Dingen en dromen

Rillend kroop meneer Ratti onder de dekens.

"Ik voel me beroerd, Baron," zei hij klappertandend. "Het is niet alleen dat ik het koud heb, maar ik kan nergens meer om lachen. Zelfs niet als ik buurvrouw Sijp een sappige verrassing bezorg."

Met verkleumde vingers schikte hij de dekens zo over zijn hoofd dat er een gaatje overbleef om adem door te halen.

"Weet je wat het is, de dingen zijn nu binnen èn buiten tegen me. Behalve... ik vind het raar dat ik het moet zeggen over een haarbal, maar ik geef het toe... behalve bij jou, Baron. Jij bent als een warme kruik voor mijn arme koude voeten. Maar dan beter, want jij koelt niet af... En verder, ach wat ik verder allemaal van deze dag moet denken, weet ik niet. Een geluk dus maar dat ik moe ben.'

Meneer Ratti viel in slaap. Maar het was geen aangename, kalme slaap. Hij had een droom die zo akelig was dat hij ervan kreunde.

Hij zag het schoteltje met de knikkers voor zich. Ze glommen, ze waren nat. Ze dreven in een plasje water. Het water drupte van het schoteltje. Het werd een straaltje, het begon te stromen, over de tafel, op de vloer. De vloer kwam blank te staan. Dozen, potten, blikken en tassen begonnen rond te drijven. Hij waadde door het water naar het schoteltje met de knikkers. Hij wilde het pakken en stak zijn hand uit. En toen zag hij dat er geen knikkers op lagen te glimmen maar ogen...

Schreeuwend werd meneer Ratti wakker.

"O, wat verschrikkelijk... Ik ben er nat van. Alsof ik echt door dat water heb gelopen. Wat een ontzettende nachtmerrie... ogen op een schoteltje..! Ik snap het wel, dat waren de ogen van die spillebeen... En die overstroming, dat waren haar tranen... Luister eens, Baron...'

Maar de kat was zo geschrokken van meneer Ratti's geschreeuw dat hij van het bed was gevlucht.

"Waar ben je?"

Meneer Ratti stak de kaars aan en zag de kat bovenop een stapel dozen zitten.

"Baron," zei hij ernstig, "ik geef die knikkers terug aan dat kind. Sterker, ik ga ze nu meteen terugbrengen. Misschien krijg ik dan rust. Misschien zijn de dingen en de dromen dan niet langer tegen me.'

Hij trok zijn jas aan over zijn pyjama.

"Dat kind woont hier ongeveer twintig stappen vandaan, maar ik wil geen kou vatten. Waar zijn mijn schoenen, mijn hoed, mijn das, mijn stok...'

Toen liep meneer Ratti naar de zak die barstensvol knikkers zat. Hij stak zijn hand erin en streek over de knikkers.

"Glad glas, mooi rond, en heel veel... Om precies te zijn zevenduizend, driehonderd en negenentwintig stuks. Min die zeven hopeloze kalkedotten die me uit mijn slaap houden. 't Is jammer, maar wat moet ik anders?"

Meneer Ratti bracht de kandelaar dichterbij om in het kaarslicht de zeven knikkers eruit te zoeken.

Maar het was onmogelijk ze te vinden. Ze waren namelijk niet te zien, of liever: ze waren niet te onderscheiden van de overige knikkers.

"Kalkedotten!' riep meneer Ratti vol afgrijzen. "Al mijn knikkers zijn veranderd in kalkedotten! Wat is dit? Een besmettelijke ziekte? Zijn ze behekst..? Wat is dit voor griezelige tovenarij..? Of droom ik weer..?'

Hij kneep hard in de punt van zijn neus.

"Au!'

Om zeker te weten of het kaarslicht hem soms beduvelde, deed hij de lamp aan.

Maar er was niets vreemds met de kaars, er was sowieso geen sprake van gezichtsbedrog.

"O, hoe kan dat nou...' piepte meneer Ratti. "Mijn schitterende knikkertjes... en nu zo dof, zo flets, zo waardeloos als uitgedroogde keutels.'

(wordt vervolgd)