De verlokkingen van de duivel; De Man met de Vele Gezichten

Sommigen beweren te zoeken naar God als naar iets positiefs in deze stervende, verbrokkelende wereld. Maar wordt het geen tijd in een wereld die zich juist restaureert en naar overzichtelijkheid streeft weeral eens op zoek te gaan naar de duivel?

Godsdienst is: één ding zeker weten. De duivel is het vele, het onrustbarende.

Een beschouwing over het Goede in de duivel.

Na het Heilig Officie en de Geheime Politieverklikker heeft het Feminisme zich gevestigd als de nieuwe normbepaler en aanklager van de seksualiteit.

Er moet een eind komen aan alle ongecontroleerde lust.

Aan iedere niet officieel goedgekeurde lichaamsbeweging. Aan iedere gedachtenkronkel waaruit die illegale bewegingen voortvloeien.

Bizarrerieën? Aan de publieke schandpaal ermee!

Wie niet sterk is, zullen de moderne slonsjes gedacht hebben, moet kwaardaardig zijn.

En dus wordt door hen alles tot bizarrerie bestempeld wat niet op speciaal verzoek van de vrouw, na een gesigneerde machtiging in drievoud van de vrouw, op een door de vrouw aangegeven wijze geschiedt ter bevruchting van de daartoe gedisponeerde en - bij onverhoopte ontstentenis van een reageerbuis - eventueel persoonlijk aanwezige vrouw.

De man die niet accoord gaat met deze Nieuwe Orde verklaart zich - ook al is hij een eunuch zonder armen, vegeterend op een dieet van kamfer - solidair met een onuitsprekelijke smerigheid.

Er gaat een bezem door de wereld.

Zelfs de VPRO zegt de verloedering te willen stoppen.

We zijn weer helemaal terug in het aangeharkte tuintje.

Bij wie moeten we in deze jaren van keurigheid nog voor verwarring terecht?

De feministen hebben, in hun streven om de seksualiteit van de man te criminaliseren, de methodes en smoezen overgenomen van de meest ongenadige fanatiekelingen onder de mannen - die mannen die in de loop van de geschiedenis, uit vroomheid of gluiperigheid of uit allebei, hebben getracht de seksualiteit van de vrouw te criminaliseren.

Nét nu men er zo'n beetje achter is hoezeer die mannelijke onderdrukking berustte op frustratie, op de angst om de greep op zichzelf en de macht over anderen te verliezen, zitten we opgescheept met een nieuwe golf triomfantelijke inquisiteurs. Vermomd als vrouwen, maar niettemin supermannen.

En ook die kleine, dekselse rebel uit communicatieland wil een A-omroep, dat wil zeggen een echte heer worden. Nét nu we er zo'n beetje achter zijn dat de grootste omroepen de grootste vijanden zijn van talent en vruchtbare baldadigheid, omdat wie groot wil blijven naar de kijkcijfers moet kijken, en omdat wie op de kijkcijfers let een burgerlijke angsthaas wordt, zitten we opgescheept met nog een grote omroep. Vermomd als rebellenclub, maar niettemin superbraaf. Wat is er over van het feminisme als de grote verwarring, van de VPRO als de grote ontregelaar?

Op toch niet onbelangrijke terreinen - die van de persoonlijke en de collectieve communicatie, van de seksualiteit en de televisie - zijn dit er maar twee voorbeelden van dat we volop bezig zijn aan de Grote Restauratie.

Op meer terreinen is de gladstrijkerij voelbaar, het verlangen naar overzichtelijke restricties en naar het uitrukken van stoorzenders, de opmars van overleden gewaande geboden en ooit opgelucht ten grave gedragen idealen in nieuwe vermommingen. Als we het niet zacht voelen, voelen we het hard. Links en rechts in Europa is het één Volk, één Vaderland geblazen. Droit du sol. Razzia's van frisse, Duitse jongeren. Balkanverdriet.

Het multiculturele optimisme, het mozaïek der rassen, de leerzaamheid van het bijzondere en het afwijkende, het is maar een waan geweest.

We willen weer netjes en onder elkaar zijn. We noemen het "de noodzaak tot integratie', maar het komt er op neer dat we opnieuw onbeschaamd mogen beweren dat de ander even braaf en even bekrompen en even voorspelbaar behoort te zijn als wij.

Kortom, de deugd is terug.

We willen rust, en betalen daar dolgraag de prijs van een tikkeltje veelzijdigheid en een vleugje geestelijk avontuur voor.

Geschrokken van onze eigen liberale oprispingen en experimenten rollen we de loper uit voor een definitieve terugkeer naar een monolithische, autoritaire gemeenschap. Naar een maatschappij met één gezicht, dat zonder inspanning te herkennen valt.

Naar de Man met het Ene Gezicht. Naar God de Vader.

Waar kunnen we nog - als alles die richting uitgaat - voor de duivel terecht?

Want de duivel is de Man met de Vele Gezichten.

God heeft één naam.

De duivel heet Satan, Lucifer, Beëlzebub, Belial, Moloch, Mammon. Om er maar een paar te noemen. Hij heet zelfs Joost.

Alleen al die veelzijdigheid geeft hoop.

Sommigen beweren te zoeken naar God als naar iets positiefs en gaafs in deze stervende, verbrokkelende wereld.

Maar wordt het geen tijd om in een wereld die zich juist restaureert en naar overzichtelijkheid streeft weeral eens op zoek te gaan naar de duivel? Om in de duivel de volledigheid terug te winnen, de verdraagzaamheid en de moed om met contrasten te leven?

Niet het zwijgen en de consistente monoliet, maar de door duivels geproduceerde kakofonie en een onontkoombare afwisseling maken verdraagzaam.

Dat is geen substituut voor godsdienst.

Je hoeft maar, zoals ik in het vorig jaar verschenen Over de noodzaak van tuinieren deed, naar de godsdienst te wijzen, en een of andere pedante scepticus verdenkt je er publiekelijk van dat je religieus bent geworden. Of wat nog erger is: je krijgt onmiddellijk post van allerlei reli-griezels die je een schouderklopje komen geven omdat ze denken dat je hen bent bijgevallen.

Schrijf je daarentegen iets afvalligs over godsdienst, dan krijg je van dezelfde pedante scepticus te horen dat je een pedante scepticus bent. Van meerdere kanten bereiken je brieven van stokoude dames die je voor ziek verklaren en je aanraden voor je herstel en algemene ontwikkeling maar eens goed naar de Messiah van Händel te luisteren "om iets te begrijpen van wat ons christenen bezielt'.

Godsdienst is brieven schrijven en één ding zeker weten. De rust en de gezonde overtuiging van het ene.

De duivel valt buiten die godsdienst. De duivel is het vele, het onrustbarende, de neteligheid van de keuze.

Niet een soort antithese van God, het Boze tegenover het Goede, de Zonde tegenover de Deugd, kortom, het negatieve beginsel tegenover het positieve.

Er is wel degelijk veel goeds en positiefs in de duivel, we weten alleen niet hoe en wat en waar.

God staat aan de zijde van de stokoude dames en de feministen (de stokoude mannen dus), maar de duivel is de reisgezel en de bedgenoot van hen die aan de seksualiteit en de strijd tegen de verloedering geen gemoedsrust weten te ontlenen.

Van hen die door de seksualiteit en een gebrek aan verloedering juist met dilemma's worden opgezadeld.

De opperpaniekzaaier.

De paniek begint dus al bij het feit dat er geen opperste paniekzaaier is. De duivel aldus benoemen - het is maar een armoedige reflex van het benoemen van dat enige opperwezen voor de steriele dames van beiderlei kunne. Er zijn ontelbare paniekzaaiers. Met vele namen, vele gezichten, ik zei het al.

De verloedering heeft net zoveel namen, net zoveel gezichten.

Men spreekt over duivelse legioenen. Bij elkaar vullen de duivels de ruimte van het volledige leven, men buitelt, valt en kruipt overeind, terwijl het pad naar God een smal eenrichtingsverkeer is.

Net als het rijk van de duivels kent het rijk van de verloedering en de zonde een wirwar van hinderlagen, valkuilen, dwaalwegen, doodlopende stegen, viersprongen en ravijnen. Er zijn geen richtingwijzers. Er is geen plattegrond. Geen gids.

Hoe verder men er in doordringt, hoe ingewikkelder de kluwen vertakkingen wordt die men ontdekt.

Het lijkt verdacht veel op het rijk van de hersens. Daarin is het dat de duivels huizen. Daarin stompen en misleiden ze ons, met nu eens een vuurbaken, dan weer een blinddoek.

Daar huizen de verlokkingen, de taboes en de kronkels van de seksualiteit.

We hoeven van de seksualiteit niet altijd een drama te maken, maar verwarrend is ze wel.

Als een simpele verkrachting, zo oud als de wereld, door de feministen - met hun rotsvaste overtuiging dat ze de wereld opnieuw uitvinden - al tot een bizarrerie wordt gedoodverfd, hoe vinden we in onze hersenen voor de marteling, het overspel, de onstilbare honger, de walging, het fetisjisme, het uniform, het verzaligd klaarkomen op het geruis in een oorschelp nog een ankerplaats?

De duivels grijnzen en houden ons aan het lijntje.

We zullen met die paniekzaaiende duivels moeten leven.

Waarom pijnigen we wat we liefhebben? Waarom winden wildvreemden ons op? Waarom hechten we ons aan wat ons afstoot? Waarom begrijpen we seksualiteit soms niet? Waarom begrijpen we soms niet dat een mens nog aan iets anders dan seksualiteit kan denken? Waarom is er een beest in ons dat in een web van leugens leeft en waar we toch aan moeten geloven? Waarom verlangt iemand naar straf? Hoe komt het dat iemand opgewonden raakt van levenloze dingen? Waarom komt iemand klaar van een teennagel? Hoe kan ontrouw de grootste trouw zijn? Wat is voor een mens die over alles kan beschikken de aantrekkingskracht van het clandestiene? Hoe wordt iemand een voyeur? Hoe komt het dat drift, eenmaal bevredigd, meer drift oproept? Waarom slijt opwinding door herhaling? Waarom maakt macht zowel de machtige als de onderworpene geil? Wat mag het woord liefde in 's hemelsnaam betekenen? Waarom is het dat, zonder enige aanwijsbare aanleiding, kilte intreedt? Hoe komt het dat iemand, zelfs bij een volslagen verkilling, wanneer elk seksueel gevoel hem als iets van een andere planeet voorkomt, wéét dat de drift in hem loert, klaar om toe te slaan? Wat maakt dat we over elke intimiteit zouden willen uitroepen: naar de duivel ermee?

Een greep uit de tombola van vragen. Het zijn de vruchteloze en soms dodelijke raadsels die de Satan ons voorhoudt.

Niets is zo aantrekkelijk - dat moet ik de nieuwe puriteinen toegeven - als de strijd tegen de verwarring. De strijd van die Ene heilige moraal tegen de veelheid aan heilloze onberedeneerbaarheden.

Maar het blijft bij de heroïsche poging om met een opgestoken wijsvinger de storm tegen te houden.

Een strijd die verbittert omdat ze nooit gewonnen kan worden. Laten we hopen dat de recente, met krokodilletranen van verontwaardiging overgoten live televisie-executies van zogenaamde hoereerders en verkrachters op een gril berust, anders gaan we een van de meest repressieve perioden uit de geschiedenis tegemoet.

Anders komt een nieuw volk van dameslaarzen de wereld knechten. Niet alleen de seksualiteit van die wereld - ook de kunst, de sociale etiquette, de slaapkamers, de taal. Geil naar iemand kijken zal net zo vanzelfsprekend een seksuele intimidatie heten als iemand de dood toewensen een moord.

We moeten de verblindingen door de duivel ruimte blijven gunnen. Neem de frictie weg en alles loopt vast. We zouden op zijn minst de scheidslijn tussen intentie en daad moeten handhaven, want er zijn zoveel godsgruwelijke, zoveel godsheerlijke intenties.

Doorgaans ontspruiten seksuele intimidaties aan de fantasie van een hysterische kwezel die, bij gebrek aan daden en zonder enig risico te lopen, iedere intentie tot een reeds voltrokken daad verklaart, in het ergste geval zijn die intimidaties als schipbreuken, windhozen en verkoudheid: geen strafboek helpt er tegen. Als het niet hier waait en snottert, waait en snottert het daarginds wel.

Eén ding is zeker: we komen nooit van die boosdoeners buiten en in ons af.

In wat voor schrille kleuren de feministen (in Amerika en daarbuiten) de seksuele verlangens van de man ook afschilderen, ik ben ervan overtuigd dat ze geen flauwe notie hebben van de werkelijke omvang van zijn slechtheid. Het is allemaal nog veel erger.

Omgekeerd zal het meest misogyne deel van de mannen ongetwijfeld nog steeds tekort zijn geschoten, ondanks indrukwekkende pogingen in het verleden daartoe, in de schildering van de verderfelijkheid van de vrouw.

Zekere manifestaties van onze seksuele dwangvoorstellingen mogen cultureel of historisch bepaald zijn, wat vandaag een terloopsheid is kan morgen een aberratie zijn - de seksuele onverantwoordelijkheid zélf vormt de kern van ons zogeheten gezonde ik.

De veelheid der verzoekingen en uitdrukkingen als legioen en wirwar brengen ons als vanzelf op de heilige Antonius.

Hij wordt door afstotelijkheden en aantrekkelijkheden omringd, door nachtmerrie en lust, maar vooral door veel van dat alles.

De overdaad, de gevarieerde keuzemogelijkheden, de angst voor de leegte, dat is de duivel.

We kunnen nog alles uitkiezen, behalve de ontsnapping. Maar we willen helemaal niet ontsnappen.

Pandemonium, het woeden, de heksenketel - nog meer woorden die we met het rijk van de duivel verbinden.

Een harem is vol. Een orgie is vol. Een pornoblad is vol. Full colour, zonder blanke marges.

De asceet wil zo blanco mogelijk zijn.

Dus benadrukken de schilders in hun voorstellingen van de verzoeking van de heilige Antonius - de vader van de asceten - de grote verscheidenheid van de lekkere kluiven die de duivels hem met hoop op succes voorhouden.

Er valt veel te vullen.

Dat is de paradox van de ascese en het aanbod - hoe leger we zelf worden, hoe voller de verlokkingen lijken.

We treffen bij Bosch, Brueghel, Cranach en Schongauer lekkende tongen, laaiende grotten, priemende staken, aapachtige draken en draakachtige apen aan, maar het is er vooral vol, vol, vol.

Het kan geen toeval zijn dat Antonius zijn catalogus van verzoekingen in de verlaten woestijn ziet. Daar is de meeste ruimte.

Het wil ook zeggen dat we op geen enkele plek, hoe ver van de wereld ook, aan de wereld kunnen ontsnappen.

Hoe zou ik, als ik Antonius was, omspringen met die gevisualiseerde zonden? Welke zouden mij het meeste aantrekken, welke het minste? Er is maar één deugd, er zijn ontelbare ondeugden, waar moet ik beginnen?

Ik zou - om althans iets van een houvast te hebben - kunnen uitgaan van een van de inventarissen die er gemaakt zijn, de inventaris die bekend staat als de Zeven Hoofdzonden.

Ik zou eens kunnen zien in hoeverre ik daaraan bezwijk.

Wie zoveel begrip heeft voor de duivel in de mens, nietwaar, voor de zondaar en de overtreder, voor de bizarre en de verkrampte - die moet toch ook zelf eens met de billen bloot.

Maar wat betekent eerlijkheid voor iemand die niet in heilige boontjes gelooft?

Voor iemand die men met zo'n hardnekkige gretigheid maskers en hypocrisie toedicht?

Ach, owee en jawel, al dat gedoe over maskers en hypocrisie - soms stoot men bij zichzelf op dat ene ondeelbare lichaam, dat ene ondeelbare hoofd, en het doet pijn.

Het redelijke deel haat het redeloze deel nog wel, het deel dat anderen retoriek of optimisme zullen noemen, de emotie wordt nog wel becommentarieerd door de instantie van het sarcasme, maar er schemert iets van een ongemakkelijk gevoel in door dat de scheiding tussen beide instanties dun is, dat de tweedeling verbrokkelt.

Dat men alleen nog op de automatische piloot cynisch is. Dat de verontwaardiging en de spot een synthetische verontwaardiging en spot zijn.

Je beseft, al is het ongearticuleerd, dat de haat en het spottend commentaar reflexen zijn uit een zelfbewuster bestaan - een bestaan van vóór de tweedeling. De pijn ligt in het besef van de dunheid, in de ijlheid van die haat en dat commentaar.

Dat noemt men met de billen bloot. Dat noemt men depressie.

Het spel ontglipt aan de speler. Eén onbedachtzaamheid, één sprong en hij is geen speler meer, maar een vormeloos geheel. Een chaos die gilt.

De paradox van de eerlijkheid.

Hoe eerlijker de mens wordt, hoe voller de ziekenhuisbedden raken.

Gelukkig valt er veel te jokken.

Ik zal eerlijk jokken over mijn persoonlijke relatie tot de Zeven Hoofdzonden.

Hovaardigheid. Sommigen weten zo verwaand te kijken dat het lijkt of ze compôte met een dakje schijten. Ik hou niet van die aanstellers - ze hebben zichzelf op een sokkel geplaatst en zijn die sokkel als een deel van hun natuurlijke zelf gaan beschouwen. Ik heb juist een speciale oogopslag ontwikkeld die bescheidenheid moet uitstralen. Alleen als het op mijn schrijverseer aankomt kent mijn hovaardigheid geen grenzen. Veel publieke figuren beschouwen kunstenaars als apen. Het gevoelen is geheel wederzijds.

Gierigheid. Een duivel die maar geen vat op mij wil krijgen. Alleen rijke mensen zijn gierig. Mijn bloed kookte van woede toen ik enkele weken geleden las dat Johan Polak met instemming Schopenhauer citeerde: "Je hebt twee categorieën schrijvers. Zij die van de literatuur leven, en zij die voor de literatuur leven,' daaraan schamper toevoegend: "Van de eerste categorie zijn er duizenden.' De wijsneus - Johan Polak bedoek ik, niet Schopenhauer - stikt in de miljoenen. Zodra ik beschik over een procent van de rente van wat hij bezit, beloof ik hem vóór de literatuur te zullen gaan leven.

Onkuisheid. "Kuis is alleen de onbegeerde.' Om ook eens een dooie auteur te citeren.

Nijd. Ik ben jaloers op schrijvers die voor de literatuur kunnen leven. Ik ben jaloers op de miljoenen van Johan Polak. Ik ben jaloers op degenen die onophoudelijk begeerd worden. Ik ben jaloers op etcetera, ad infinitum.

Gulzigheid. Een wel heel wulpse verzoeking. Ook de schappen in de supermarkt munten uit door een schier pornografische en in verlegenheid brengende volheid. Ik leef van de literatuur omdat ik niet van de honger wil sterven - van postume eerbewijzen van miljonairs valt al helemaal niet te eten - én omdat ik aan een onstilbare consumptiedrang laboreer. Bezitsdrang, dito, vooral waar het nutteloze artikelen betreft. Koopziekte, ditissimo, speciaal kort voor winkelsluiting.

Gramschap. Zie bij "koken' en "woede' onder Gierigheid. Ik hou niet van ruzies. Maar ruzies houden van mij. Hoe gaat het met ruzies? Ze slaan in, blijven als een loden gewicht hangen en tegelijkertijd verdwijnen ze als sneeuw voor de zon. Allebei tegelijk. Werkelijk als sneeuw voor de zon. En toch dat loden gewicht, of je een vergeetzak hebt waar de ruzies allemaal ingaan en die op scherp staat, die elk moment geactiveerd ("getriggerd') kan worden om dan weer zijn volle loden gewicht te bezitten. Kortom, ik ben een aanhanger van het harmoniemodel met een latente toorn. Een explosieve vredesduif.

Traagheid. Zoveel duivelse projecties die Antonius Abbas besprongen en me er dan van afmaken met een zevental, als dat niet lui is! Het is, zal ik maar zeggen, dat ik zo dikwijls bezwijk voor de onkuisheid, de nijd, de gulzigheid en de gramschap, anders was ik altijd lui.

Geheel in de geest van het pandemonium bestormen zelfs de hoofdzonden je natuurlijk nooit afzonderlijk - maar altijd in een cocktail, naast en door elkaar. Terwijl ik de gierigheid afweer pakt me de jaloezie. Ik wil aan de onkuisheid toegeven, maar ben te zeer in de greep van de luiheid.

Antonius is geen heilige van de puriteinen of van een of ander triomfalisme. Hij is een consumptief heilige, ingekapseld door beelden en visioenen waarover hij, als hij het wil, kan beschikken. Hij is de man die tegenover de veelheid, de onrust van de keuze, de dilemma's van ons onvolkomen leven staat.

Soms - om maar een dilemma te noemen - is een oorlog die wij niet willen onvermijdelijk. Soms vormen macht en seksualiteit een onweerstaanbaar, niet af te wijzen bondgenootschap. Soms doet men het kleinere kwaad om het grotere kwaad te vermijden. Soms doet men het grotere kwaad omdat het kleinere kwaad zo saai is.

Seks, oorlog en hebzucht, daar komt de verwarring van de duivel op neer. Alles in zijn imperium is er op uit af te stoten en aan te trekken. Voort te stuwen en zichzelf te genereren. Er valt geen overwinning op te behalen.

In elk mensenleven komt het voor dat men dingen doet waartoe men zichzelf niet in staat had geacht, handelingen die je zelf beschouwt als diep beneden je niveau, daden waarover men een minachting koestert en die men tóch verricht.

We weten het. Maar we zijn te onhandelbaar. Te ingewikkeld voor een gevalletje van, pakweg, zeventig kilo inclusief een pluk haar en een endeldarm.

Als we het in onze diabologie dan toch over het Kwaad moeten hebben: het Kwaad is niet de zonde, maar de kennis. Het bewustzijn van die kennis. De onrust.

Ik streef ook wel eens naar een beetje rust. Soms vervloek ik, zoals het een aangepast burger betaamt, de hel.

Dit streven naar hemelse eenvormigheid is mooi, maar het is niet iets hogers, geen doel op zichzelf. Het is paradoxaal. Het maakt deel uit van een breder aanbod. We mogen de paradox, het dilemma niet uit het oog verliezen. Beter veel keus dan één keus.

God troont boven ons, maar met de duivels moeten we leven.

In de geschiedenis van het christendom heeft men eerst de duivel, als een personificatie buiten ons, de schuld gegeven van de vleselijke lust, zodat onze geest geen blaam trof en rein bleef. Daarna kwam de typisch protestantse opvatting van de kobold in ons - we konden niet schuldig worden omdat we schuldig waren. Opnieuw stonden we, als stofje in de schepping, machteloos.

Wat zegt de duivel de goddeloze?

Voor hem vertegenwoordigt de duivel niet het boze, de duivel vertegenwoordigt de diversiteit waaronder ook het boze valt. We kunnen kiezen, we zijn niet geheel machteloos. Maar de onmogelijkheid om uit zo'n grote rijkdom van zowel vluchtige als fatale verlokkingen te kiezen kan toevallig tot de indolentie leiden die wij deugd noemen.