Diabolische Rock en pop; Verpande zielen

Popmuziek en de duivel zijn met elkaar verbonden sinds de bluesgitarist Robert Johnson zestig jaar geleden op een avond naar een verlaten driesprong liftte.

Daar, zo wil de legende, verkocht hij tegen middernacht zijn ziel aan een "grote zwarte man', in ruil voor 29 composities en een gitaar waarop hij kon spelen wat hij wilde. Slechts zeven jaar heeft Robert Johnson van zijn faustiaans meesterschap kunnen genieten - en "genieten' is eigenlijk niet het juiste woord. Tot aan zijn dood legde hij in tekst en muziek als een bezetene getuigenis af van het contract met Satan dat hij op de crossroad bezegeld had.

Terwijl zijn collega's zongen over drank en vrouwen, klaagde Robert Johnson in van angst verwrongen liedjes over de verschijningen rondom zijn bed, de hellehond die achter hem aanzat, de demonische vrouwen die een voorproefje waren van wat hem in het eeuwig vuur te wachten stond. Zijn ziel was verpand, wist hij, en de weg die hij had te gaan was donker en bezaaid met moeilijkheden. Maar alles was beter dan het moment waarop de duivel hem zou komen halen. In de angstaanjagende Me and the Devil Blues beschrijft hij hoe het zal zijn:

Early this mornin', ooh

when you knocked upon my door

And I said, "Hello Satan,

I believe it's time to go'.

Zij aan zij met de duivel loopt de zanger zijn lot tegemoet, zijn laatste liefje toeschreeuwend dat ze hem moet begraven langs de snelweg. Want dan kan zijn "ouwe kwaaie geest' tenminste nog met de Greyhound mee.

Robert Johnson stierf in 1938, onder mysterieuze omstandigheden, maar zijn geest bleef vaardig over de muzieksoort waarvan hij een pionier was: rock 'n' roll. Toen Elvis Presley in de jaren vijftig de nieuwe opruiende dansmuziek bij een jong blank publiek populair maakte, werd hij al gauw gezien als de duivel in vermomming. Puriteinen in heel Amerika twijfelden er niet aan dat de weg naar de hel geplaveid was met rock 'n' roll, en werden in die overtuiging gesterkt door diabolische persoonlijkheden als Little Richard, Chuck Berry en Jerry Lee Lewis. "I have the Devil in me', wist Jerry Lee Lewis, en hij zong het blasfemische Great Balls of Fire naar de top van de hitlijsten. Zijn manke geestverwant Gene Vincent probeerde Satan zelfs de baas te zijn: trots bazuinde hij rond dat hij verwikkeld was in een "Race with the Devil' - iets wat hij in 1971, na jaren van onheil, moest bekopen met een pijnlijk doodsbed.

Rolling Stones

Rock 'n' roll is altijd de muziek van de duivel gebleven, al bekeerden vele founding fathers zich tot de Heer en werd hun (achteraf bezien onschuldige) repertoire in de loop der jaren zelfs geschikt voor het verbreiden van het evangelie. De duivel werd vanaf de jaren zeventig het domein van hardrock en heavy metal. Groepen als Black Sabbath en Iron Maiden brachten lp's uit met provocerende titels (We Sold Our Souls for Rock 'n' Roll; The Number of the Beast) en ensceneerden hun concerten als zwarte missen. Bovendien, zo meende een nieuwe generatie religieuze heksenjagers, verstopten zij in hun muziek satanische boodschappen, die de jeugd aanzetten tot zelfmoord. Platen werden achterstevoren gedraaid, verzen gedecodeerd, processen aangespannen. Zonder effect. De populariteit van de musicerende duivelaanbidders groeit tot op de dag van vandaag.

Toch heeft het flirten met de Duivel in de popmuziek nooit meer zo'n intensiteit bereikt als in de late jaren zestig, toen de Rolling Stones Amerika en Engeland schokten met een oeuvre dat beschouwd kon worden als een verheerlijking van het kwaad in de wereld. De Stones waren de werkelijke erfgenamen van Robert Johnson; ze namen niet alleen enkele van zijn nummers op, maar maakten zich ook zijn thematiek eigen. Voor zanger Mick Jagger ging de rol van Faust echter niet ver genoeg. Tijdens concerten identificeerde hij zich met Lucifer, de engel van de hel. Het was een spelletje met het publiek dat uitmondde in het huiveringwekkende Sympathy for the Devil, en dat één keer gruwelijk uit de hand liep: op het Altamont-openluchtconcert van 6 december 1969, waar enkele Hell's Angels zich door Jaggers satanische podium-act lieten inspireren tot de moord op een zwarte toeschouwer.

Op het album Beggars Banquet valt te beluisteren wat voor uitwerking Jaggers apologie voor de Duivel live gehad moet hebben. "Please allow me to introduce myself', zingt hij, nadat opzwepende percussie en ijselijke kreten de toon hebben gezet: "I'm a man of wealth and taste.' En: "I've been around for a long, long year- Stolen many a man's soul and faith.' Waarna hij een reeks zwarte bladzijden uit de geschiedenis de revue laat passeren. De kruisiging van Jezus, de moord op de tsaar en zijn familie, de Blitzkrieg - hij was erbij en hij genoot. Veel hoefde hij daarvoor niet eens te doen, want bij iedere gruwelijkheid vond hij altijd genoeg mensen bereid om het vuile werk voor hem op te knappen.

Just as every cop's a criminal

And all the sinners saints

As heads is tails

just call me Lucifer

For I'm in need of some restraint

Wanneer Lucifer extatisch de laatste strofen van Sympathy for the Devil uitschreeuwt, is de boodschap duidelijk. De mensen zijn geen haar beter dan de duivel; ze mogen blij zijn dat er voor al hun misdaden zo'n eminente zondebok is. "So if you meet me have some courtesy- Have some sympathy, have some taste'. Beleefdheid en sympathie, dat is waarop de duivel recht heeft. Want wat zouden wij zonder hem moeten.