De opstanding des vlezes

Wat is de werkelijke identiteit en de ware aard van de duivel? Dat ontdekte ik op 18- of 19-jarige leeftijd, toen ik kennis maakte met de Decamerone van Boccaccio.

Verschillende verhalen daaruit stonden mij na niet meer dan een keer lezen in het geheugen gegrift, zoals de doofstomme tuinman in het nonnenklooster en de boer die een monnik verzoekt om zijn vrouw overdag in een merrie te veranderen maar alles bederft tijdens het aanzetten van de staart. De reden van mijn enthousiasme was ook het schitterende Nederlands van de vertaling, waarvan mij verschillende voorbeelden tot de huidige dag zijn bijgebleven, zoals "daar werd er een wakker die niemand geroepen had, en stond op', en: "het voldeed haar niet meer dan een leeuw, die men een boon in de muil werpt'. Wie de vertaler was weet ik niet meer, want ik ben die uitgave al lang geleden kwijtgeraakt. Het was een goedkope editie in drie deeltjes, met een zebra op de omslag.

Het leek mij een vruchtbare oefening te proberen dit vrome en leerzame verhaal over de ware gedaante van de Prins der Duisternis weer te geven zoals ik het mij herinner; het lukte helaas niet helemaal, omdat ik de Decamerone sindsdien in meerdere vertalingen heb herlezen en bovendien een exemplaar in huis heb. Dat is de vertaling van Frans Denissen, Manteau 1981. Het is natuurlijk altijd verkeerd iets concreets te vergelijken met een schim in de herinnering, maar het lijkt me dat de tekst in die Zebra-editie veel puntiger, eleganter en met meer gevoel voor humor vertaald was. In elk geval stellen de passages die ik mij woordelijk herinner in de vertaling van Denissen mij teleur: "en daar werd er een wakker' etc. blijkt: "een ongenode gast werd wakker en ging rechtop staan'; het meisje Alibek uit het duivelsverhaal heet tot mijn ongenoegen Alibech, waardoor zij voor mij iets van haar jeugd en onschuld verliest; de leeuw die men een boon in de muil werpt wordt: "al hielp dat niet meer dan een boon in de brouwketel', om mij tot die voorbeelden te beperken. Maar hier volgt dan in het kort het leerzame verhaal van Alibek, het kluizenaarstertje, waarin de ware aard van de duivel wordt onthuld:

Er leefde in Barbarije, in de stad Capsa, een jong meisje gemaand Alibek; haar familie was heidens en zeer rijk. Van haar christelijke vriendinnen hoorde zij veel over het Christendom en de waarde van een godvruchtig leven, en eens vroeg zij een van hen wat de beste manier was om God te dienen. Het antwoord luidde dat het 't beste was om het aardse leven met al zijn zonden en verleidingen te ontvluchten, zoals de vrome heremieten deden. In de Thebeïsche woestijn bevonden zich een aantal van zulke heilige mannen, die daar in de eenzaamheid de tijd doorbrachten met versterving en gebed.

Hoewel niet ouder dan veertien was Alibek zo nieuwsgierig en vervuld van begeerte om de ware godsvrucht te ontdekken dat ze de volgende ochtend al op weg ging naar de woestijn. Daar aangekomen zag ze in de verte een hutje; ze ging er heen en vertelde de bewoner, een vrome kluizenaar, dat zij gekomen was om te leren wat de beste manier was om God te dienen. De heremiet bekeek haar eens, zag haar jeugd en haar schoonheid en concludeerde dat zij door Satan was gezonden om hem in het verderf te storten. Hij antwoordde dat hij niet in staat was haar te helpen maar dat er een eindje verderop een kluizenaar woonde die veel godvruchtiger was dan hij; daar moest ze maar eens gaan vragen. Maar ook deze vrome man zond haar naar een ander, die haar op zijn buurt weer naar de volgende verwees.

Zo belandde zij tenslotte bij een jonge kluizenaar wiens naam met Ru begon, namelijk Rusticus; deze vrome jongeman vormde het onvoorzichtige plan zichzelf op de proef te stellen en liet haar blijven. Hij maakte voor haar een bedje van palmbladeren waarop zij de nacht zouden door brengen.

Ze hadden zich nog niet te ruste gelegd of Rusticus werd zo ongenadig door de verzoeking gekweld dat hij besloot de gedachte aan versterving, godsvrucht en gebed uit zijn hoofd te zetten en integendeel begon te zinnen op middelen om aan de roep des vlezes gehoor te geven. Het feit dat zij kennelijk geen idee had wat man en vrouw van elkaar onderscheiden maakte dat hij een plan beraamde om haar godsdienstijver in dienst te stellen van wat hij begeerde.

Zo begon hij aan haar religieuze instructie. Hij legde haar uit dat de duivel de meest geduchte tegenstrever Gods is en dat de Heer hem had verbannen naar de hel; en dat er daarom voor een vrome Christen geen godvruchtiger taak bestond dan het terugsturen van de duivel naar de hel.

Hoe gaat dat dan in zijn werk? wilde Alibek weten. Doe als ik, zei hij en hij kleedde zich uit en knielde tegenover haar neer; gehoorzaam volgde zij zijn voorbeeld.

"Zeg mij, heilige vader,' vroeg Alibek, die het niet ontging dat zijn anatomie van de hare verschilde, "wat is het toch dat ik daar bij U zie vooruitdringen en dat ik niet heb?'

"Voorwaar, dat is nu de duivel,' legde Rusticus uit, "en wat ge hier waarneemt is de opstanding des vlezes. Daaraan kunt ge zien hoezeer de Boze mij kwelt.'

Alibek dankte de Heer dat Hij haar niet zo'n duivel had gegeven om haar te pijnigen, maar Rusticus vertelde haar nu dat zij iets bezat dat hem ontbrak, namelijk de hel. "Als ge een Gode welgevallig werk wilt doen, sta mij dan toe mijn duivel in uw hel te jagen.'

Alibek, ongeduldig en verlangend om God te dienen, smeekte Rusticus om daar dan haast mee te maken.

God zegen je, mijn dochter, zei Rusticus, laten we dadelijk beginnen en die ergerlijke booswicht eens zijn gerechte straf geven.

Alibek was nog jong en omdat zij nooit eerder de duivel naar de hel had gestuurd viel haar dat niet mee; zij klaagde dat de prins der duisternis zelfs de hel pijn deed. Rusticus stelde haar gerust dat het niet zo zou blijven en in de volgende weken werd Satan ontelbare malen de hel in gejaagd. Alibek begon in te zien dat haar vriendinnen in Capsa groot gelijk hadden gehad en dat niets de ziel zo vervulde van godsdienstige verukking als het naar de hel zenden van de vloekwaardige tegenstrever Gods. Vaak maakte zij Rusticus erop opmerkzaam dat zij niet was gekomen om haar tijd in ledigheid door te brengen maar om God te dienen.

"Kom laten wij die worgengel nog eens duchtig kastijden en zijn gerechte straf geven!' riep zij vaak, maar zij plukte hem zo veel wol uit zijn buis dat de vrome heremiet het koud begon te krijgen daar waar een ander gezweet zou hebben; soms wierp hij tegen dat de Boze alleen naar de uiterste duisternissen kon worden gestuurd wanneer hij zijn hoofd in hoogmoed verhief, maar dat gebeurde steeds minder, zodat Alibek zich zorgen begon te maken over haar zieleheil.

"Jouw duivel is nu wel getuchtigd,' verweet zij Rusticus, "maar mijn hel laat me geen ogenblik meer met rust!' De arme kluizenaar, die van bessen en wortels leefde, deed zijn best zoveel balsem in de wonde te gieten als hij kon, maar het voldeed haar niet meer dan een leeuw, die men een boon in de muil werpt...

De rest is wat vaag in mijn herinnering hoewel ik het verhaal natuurlijk meermalen heb herlezen: Alibeks familie komt om in een brand, zij is de enige erfgenaam, een jongeman die zich realiseert dat zij een goede partij is achterhaalt haar en neemt haar tot opluchting van Rusticus mee naar Capsa terug om haar te huwen. Alibek is woedend dat haar godvruchtige werk zo ruw wordt afgebroken, maar komt tot de ontdekking dat zij ook met haar echtgenoot God kan blijven dienen. Wat dit verhaal ons leert is dat niets belangrijker is dan ons zieleheil en dat er geen Gode welgevalliger arbeid bestaat dan het terugzenden van de duivel naar de hel.