' te begaan wanneer hij 'meer door de zang dan het gezongen woord' werd aangedaan. Voor de heilige mannen die de duivel hebben uitgevonden om hun macht over de geest van een stevig fundament (angst) te voorzien, was muziek het monstrum horrend um bij uitstek. Pas de vroeg-romantische esthetiek I (Schlegel, Schelling, Novalis) onthulde de mogelijke oorzaak van deze fobie door de componist als schepper gelijk aan god voor te stellen en het paradijs door het kunstwerk te vervangen, dat een 'oneindig verlangen' in ons oproept. Sinds de Romantiek is derhalve alle muziek van betekenis openlijk godslasterlijk. Een 'kerk'muziek bestaat sinds die tijd ook niet meer en met de uitbeelding van de duivel heeft zij al langer de grootste moeilijkheden gehad. Als duivelse kunst is muziek haar eigen evenbeeld. Zij kan zich niet in een personage weerspiegelen dat - althans in termen van een chnstelijke wereldbeschouwing -- slechts van ethische maar niet van esthetische betekenis is.

Alle componisten die voor mij met een Faust-opera hebben geworsteld hebben problemen met Mefisto gehad. Gounods duivel is niet meer dan een hansworst en Busoni's Mefistofeles lijkt meer op een sluwe Amsterdamse projectontwikkelaar dan op de baarlijke duivel. Sinds Goethe al cijfert de duivel zich weg, misschien om een belangrijker taak op zich te nemen: die van drijvende kracht van de geschiedenis, als geest die steeds ontkent. In deze positieve rol wordt Mefisto tot geest van de muziek zelve, althans in de functie die haar sinds de romantici is toebedeeld. Mefisto heeft dus een fundamentele gedaanteverandering ondergaan, hij is tot zichzelf gekomen. Hij heeft Faust enigszins ontredderd achtergelaten. Want hel of verlossing zijn geen historische categorieen meer. Faust wacht sinds Goethe steeds weer hetzelfde lot (dat mij erger lijkt dan de hel): opsluiting in alle mogelijke soorten literatuur. Daar werd de goede man bevroren en aan de burgerlijke smaak uitgeleverd om telkens weer het kermistoneel van spirituele verheffing te moeten opvoeren: geen hellevuur die hem nog vermag te ontdooien. Een moderne Faust moest vanuit deze werkelijke tragedie (de verburgerlijking van Faust post mortem) vertrekken. Hierbij de traditionele duivel te betrekken zou dramaturgische onzin geweest zijn. Bij de voorbereidingen voor mijn Doctor Faustus moest ik dus op zoek gaan naar een 'duivel' die de rol van bevriezer, van voltrekker van het vonnis kon spelen. Bij het onderzoek naar de werkelijke, de historische Faust (die uit de schaarse authentieke documenten opduikt als een volledig onaangepaste outcast en bluffer) kwam ik zijn tegenspeler al gauw tegen in de figuur van de aartsconservatieve monnik Trithemius die niet alleen de afschuwelijkste verhalen over Faust te berde heeft gebracht maar die - net als Faust - verknocht was aan de zwarte magie. In het prachtige libretto dat Hugo Claus voor mij heeft geschreven ontpopt deze ijzige monnik zich dan ook als 'dienaar van een andere god' waarbij hij de identiteit van zijn baas niet prijsgeeft. Trithemius, die de zwarte magie als (middeleeuwse) hermetische wetenschap beoefent, verwijt Faust (de schreeuwlelijk van de Renaissance) haar op alle markten te venten. Nadat Trithemius Faust psychisch heeft gebroken en deze aan een delirium bezwijkt, heeft de metafysische slechterik zijn doel bereikt: in een handomdraai is een Faust-standbeeld neergezet en in een cynische toespraak prijst Trithemius zijn tegenstander de literatuur in. Boeren en burgers zingen een onbenullig kerklied en de Faust-legende kan beginnen. Wat ooit de duivel binnen deze legende was is teruggegeven aan de moederschoot van de Heilige Kerk vanwaar hij ons als monnik aangrijnst: Als de duivel oud wordt wordt hij kluizenaar...

Tijdens de werkzaarnheden aan Doktor Faustus componeerde ik een (elektro-akoestische) 'Apocalipsis cum figuris', het summum opus dat Thomas Mann zijn faustische toonzetter Adrian Leverkuhn laat componeren. Een werk waarin het hele esthetische universum van het burgerlijk tijdperk ondersteboven wordt gekeerd: de vertrouwde tonaliteit als symbool van het lelijke want banale, en gehuil en geschreeuw als het schone. Tijdens de uitvoering nemen enkele pop-zangers de rol van duivels op zich die aan het slot van het stuk, onder een waarlijk hels lawaai, een soort Elton-Johnkoraaltje in een kitscherig C-groot zingen. Uiteindelijk wordt het 'spook van Rome' hier teruggebracht tot zijn waarachtige dimensies. Als volstrekte onbenul wordt Satan uit de (muziek)esthetiek verwijderd. Voorgoed naar ik hoop... Dit historische moment kunt U beluisteren op een cd van Willem Breukers onvolprezen platenlabel (BVHAAST 9011). Niet toevallig op dit label, want nog steeds is Breuker de Beelzebub van de Nederlandse muziek en bij hem voel ik mij thuis. Die plaat hoort onder iedere kerstboom...! In tijden van burgerlijke muzikale restauratie zoals wij die thans beleven is een beetje 'duivel' absoluut nodig. Maar vergeet niet: hij zit allang in de muziek!